Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:5990

2026-06-11 Strafrecht; Europees strafrecht 13-086698-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-06-11
Publicatiedatum
2026-06-12
Rechtsgebied
Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure
Eerste en enige aanleg
Zaaknummer
13-086698-26
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vervolgings-EAB Bulgarije. Overlevering toegestaan. Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden in Bulgarije. Individuele detentiegarantie verstrekt en voldoende bevonden. Evenredigheidsverweer verworpen. Geen sprake van bijzondere omstandigheden.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.698 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER



Parketnummer: 13-086698-26




Datum uitspraak: 11 juni 2026







UITSPRAAK





op de vordering van 8 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 23 februari 2026 door the Regional Prosecutor's Office - Stara Zagora Town, Territorial Department – Chirpan, Bulgarije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) – waartoe the Regional Court van Chirpan op 30 februari 2026 toestemming heeft gegeven – en strekt tot de aanhouding en overlevering van:




[opgeëiste persoon],

geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] (Bulgarije),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieadres],



hierna ‘de opgeëiste persoon’.






1Procesgang


De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 28 mei 2026, in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. F.A.M. Engels, advocaat in ’s-Gravenhage en door een tolk in de Bulgaarse taal.



De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.



Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.








2Identiteit van de opgeëiste persoon


Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Bulgaarse nationaliteit heeft.





3Grondslag en inhoud van het EAB


Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel uitgevaardigd door the Regional Prosecutor's Office - Stara Zagora, Territorial Department - Chipran van 20 januari 2026 met kenmerk 329/2024.



De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Bulgaars recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.





4Strafbaarheid



Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist




De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.



De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.



Het feit levert naar Nederlands recht op:




overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet 1994.






5Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden in Bulgarije


5.1

Inleiding



De rechtbank heeft op grond van het Public statement van het European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) van 26 maart 2015 geoordeeld dat in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in Bulgarije zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Bij uitspraak van 11 februari 2020 heeft de rechtbank geoordeeld dat het CPT-rapport van 4 mei 2018, naar aanleiding van bezoeken tussen 25 september 2017 en 6 oktober 2017, niet tot een ander oordeel leidt. Dit geldt eveneens ten aanzien van het CPT-rapport van 18 oktober 2022.



Bij brief van 30 april 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit het volgende medegedeeld:




“(…) In response to your inquiry about in which prison in Bulgaria would [opgeëiste persoon] be detain, I inform you that it will be
The prison in Stara Zagora
.(…)




Aan deze begeleidende brief was een schrijven van het Ministry of Justice van de Stara Zagora Prison van 27 april 2026 gehecht waarin – voor zover hier relevant – de volgende aanvullende informatie over de detentie-omstandigheden in Stara Zagora is opgenomen:




“(…) We inform you that during the period June 2015 – March 2016, a major renovation of the Prison Building – Stara Zagora was performed under project BG032. (…)
all sleeping quarters
were completely renovated, in accordance with the requirements of Art.3 of the European Convention on Human Rights and Art.43, p. 4 of ESDC -
at least 4m2 of living space
with all necessary furniture,
without sanitary facilities
; they have
a private bathroom with a toilet and running water, with 24-hour access
, replaced PVC joinery,
windows that can be opened at any time of the day
(…).





There, in the Prison - Stara Zagora, the accommodated people may
stay outside their sleeping quarters from 06.00 a.m. to 08.00 p.m.
(…)





There, in the Prison - Stara Zagora, the accommodated people
have access to open spaces


(outdoor stay) every day for 1 (one) hour and 30 (thirty) minutes
. During this time, sports and fitness equipment, a library and a grocery store are available to them. (…)” (Onderstrepingen door de rechtbank).





5.2

Standpunten van partijen




Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft verzocht om geen gevolg te geven aan het EAB, gelet op het reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon in Bulgarije. De raadsvrouw heeft daartoe een klachtbrief van de opgeëiste persoon van 27 maart 2020 aan het Hoogste Openbaar Ministerie in Sofia overgelegd waarin hij onder meer heeft verklaard dat hij eerder op het politiebureau in Bulgarije is mishandeld. Voorts heeft de opgeëiste persoon gesteld dat hij gedurende langere tijd in onzekerheid is gelaten over de vraag of hij al dan niet was aangehouden en dat het lang heeft geduurd voordat hij zijn advocaat kon spreken.




Standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie neemt de verstrekte detentiegarantie het vastgestelde algemene reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon weg. Gegarandeerd wordt dat de opgeëiste persoon in de detentie-instelling in Stara Zagora 4 m2 persoonlijke leefruimte exclusief sanitair tot zijn beschikking krijgt. Artikel 11 OLW staat daarom niet aan de overlevering in de weg. De overgelegde klachtbrief maakt dit niet anders, omdat er geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens zijn overgelegd die de verklaring van de opgeëiste persoon onderbouwen.




