Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:5553
2026-06-02
Strafrecht; Europees strafrecht
13-070471-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Overlevering. Kroatisch EAB t.b.v. vervolging. Tussenuitspraak i.v.m. detentieomstandigheden. Het vastgestelde algemene reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in de Zagreb Remand Prison is (nog) niet weggenomen voor de opgeëiste persoon.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBAMS:2023:8493 Rechtbank Amsterdam 27-12-2023
- ECLI:NL:RBAMS:2025:6473 Rechtbank Amsterdam 19-08-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2024:3583 Rechtbank Amsterdam 13-06-2024
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:RBAMS:2026:7777 Rechtbank Amsterdam 30-07-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (12.094 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-070471-26
Datum uitspraak: 2 juni 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 24 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 19 november 2025 door de Gemeentelijke Rechtbank te Rijeka, Kroatië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (voormalig Joegoslavië) op [geboortedag] 1975,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 7 mei 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 7 mei 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie, en de raadsvrouw van de opgeëiste persoon, mr. L.C. Cox, advocaat in Amersfoort. De opgeëiste persoon is niet verschenen.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen zonder deze (opnieuw) te schorsen. Het onderzoek is geschorst tot de zitting van 19 mei 2026.
Zitting 19 mei 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw,
mr. L.C. Cox, en door een tolk in de Kroatische taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Kroatische nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een beslissing van het Provinciale Gerechtshof te Rijeka van 11 oktober 2013, met kenmerk Kir-616/2013, betreffende het opleggen van voorlopige hechtenis. Daarnaast vermeldt het EAB een bevel van de Gemeentelijke Rechtbank te Rijeka van 17 juli 2025, met kenmerk K-832/2013, voor de uitvaardiging van een opsporingsbevel.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Kroatisch recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
medeplegen van computervredebreuk
medeplegen van oplichting
5Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden Kroatië
Inleiding
De rechtbank heeft bij uitspraak van 27 december 2023 op basis van het rapport van
23 november 2023 van The European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (hierna: CPT) aangenomen dat er sprake is van een algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in de Zagreb Remand Prison.
Op 24 maart 2026 heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) daarom onder meer de volgende vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
1. In which prison in Croatia will [opgeëiste persoon] most probably be detained, should his surrender be authorized?
2. Whether it can be guaranteed that [opgeëiste persoon] will not be placed in Zagreb Remand Prison.
Op 30 maart 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit hierop als volgt geantwoord:
“further to your request contained in your letter dated 24 March 2026, and with regard to the defendant [opgeëiste persoon] (born on [geboortedag] 1975 in [geboorteplaats], Croatia), in respect of whom this Court, in case no. K-832/2013, has issued a European Arrest Warrant, we hereby inform you that the pretrial detention will be carried out at the Rijeka Prison, Žrtava fašizma 5 street.
Exceptionally, in certain extraordinary circumstances (for security reasons or due to prison overcrowding), it is possible to transfer a detainee to another prison subject to the approval of the competent judge. The specific prison to which the detainee would be transferred in such cases depends on the particular circumstances and the capacities of the prison system.”
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft de rechtbank primair verzocht geen gevolg te geven aan het EAB en de officier van justitie niet- ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om de behandeling aan te houden en Kroatië in de gelegenheid te stellen om aanvullende informatie te verstrekken.
De raadsvrouw heeft hierbij – kort samengevat – gewezen op het feit dat op basis van de verstrekte informatie niet kan worden uitgesloten dat de opgeëiste persoon in de Zagreb Remand Prison wordt geplaatst. Uit rechtspraak van de rechtbank Amsterdam volgt dat hierover wel duidelijkheid moet bestaan zodat expliciet en ondubbelzinnig gegarandeerd is dat de opgeëiste persoon niet in Zagreb zal worden geplaatst. In het voorbehoud dat in de aanvullende informatie van 30 maart 2026 wordt gemaakt, wordt verwezen naar uitzonderlijke omstandigheden zoals veiligheidsredenen of overbevolking. Uit het CPT-rapport van november 2023 blijkt dat het Kroatische gevangeniswezen echter structureel kampt met overbevolking, met name in de huizen van bewaring. De bezettingsgraad ligt daar ruim boven de 130%. Overbevolking is daarmee geen uitzonderlijke omstandigheid, maar de status quo binnen het systeem. Dit relativeert de door Kroatië genoemde “uitzonderingsgrond” voor overplaatsing aanzienlijk. Tegen deze achtergrond is het zeer reëel dat de opgeëiste persoon in een andere penitentiaire inrichting wordt geplaatst dan in Rijeka, waarbij ook de Zagreb Remand Prison niet is uitgesloten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon is weggenomen met de verstrekte aanvullende informatie van 30 maart 2026. Artikel 11 OLW staat dus niet aan overlevering in de weg. Subsidiair is de officier van justitie bereid om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. De officier van justitie heeft erop gewezen dat de rechtbank uitsluitend de gevangenis moet onderzoeken waar iemand naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd, dus enkel de omstandigheden in Rijeka. Uit rechtspraak van de rechtbank volgt dat het niet nodig is dat de gevangenis in Zagreb expliciet wordt uitgesloten.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat uit de verstrekte informatie van 30 maart 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon gedurende het voorarrest zal worden geplaatst in de Rijeka Prison. De rechtbank overweegt daarbij allereerst dat ten aanzien van de Rijeka Prison geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens zijn overgelegd waaruit volgt dat in deze instelling sprake is van een algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling. De rechtbank beschikt ook ambtshalve niet over dergelijke gegevens.
