Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:5903
2026-06-04
Strafrecht
13-138329-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vervolgings-EAB Portugal; grondslag: NAB uitgevaardigd door een rechterlijke autoriteit; artikel 2 OLW: verweer op genoegzaamheid verworpen; artikel 11 OLW: geen algemeen gevaar m.b.t. de detentieomstandigheden; overlevering toestaan.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBAMS:2021:1627 Rechtbank Amsterdam 06-04-2021
- ECLI:EU:C:2018:589
- ECLI:EU:C:2018:589
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.903 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-138329-26 (EAB 2)
Datum uitspraak: 4 juni 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 15 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 6 mei 2026 door the Tribunal Judicial da Comarca de Lisboa Norte - Juízo de Instrução Criminal de Loures Juiz 1, Portugal (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] (Portugal),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [Penitentiaire Inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 mei 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. J.W. Ebbink, advocaat in Haarlem en door een tolk in de Portugese taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Portugese nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een:
“Court order issued on 13 April 2026 by the Loures Criminal Investigation Court - Judge 1, which upheld a motion by the Public Prosecutor’s Office - Loures' Department of Investigation and Prosecution - 3rd Section - ordering the issue of arrest warrants outside of
flagrante delicto for the suspect, for the purpose of subjecting them to initial judicial
examination, with a view to applying a coercive measure more severe than declaration of
identity and residence (…)”
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Portugees recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om bij de uitvaardigende justitiële autoriteit na te vragen of er een aanhoudingsbevel is uitgevaardigd door een rechter. Uit het EAB en het a)-formulier blijkt namelijk niet of er door de rechtbank Loures een zelfstandig aanhoudingsbevel is uitgevaardigd of slechts een court order om het bevel te laten uitvaardigen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat het nationaal aanhoudingsbevel is uitgevaardigd door een rechter.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank leest de in het EAB in onderdeel b) genoemde grondslag voor dat EAB in samenhang met de informatie in het a)-formulier. Onder punt 240 van het A-formulier (Aanhoudingsbevel of gelijkwaardige rechterlijke beslissing) staat dezelfde (hiervoor geciteerde) tekst als in het EAB. Onder 032 en 035 van het A-formulier staat vermeld dat een aanhoudingsbevel is uitgevaardigd op 6 mei 2026 door Dora Dinis (Judge of Law). De rechtbank leidt hieruit af dat naar aanleiding van de court order op 13 april 2026 een nationaal aanhoudingsbevel is uitgevaardigd op 6 mei 2026 door een rechter. De rechtbank wijst daarom het aanhoudingsverzoek van de raadsman af.
3.1
Genoegzaamheid
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet duidelijk is voor welke feiten de overlevering wordt verzocht. Uit de aangekruiste lijstfeiten kan worden afgeleid dat de opgeëiste persoon oplichting en witwassen wordt verweten. In de omschrijving van de feiten staan echter ook ongeautoriseerde toegang, computerfraude en forgery vermeld, terwijl het lijstfeit “computer-related crime” niet is aangekruist. De zaak dient te worden aangehouden om hierover nadere vragen te stellen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat voldoende duidelijke is voor welke feiten de overlevering wordt gevraagd omdat oplichting ook via de elektronische weg kan plaatsvinden. Het lijstfeit ‘oplichting’ volstaat daarom.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een genoegzaam EAB. In onderdeel e) van het EAB wordt een uitgebreide beschrijving gegeven van de feiten, waaruit onder meer de pleegplaatsen, de pleegperiode en de betrokkenheid van de opgeëiste persoon blijkt. Met deze uitgebreide omschrijving kan het specialiteitsbeginsel gewaarborgd worden. Daaraan doet niet af dat het lijstfeit “computer-related crime” niet is aangekruist in het EAB. Los van de omstandigheid dat het niet aan de uitvoerende justitiële autoriteit is om het al dan niet aanwijzen van lijstfeiten door de uitvaardigende justitiële autoriteit te toetsen, dienen de lijstfeiten ook niet om de genoegzaamheid van het EAB te beoordelen. De aanwijzing van lijstfeiten ziet immers op de vraag of de omschreven strafbare feiten al dan niet door de uitvoerende justitiële autoriteit getoetst moeten worden aan het vereiste van dubbele strafbaarheid.
