Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:5540

2026-06-03 Strafrecht; Europees strafrecht 13/077733-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-06-03
Publicatiedatum
2026-06-03
Rechtsgebied
Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure
Eerste en enige aanleg
Zaaknummer
13/077733-26
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

EAB Roemenië; verweren m.b.t. artikel 12 OLW, de detentieomstandigheden en evenredigheid verworpen; overlevering toegestaan.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.943 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER



Parketnummer: 13/077733-26




Datum uitspraak: 3 juni 2026







UITSPRAAK





op de vordering van 30 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 18 maart 2024 door the Campina Court of First Instance, Roemenië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:





[de opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1986 in [geboorteplaats] (Roemenië),
feitelijk verblijfadres:

[adres] ,



hierna ‘de opgeëiste persoon’.






1Procesgang


De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 mei 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. J.P.W. Temminck Tuinstra, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Roemeense taal.



De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.



Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.








2Identiteit van de opgeëiste persoon


Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.





3Grondslag en inhoud van het EAB


Het EAB vermeldt een criminal sentence no. 84 dated 16.02.2024 delivered by Campina Court of First Instance declared final as at 06.03.2024 by non-appeal. Reference: 5341/204/2023.



De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en vier maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.



Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.



3.1

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW




Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat weliswaar in het EAB staat dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard, maar dat dit niet juist kan zijn, omdat hij op dat moment in het buitenland gedetineerd zat. Dit was ook nog zo ten tijde van de zitting. Ook zou de opgeëiste persoon een kopie van het vonnis hebben ontvangen en zich uitdrukkelijk niet tegen het oordeel hebben verzet. Dit is ook onjuist. De opgeëiste persoon wilde hoger beroep instellen en heeft een advocaat gemachtigd en betaald om dat te doen. Dit is echter niet gebeurd. Hij is dus niet effectief bijgestaan door een advocaat. De opgeëiste persoon heeft dus zijn verdedigingsrechten niet genoegzaam kunnen uitoefenen. Primair moet de overlevering daarom worden geweigerd. Subsidiair dient de zaak te worden aangehouden om nadere vragen te stellen en om een verzetgarantie op te vragen.




Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de omstandigheid van artikel 12, sub a, OLW zich voordoet, waardoor de weigeringsgrond niet van toepassing is.




Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat zich de omstandigheid van artikel 12, sub a, OLW heeft voorgedaan. Uit het EAB volgt dat de opgeëiste persoon op 12 oktober 2023 in persoon is gedagvaard, waarbij hij is geïnformeerd over de datum en plaats van de zitting en dat ook in zijn afwezigheid een beslissing kan worden genomen. Hetgeen de raadsvrouw hierover heeft aangevoerd is onvoldoende om aan deze informatie te twijfelen. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.






4Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist


De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.



De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.



Het feit levert naar Nederlands recht op:




diefstal.






5Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden



Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de detentiegarantie niet afdoende is. Het is zorgelijk dat de verwarming al bij 10 graden wordt uitgezet in de detentie-instelling. Hierdoor kan niet de in de detentiegarantie gestelde 19 graden worden gewaarborgd. Daarnaast is ook niet gespecifieerd waar de drie maaltijden per dag uit bestaan en hoeveel dit is. Ook is niet voldaan aan de standaard van het CPT van 4 m2 persoonlijke levensruimte. Primair moet dit tot weigering van het verzoek tot overlevering leiden. Subsidiair dient de zaak te worden aangehouden om hierover nadere vragen te stellen.




Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentiegarantie het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon wegneemt.




Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat uit de algemene detentieomstandigheden in Roemenië een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest van de grondrechten van de EU (Handvest) voortvloeit voor personen die in een Roemeense penitentiaire instelling worden gedetineerd, met name vanwege de overbevolking in de penitentiaire instellingen.



Bij brief van 24 april 2025 (de rechtbank begrijpt 24 april 2026) is namens the penitentiary chief police commissioner, Geo Bogdan BURCU, General Director of the National Penitentiary Administration, de volgende garantie gegeven:




(…) concerning the conditions for detention that wille be provided to

[de opgeëiste persoon]

(born on [geboortedag] .1986, domiciled in Prahova county (…))





(…)


If the person deprived from freedom is surrendered to the Romanian Authorities on Henri Coanda Airport of Bucharest, he would be initially be held in Bucharest – Rahova Penitentiary, fort the quarantine period of 21 days, in a room providing him with a minimum space of 3 square meters.