Uit voornoemde informatie van 30 maart 2026 volgt eveneens dat ten aanzien van de plaatsing in Rijeka Prison een voorbehoud wordt gemaakt voor uitzonderlijke situaties, waardoor overplaatsing naar een andere gevangenis ook mogelijk wordt, bijvoorbeeld als gevolg van overbevolking. Overplaatsing naar de Zagreb Remand Prison is hierbij niet uitgesloten. De rechtbank wijst hierbij op het feit dat de – hiervoor vermelde – expliciete vraag van het IRC hierover (vraag 2) door de uitvaardigende justitiële autoriteit niet is beantwoord. Het vastgestelde algemene reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in de Zagreb Remand Prison is daarom (nog) niet weggenomen voor de opgeëiste persoon. Dit leidt ertoe dat het onderzoek zal worden heropend en geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de volgende vraag voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
- Kan worden uitgesloten dat de opgeëiste persoon wordt overgeplaatst naar de Zagreb Remand Prison wanneer plaatsing in de Rijeka Prison niet (meer) mogelijk is vanwege de in de brief van 30 maart 2026 genoemde uitzonderlijke omstandigheden zoals overbevolking?
Nu de beslistermijn verloopt op 4 juni 2026, zal de rechtbank ingevolge artikel 22, vijfde lid, OLW de beslistermijn met 30 dagen verlengen, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
6Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de uitvaardigende justitiële autoriteit nader te bevragen zoals hiervoor in rubriek 5 is overwogen;
VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen (eindigend op 4 juli 2026), onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
BEPAALT dat de zaak uiterlijk op 18 juni 2026, opnieuw op zitting wordt aangebracht.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsvrouw.
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Kroatische taal tegen de voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. L. Baroud en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 2 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
ECLI:NL:RBAMS:2023:8493.
De raadsvrouw heeft verwezen naar een uitspraak van 19 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:6473.
De officier van justitie heeft verwezen naar een uitspraak van 13 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3583, en de zaak met parketnummer 13-292625-23.
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-070471-26
Datum uitspraak: 2 juni 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 24 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 19 november 2025 door de Gemeentelijke Rechtbank te Rijeka, Kroatië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (voormalig Joegoslavië) op [geboortedag] 1975,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 7 mei 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 7 mei 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie, en de raadsvrouw van de opgeëiste persoon, mr. L.C. Cox, advocaat in Amersfoort. De opgeëiste persoon is niet verschenen.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen zonder deze (opnieuw) te schorsen. Het onderzoek is geschorst tot de zitting van 19 mei 2026.
Zitting 19 mei 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw,
mr. L.C. Cox, en door een tolk in de Kroatische taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Kroatische nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een beslissing van het Provinciale Gerechtshof te Rijeka van 11 oktober 2013, met kenmerk Kir-616/2013, betreffende het opleggen van voorlopige hechtenis. Daarnaast vermeldt het EAB een bevel van de Gemeentelijke Rechtbank te Rijeka van 17 juli 2025, met kenmerk K-832/2013, voor de uitvaardiging van een opsporingsbevel.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Kroatisch recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
medeplegen van computervredebreuk
medeplegen van oplichting
5Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden Kroatië
Inleiding
De rechtbank heeft bij uitspraak van 27 december 2023 op basis van het rapport van
23 november 2023 van The European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (hierna: CPT) aangenomen dat er sprake is van een algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in de Zagreb Remand Prison.
Op 24 maart 2026 heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) daarom onder meer de volgende vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
1. In which prison in Croatia will [opgeëiste persoon] most probably be detained, should his surrender be authorized?
2. Whether it can be guaranteed that [opgeëiste persoon] will not be placed in Zagreb Remand Prison.
Op 30 maart 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit hierop als volgt geantwoord:
“further to your request contained in your letter dated 24 March 2026, and with regard to the defendant [opgeëiste persoon] (born on [geboortedag] 1975 in [geboorteplaats], Croatia), in respect of whom this Court, in case no. K-832/2013, has issued a European Arrest Warrant, we hereby inform you that the pretrial detention will be carried out at the Rijeka Prison, Žrtava fašizma 5 street.