4Strafbaarheid
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
witwassen van opbrengsten van misdrijven;
oplichting.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden
Inleiding
Bij uitspraak van 6 april 2021 heeft de rechtbank een algemeen reëel gevaar aangenomen dat personen die in Portugal in de detentie-instellingen van Lissabon, Caxias en Setúbal zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). In het rapport van de European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) gepubliceerd in 2023 – waarbij Caxias en Setúbal anders dan Lissabon niet zijn bezocht – is het aangenomen algemeen reëel gevaar niet ontkracht. De rechtbank gaat dan ook nog steeds uit van een algemeen reëel gevaar in de zin van artikel 4 Handvest voor deze drie detentie-instellingen.
Op 12 mei 2026 heeft de Portugese officier van justitie de volgende garantie verstrekt:
"women are typically detained in Tires, Cascais."
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat bovengenoemde detentiegarantie onvoldoende concreet is. De garantie garandeert niet dat de opgeëiste persoon niet in een detentie-instelling geplaatst zal worden waar een algemeen gevaar voor een schending van grondrechten is aangenomen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentieomstandigheden in Portugal niet aan overlevering in de weg staan. De opgeëiste persoon zal naar alle waarschijnlijkheid in Tires worden geplaatst en voor deze detentie-instelling is geen algemeen gevaar voor een schending van gronderechten aangenomen. Gelet op het rapport van het European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) van 13 december 2023 bestaat ook geen aanleiding om voor deze detentie-instelling een algemeen gevaar aan te nemen.
Oordeel van de rechtbank
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op de op de aanvullende informatie van 12 mei 2026, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest. De rechtbank heeft ten aanzien van de detentie-instellingen van Lissabon, Caxias en Setúbal een dergelijk algemeen reëel gevaar aangenomen. Uit het arrest ML van het HvJ EU volgt dat de rechtbank uitsluitend de detentieomstandigheden dient te onderzoeken in de penitentiaire inrichting(en) waar de opgeëiste persoon, volgens de informatie waarover zij beschikt, naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd, mede op tijdelijke of voorlopige basis. Uit de verschafte aanvullende informatie volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het niet waarschijnlijk is dat de opgeëiste persoon in één van de detentie-instellingen terecht komt waarvoor de rechtbank een algemeen gevaar heeft aangenomen. De raadsman heeft verder geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit blijkt dat er wel sprake is van een algemeen gevaar ten aanzien van de detentie-instelling in Tires. De rechtbank beschikt ook ambtshalve niet over dergelijke gegevens. Daarom vormen de detentieomstandigheden geen beletsel voor overlevering.
6Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
8Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Tribunal Judicial da Comarca de Lisboa Norte - Juízo de Instrução Criminal de Loures Juiz 1, Portugal voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. E.M. de Bie en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rechtbank Amsterdam 6 april 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:1627.
HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.
HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, ECLI:EU:C:2018:589.
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-138329-26 (EAB 2)
Datum uitspraak: 4 juni 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 15 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 6 mei 2026 door the Tribunal Judicial da Comarca de Lisboa Norte - Juízo de Instrução Criminal de Loures Juiz 1, Portugal (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] (Portugal),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [Penitentiaire Inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 mei 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. J.W. Ebbink, advocaat in Haarlem en door een tolk in de Portugese taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Portugese nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een:
“Court order issued on 13 April 2026 by the Loures Criminal Investigation Court - Judge 1, which upheld a motion by the Public Prosecutor’s Office - Loures' Department of Investigation and Prosecution - 3rd Section - ordering the issue of arrest warrants outside of
flagrante delicto for the suspect, for the purpose of subjecting them to initial judicial
examination, with a view to applying a coercive measure more severe than declaration of
identity and residence (…)”
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Portugees recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om bij de uitvaardigende justitiële autoriteit na te vragen of er een aanhoudingsbevel is uitgevaardigd door een rechter. Uit het EAB en het a)-formulier blijkt namelijk niet of er door de rechtbank Loures een zelfstandig aanhoudingsbevel is uitgevaardigd of slechts een court order om het bevel te laten uitvaardigen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat het nationaal aanhoudingsbevel is uitgevaardigd door een rechter.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank leest de in het EAB in onderdeel b) genoemde grondslag voor dat EAB in samenhang met de informatie in het a)-formulier. Onder punt 240 van het A-formulier (Aanhoudingsbevel of gelijkwaardige rechterlijke beslissing) staat dezelfde (hiervoor geciteerde) tekst als in het EAB. Onder 032 en 035 van het A-formulier staat vermeld dat een aanhoudingsbevel is uitgevaardigd op 6 mei 2026 door Dora Dinis (Judge of Law). De rechtbank leidt hieruit af dat naar aanleiding van de court order op 13 april 2026 een nationaal aanhoudingsbevel is uitgevaardigd op 6 mei 2026 door een rechter. De rechtbank wijst daarom het aanhoudingsverzoek van de raadsman af.