5.3

Oordeel van de rechtbank




Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op deze toezegging van de Bulgaarse autoriteiten, van oordeel dat voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest. Het algemene reële gevaar dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in Bulgaarse penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, wordt door deze garantie uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.



Uit de aanvullende informatie van 30 april 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon zal worden geplaatst in de gevangenis in Stara Zagora. In een brief van 27 april 2026 staat welke garanties daar voor hem gelden. Voor de opgeëiste persoon wordt onder meer 4 m2 aan persoonlijke leefruimte, exclusief sanitair gegarandeerd. Verder blijkt uit de aanvullende informatie dat de opgeëiste persoon 24 uur per dag toegang heeft tot een eigen badkamer met toilet en stromend water, dat zijn cel beschikt over natuurlijke ventilatie, dat hij voldoende tijd buiten zijn cel kan verblijven en dat hij daarnaast dagelijks 1,5 uur in de buitenlucht kan wandelen.



Voor zover de raadsvrouw heeft willen betogen dat de mensenrechten van de opgeëiste persoon ook dreigen te worden geschonden vanwege de inhoud van de overgelegde klachtbrief, faalt ook dit verweer. De rechtbank moet immers met de officier van justitie vaststellen dat dit verweer niet wordt onderbouwd met objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens. De enkele verklaring van de opgeëiste persoon kan niet als een zodanig gegeven worden beschouwd. Artikel 11 OLW staat daarom niet aan de overlevering in de weg.






6Evenredigheidsverweer


6.1

Standpunten van partijen




Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft bepleit dat de overlevering dient te worden geweigerd en heeft daartoe aangevoerd dat het toestaan van de overlevering disproportioneel zou zijn. De opgeëiste persoon wordt verdacht van rijden onder invloed van verdovende middelen, waar in Bulgarije een maximumstraf van drie jaar op staat. Volgens de Bulgaarse advocaat van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij voor dat feit slechts één jaar gevangenisstraf opgelegd zal krijgen.




Standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie is de afweging om een EAB uit te vaardigen voorbehouden aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Volgens artikel 2, eerste lid, OLW kan een EAB worden afgegeven wegens feiten die door de wet van de uitvaardigende lidstaat strafbaar zijn gesteld en waarop een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld. Aan dat vereiste is voldaan.




6.2

Oordeel van de rechtbank



De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsvrouw als een evenredigheidsverweer.



De rechtbank overweegt in lijn met eerdere uitspraken dat voor de vraag of sprake is van (on)evenredigheid van de overlevering een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de zogenoemde stelselevenredigheid van de OLW en de evenredigheid in een concreet geval. Het stelsel van de OLW is, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit, gebaseerd op het uitgangspunt dat het gebruik van de bevoegdheden tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken.



Uit het stelsel van overlevering en een kaderbesluitconforme uitleg volgt dat een evenredigheidsafweging in beginsel is ingebed in de afweging tot uitvaardiging van een EAB. De Bulgaarse rechter heeft in deze zaak de afweging gemaakt om toestemming te verlenen aan the Regional Prosecutor's Office - Stara Zagora Town, Territorial Department – Chirpan om een EAB uit te vaardigen. Hiermee is de evenredigheid van de uitvaardiging van het EAB gegeven. De keuze voor het uitvaardigen van een EAB door de Bulgaarse justitiële autoriteiten gaat niet verder dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit – het voorkomen van straffeloosheid – te verwezenlijken.



Dat neemt niet weg dat overlevering in een concreet individueel geval, onder omstandigheden, onevenredig bezwarend kan zijn voor de opgeëiste persoon. Gelet op de stelselevenredigheid kan een beroep op de onevenredigheid van een EAB echter slechts onder bijzondere omstandigheden slagen. Nu van zulke bijzondere omstandigheden in dit geval niet is gebleken, wordt het verweer van de raadsvrouw verworpen.

7. Slotsom




De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.






8Toepasselijke wetsartikelen


De artikelen 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.





9Beslissing



STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Prosecutor's Office - Stara Zagora Town, Territorial Department – Chirpan, Bulgarije, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.




Deze uitspraak is gedaan door:
mr. W.A.J.P. van den Reek, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.L. Kole, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 11 juni 2026.





































Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.






Zie artikel 23 OLW.


Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.


Zie onderdeel e) van het EAB.


Zie HvJ EU 5 april 2016, ECLI:EU:C:2016:198, punten 88-90 en o.a. Rechtbank Amsterdam 28 november 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:1269.


Rechtbank Amsterdam, 11 februari 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:1097.


Rechtbank Amsterdam, 27 oktober 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:6217.


Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.