Exceptionally, in certain extraordinary circumstances (for security reasons or due to prison overcrowding), it is possible to transfer a detainee to another prison subject to the approval of the competent judge. The specific prison to which the detainee would be transferred in such cases depends on the particular circumstances and the capacities of the prison system.”
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft de rechtbank primair verzocht geen gevolg te geven aan het EAB en de officier van justitie niet- ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om de behandeling aan te houden en Kroatië in de gelegenheid te stellen om aanvullende informatie te verstrekken.
De raadsvrouw heeft hierbij – kort samengevat – gewezen op het feit dat op basis van de verstrekte informatie niet kan worden uitgesloten dat de opgeëiste persoon in de Zagreb Remand Prison wordt geplaatst. Uit rechtspraak van de rechtbank Amsterdam volgt dat hierover wel duidelijkheid moet bestaan zodat expliciet en ondubbelzinnig gegarandeerd is dat de opgeëiste persoon niet in Zagreb zal worden geplaatst. In het voorbehoud dat in de aanvullende informatie van 30 maart 2026 wordt gemaakt, wordt verwezen naar uitzonderlijke omstandigheden zoals veiligheidsredenen of overbevolking. Uit het CPT-rapport van november 2023 blijkt dat het Kroatische gevangeniswezen echter structureel kampt met overbevolking, met name in de huizen van bewaring. De bezettingsgraad ligt daar ruim boven de 130%. Overbevolking is daarmee geen uitzonderlijke omstandigheid, maar de status quo binnen het systeem. Dit relativeert de door Kroatië genoemde “uitzonderingsgrond” voor overplaatsing aanzienlijk. Tegen deze achtergrond is het zeer reëel dat de opgeëiste persoon in een andere penitentiaire inrichting wordt geplaatst dan in Rijeka, waarbij ook de Zagreb Remand Prison niet is uitgesloten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon is weggenomen met de verstrekte aanvullende informatie van 30 maart 2026. Artikel 11 OLW staat dus niet aan overlevering in de weg. Subsidiair is de officier van justitie bereid om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. De officier van justitie heeft erop gewezen dat de rechtbank uitsluitend de gevangenis moet onderzoeken waar iemand naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd, dus enkel de omstandigheden in Rijeka. Uit rechtspraak van de rechtbank volgt dat het niet nodig is dat de gevangenis in Zagreb expliciet wordt uitgesloten.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat uit de verstrekte informatie van 30 maart 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon gedurende het voorarrest zal worden geplaatst in de Rijeka Prison. De rechtbank overweegt daarbij allereerst dat ten aanzien van de Rijeka Prison geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens zijn overgelegd waaruit volgt dat in deze instelling sprake is van een algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling. De rechtbank beschikt ook ambtshalve niet over dergelijke gegevens.
Uit voornoemde informatie van 30 maart 2026 volgt eveneens dat ten aanzien van de plaatsing in Rijeka Prison een voorbehoud wordt gemaakt voor uitzonderlijke situaties, waardoor overplaatsing naar een andere gevangenis ook mogelijk wordt, bijvoorbeeld als gevolg van overbevolking. Overplaatsing naar de Zagreb Remand Prison is hierbij niet uitgesloten. De rechtbank wijst hierbij op het feit dat de – hiervoor vermelde – expliciete vraag van het IRC hierover (vraag 2) door de uitvaardigende justitiële autoriteit niet is beantwoord. Het vastgestelde algemene reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in de Zagreb Remand Prison is daarom (nog) niet weggenomen voor de opgeëiste persoon. Dit leidt ertoe dat het onderzoek zal worden heropend en geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de volgende vraag voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
- Kan worden uitgesloten dat de opgeëiste persoon wordt overgeplaatst naar de Zagreb Remand Prison wanneer plaatsing in de Rijeka Prison niet (meer) mogelijk is vanwege de in de brief van 30 maart 2026 genoemde uitzonderlijke omstandigheden zoals overbevolking?
Nu de beslistermijn verloopt op 4 juni 2026, zal de rechtbank ingevolge artikel 22, vijfde lid, OLW de beslistermijn met 30 dagen verlengen, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
6Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de uitvaardigende justitiële autoriteit nader te bevragen zoals hiervoor in rubriek 5 is overwogen;
VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen (eindigend op 4 juli 2026), onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
BEPAALT dat de zaak uiterlijk op 18 juni 2026, opnieuw op zitting wordt aangebracht.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsvrouw.
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Kroatische taal tegen de voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. L. Baroud en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 2 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
ECLI:NL:RBAMS:2023:8493.
De raadsvrouw heeft verwezen naar een uitspraak van 19 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:6473.
De officier van justitie heeft verwezen naar een uitspraak van 13 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3583, en de zaak met parketnummer 13-292625-23.