Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:5904

2026-06-04 Strafrecht; Europees strafrecht 13-091740-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-06-04
Publicatiedatum
2026-06-11
Rechtsgebied
Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure
Eerste en enige aanleg
Zaaknummer
13-091740-26
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Executie-EAB België; artikel 12 OLW: onvoorwaardelijke verzetgarantie; artikel 6a OLW: beroep op de terugkeergarantie; artikel 11 OLW: algemeen gevaar weggenomen; overlevering toestaan.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.094 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER



Parketnummer: 13-091740-26




Datum uitspraak: 4 juni 2026







UITSPRAAK





op de vordering van 27 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op het Parket van de Procureur des Konings West-Vlaanderen, afdeling Veurne, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:





[de opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1998 te Curaçao,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] ,
gedetineerd in het [detentieadres] ,



hierna ‘de opgeëiste persoon’.






1Procesgang


De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 mei 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet ter zitting verschenen en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. C.Y. Kekik, advocaat te Rotterdam.



De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.



Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.







2Identiteit van de opgeëiste persoon


De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.





3Grondslag en inhoud van het EAB


Het EAB vermeldt een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge van 12 januari 2026 met kenmerk BG.2026/99.



De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB, na aftrek van voorarrest, nog 1113 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.



Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.



3.1

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW




Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.



Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat



( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en



( ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.



Het EAB vermeldt in het EAB in onderdeel d):




“3.4 de beslissing is niet persoonlijk aan de betrokkene betekend, maar


- de beslissing zal hem na de overlevering onverwijld persoonlijk worden betekend; en


- de betrokkene zal na de betekening van de beslissing uitdrukkelijk worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing; en


- de betrokkene zal geïnformeerd worden over de termijn waarover hij beschikt om verzet of hoger beroep aan te tekenen, namelijk […] dagen.”




De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in de aangehechte bijlage van het EAB vermeld dat de verzetstermijn 15 dagen is.



Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW en doet de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond zich niet voor.



Dit betekent dat de veroordeling niet onherroepelijk is zodat ook de weigeringsgrond van artikel 6a, eerste lid, OLW zich niet voordoet. Voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, OLW moet het EAB worden verstaan als strekkende tot (verdere) vervolging (zie hierna onder 5).






4Strafbaarheid



Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW




De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:




deelneming aan een criminele organisatie;



illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.




Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.



Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.





5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW


De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd.
Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.



Het Parket van de Procureur des Konings West-Vlaanderen, afdeling Brugge heeft op 21 april 2026 de volgende garantie gegeven:




“Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u over te leveren Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu [de opgeëiste persoon] .





Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om zijn straf of maatregel aldaar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ).”




Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.





6Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen.


Bij brief van 20 april 2026, afkomstig van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden - Dienst internationale samenwerking in strafzaken - Centrale autoriteit, is voor de opgeëiste persoon de volgende detentiegarantie gegeven:




“
1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?



[de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Brugge.





2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?


België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.





In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:


- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.


- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.


o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm


o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.


- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.


- Er worden verschillend dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.






3Sanitaire en hygiëne omstandigheden
Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”



Oordeel van de rechtbank

Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de garantie van 20 april 2026 De rechtbank is, gelet op de daarin gedane toezeggingen van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (onder andere de CPT-standaarden).





8Slotsom


De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en er een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12 sub d OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.





9Toepasselijke wetsbepalingen


De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.





10Beslissing



STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan het Parket van de Procureur des Konings West-Vlaanderen, afdeling Veurne, België voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. E.M. de Bie en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 juni 2026.




































Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.




Zie artikel 23 Overleveringswet.


Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.


Zie onderdeel e) van het EAB.


Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, ECLI:EU:C:2023:444 (O. G. (Europees aanhoudingsbevel tegen een onderdaan van een derde land)), punt 64.


ECLI:NL:RBAMS:2022:7536.


Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.