(…)





Taking into account the length of the sentence, most likely he would initially serve the custodial sentence under a semi-open regime. At the same time, given his domicile, most likely, for the beginning, he will execute the sentence in Ploiesti Penitentiary.





(…) the National Administration of Penitentiaries guarantees throughout the execution of the sentence, including bed and furniture, without the bathroom area, this one will benefit from a minimum individual space, as follows:


- 3 sqm during the quarantine and observation period;


(…)


- 3 square meters if the sentence is served in a semi-open regime.




Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op de op 24 april 2026 afgegeven garantie, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest. Het algemene gevaar, dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in Roemeense penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, wordt door de garantie immers uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon. Dit algemene gevaar ziet enkel op de hoeveelheid vierkante meters persoonlijke ruimte exclusief sanitair waarover de opgeëiste persoon kan beschikken. Nu er ten minste 3 m2 persoonlijke ruimte is gegarandeerd en er verder geen slechte materiële detentieomstandigheden zijn, is het algemene gevaar weggenomen volgens het geldende criterium uit het arrest Dorobantu. Het door de rechtbank aangenomen algemeen gevaar ziet niet op de temperatuur in Roemeense detentie-instellingen of de maaltijden die daar worden geserveerd. De raadsvrouw heeft ook geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit moet volgen dat het algemene gevaar ook hierop moet zien. Het verweer wordt verworpen. De detentieomstandigheden vormen geen beletsel voor de overlevering.





6Evenredigheid



Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het uitvaardigen van het EAB niet proportioneel is en dat er andere alternatieven beschikbaar waren. Zo had gebruik kunnen worden gemaakt van de mogelijkheden uit Kaderbesluit 2008/909/JBZ en Kaderbesluit 2008/947/JBZ. Het is opportuun om de opgeëiste persoon zijn straf in Nederland te laten uitzitten, omdat hij zijn leven nu in Nederland heeft opgebouwd.






Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het uitvaardigen van het EAB evenredig is gelet op de hoogte van de aan de opgeëiste persoon opgelegde straf en dat de door de raadsvrouw genoemde Kaderbesluiten niet van toepassing zijn op de situatie van de opgeëiste persoon.




Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt in lijn met eerdere uitspraken van deze rechtbank dat voor de vraag of sprake is van (on)evenredigheid van de overlevering een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de zogenoemde stelselevenredigheid van de OLW en de evenredigheid in een concreet geval. Het stelsel van de OLW is, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit, gebaseerd op het uitgangspunt dat het gebruik van de bevoegdheden tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken.



Dat neemt niet weg dat overlevering in een concreet individueel geval onder omstandigheden onevenredig bezwarend kan zijn voor de opgeëiste persoon. Gelet op de stelselevenredigheid kan een beroep op de onevenredigheid van een EAB echter slechts onder bijzondere omstandigheden slagen. Hoewel de rechtbank oog heeft voor de persoonlijke belangen van de opgeëiste persoon, is naar het oordeel van de rechtbank van zulke bijzondere omstandigheden in het geval van de opgeëiste persoon niet gebleken. Kaderbesluit 2008/909/JBZ is niet van toepassing op de situatie van de opgeëiste persoon, omdat hij niet heeft aangetoond dat hij vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft (gehad). Evenmin is Kaderbesluit 2008/947/JBZ van toepassing, omdat aan de opgeëiste persoon in Roemenië geen voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd, waarvan de voorwaarden verbonden aan de proeftijd aan Nederland zou kunnen worden overgedragen. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsvrouw.





7Slotsom


De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.





8Toepasselijke wetsbepalingen


De artikelen 310 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.





9Beslissing



STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Campina Court of First Instance (Roemenië) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.




Deze uitspraak is gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. C.W. van der Hoek en E.H. Wisgerhof, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 juni 2026.




































Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.




Zie artikel 23 OLW.


Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.


Zie onderdeel e) van het EAB.


Zie onder andere: rechtbank Amsterdam, 2 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2629 en rechtbank Amsterdam, 27 januari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:463.


HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.


HvJ EU van 15 oktober 2019, ECLI:EU:C:2019:857