3.1
Genoegzaamheid
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet duidelijk is voor welke feiten de overlevering wordt verzocht. Uit de aangekruiste lijstfeiten kan worden afgeleid dat de opgeëiste persoon oplichting en witwassen wordt verweten. In de omschrijving van de feiten staan echter ook ongeautoriseerde toegang, computerfraude en forgery vermeld, terwijl het lijstfeit “computer-related crime” niet is aangekruist. De zaak dient te worden aangehouden om hierover nadere vragen te stellen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat voldoende duidelijke is voor welke feiten de overlevering wordt gevraagd omdat oplichting ook via de elektronische weg kan plaatsvinden. Het lijstfeit ‘oplichting’ volstaat daarom.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een genoegzaam EAB. In onderdeel e) van het EAB wordt een uitgebreide beschrijving gegeven van de feiten, waaruit onder meer de pleegplaatsen, de pleegperiode en de betrokkenheid van de opgeëiste persoon blijkt. Met deze uitgebreide omschrijving kan het specialiteitsbeginsel gewaarborgd worden. Daaraan doet niet af dat het lijstfeit “computer-related crime” niet is aangekruist in het EAB. Los van de omstandigheid dat het niet aan de uitvoerende justitiële autoriteit is om het al dan niet aanwijzen van lijstfeiten door de uitvaardigende justitiële autoriteit te toetsen, dienen de lijstfeiten ook niet om de genoegzaamheid van het EAB te beoordelen. De aanwijzing van lijstfeiten ziet immers op de vraag of de omschreven strafbare feiten al dan niet door de uitvoerende justitiële autoriteit getoetst moeten worden aan het vereiste van dubbele strafbaarheid.
4Strafbaarheid
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
witwassen van opbrengsten van misdrijven;
oplichting.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden
Inleiding
Bij uitspraak van 6 april 2021 heeft de rechtbank een algemeen reëel gevaar aangenomen dat personen die in Portugal in de detentie-instellingen van Lissabon, Caxias en Setúbal zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). In het rapport van de European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) gepubliceerd in 2023 – waarbij Caxias en Setúbal anders dan Lissabon niet zijn bezocht – is het aangenomen algemeen reëel gevaar niet ontkracht. De rechtbank gaat dan ook nog steeds uit van een algemeen reëel gevaar in de zin van artikel 4 Handvest voor deze drie detentie-instellingen.
Op 12 mei 2026 heeft de Portugese officier van justitie de volgende garantie verstrekt:
"women are typically detained in Tires, Cascais."
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat bovengenoemde detentiegarantie onvoldoende concreet is. De garantie garandeert niet dat de opgeëiste persoon niet in een detentie-instelling geplaatst zal worden waar een algemeen gevaar voor een schending van grondrechten is aangenomen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentieomstandigheden in Portugal niet aan overlevering in de weg staan. De opgeëiste persoon zal naar alle waarschijnlijkheid in Tires worden geplaatst en voor deze detentie-instelling is geen algemeen gevaar voor een schending van gronderechten aangenomen. Gelet op het rapport van het European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) van 13 december 2023 bestaat ook geen aanleiding om voor deze detentie-instelling een algemeen gevaar aan te nemen.
Oordeel van de rechtbank
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op de op de aanvullende informatie van 12 mei 2026, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest. De rechtbank heeft ten aanzien van de detentie-instellingen van Lissabon, Caxias en Setúbal een dergelijk algemeen reëel gevaar aangenomen. Uit het arrest ML van het HvJ EU volgt dat de rechtbank uitsluitend de detentieomstandigheden dient te onderzoeken in de penitentiaire inrichting(en) waar de opgeëiste persoon, volgens de informatie waarover zij beschikt, naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd, mede op tijdelijke of voorlopige basis. Uit de verschafte aanvullende informatie volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het niet waarschijnlijk is dat de opgeëiste persoon in één van de detentie-instellingen terecht komt waarvoor de rechtbank een algemeen gevaar heeft aangenomen. De raadsman heeft verder geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit blijkt dat er wel sprake is van een algemeen gevaar ten aanzien van de detentie-instelling in Tires. De rechtbank beschikt ook ambtshalve niet over dergelijke gegevens. Daarom vormen de detentieomstandigheden geen beletsel voor overlevering.
6Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
8Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Tribunal Judicial da Comarca de Lisboa Norte - Juízo de Instrução Criminal de Loures Juiz 1, Portugal voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. E.M. de Bie en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rechtbank Amsterdam 6 april 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:1627.
HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.
HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, ECLI:EU:C:2018:589.