Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:5538
2026-06-03
Strafrecht; Europees strafrecht
13-084971-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
EAB Polen; het verweer m.b.t. de detentieomstandigheden verworpen; overlevering toegestaan
Citeert (10)
- ECLI:NL:RBAMS:2021:420 Rechtbank Amsterdam 10-02-2021
- ECLI:NL:RBAMS:2022:1793 Rechtbank Amsterdam 06-04-2022
- ECLI:NL:RBAMS:2022:1794 Rechtbank Amsterdam 06-04-2022
- ECLI:EU:C:2022:100
- ECLI:NL:RBAMS:2024:3257 Rechtbank Amsterdam 05-06-2024
- ECLI:NL:RBAMS:2026:3301 Rechtbank Amsterdam 02-04-2026
- ECLI:NL:RBAMS:2025:10542 Rechtbank Amsterdam 24-12-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:9431 Rechtbank Amsterdam 03-12-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:8947 Rechtbank Amsterdam 18-11-2025
- ECLI:EU:C:2018:589
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.126 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-084971-26
Datum uitspraak: 3 juni 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 3 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 24 februari 2026 door the District Court of Legnica – III Criminal Department, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1983 in [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieadres] .
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 mei 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. E. Boskma, advocaat in Alkmaar en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt de volgende beslissingen:
ruling of the District Court of Legnica of 27th November 2020 on application of preventive measures in form of a pre-trial detention for a period of 3 months since the day of detention in case II K 142/19;
ruling of the District Court of Legnica of 18th October 2021 in case II K 142/19 on institution of seeking by wanted notice.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid
4.1
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit onder I aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
4.2
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit onder II niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op dit feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
5. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
6Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden
Inleiding
In eerdere uitspraken heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Polen terechtkomen. Het kernpunt hierbij is dat slechts 3 m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal 23 uren per dag op zijn cel doorbrengt.
De vaststelling van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten voor gedetineerden die terecht komen in het remand regime, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden.
Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het remand regime in Polen waar hij zal worden gedetineerd.
In het kader van dit onderzoek heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) op 24 maart 2026 de volgende vragen gesteld aan de Poolse autoriteiten:
1. In which remand prison will [de opgeëiste persoon] most likely be detained after his surrender?
2. How much m2 personal space (excluding sanitary facilities) will [de opgeëiste persoon] have in a multi-occupancy cell? In case [de opgeëiste persoon] will be provided with an amount of personal space between 3 and 4 square meters (excluding sanitary facilities) in a multi-occupancy cell, could you please answer the following question(s):
3. Can you guarantee that the wanted person will be able to spend at least two hours per day outside of his cell?
4. If not, how many hours per day on average would [de opgeëiste persoon] , under normal circumstances, be able to spend outside his cell at a minimum if he took advantage of all opportunities offered to him to leave his cell?
The Court requests information on:
- Which activities the wanted person can participate in;
- The areas the wanted person can access daily (such as sport facilities, the library,
common rooms, etc.);
- The frequency of such activities and how much time the wanted person can access
the common areas outside of the cell;
- Whether the permission to participate in activities or access to common areas
is dependent on certain conditions or procedural rules and, if that is the case,
which conditions or procedural rules; and/or
- Any other provisions or measures by which the Court can decide that the general
risk of ill-treatment has been discounted.
Op 31 maart 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit als volgt geantwoord:
(…) if the case may be that requested person will be detained in the Remand Prison in Wroclaw, the requested person should be guaranteed to have no less than 3m2 in a residential cell for himself, as to other questions referring to the time spent outside his cell and activities, with this regard everything depends on it if the person wants to take part in such activities, i.e if he wants to work, if he wants to participate in learning classes, or if he wants to participate in cultural-educational, sports activities and additional social-rehabilitation programs. Provisions of the executive penal procedure do not indicate an exact time for lasting such activities, but only stipulate that a prisoner is entitled to at least one hour of walking a day and 8 hours of night sleeping. (…)
Vervolgens heeft het IRC op 1 april 2026 de volgende vragen gesteld:
1. Could you please specify how much time, under normal circumstances, is spent on each activity?
2. If, theoretically, [de opgeëiste persoon] chooses to participate in all activities offered to him, will he be able to spend at least two hours (including the one-hour stroll each day) a day outside his cell?
Op 11 mei heeft de Vice-Director of the Penal Institution of Wrocław als volgt geantwoord:
(…) please be informed that when staying in the Penal Institution of Wrocław a person temporary arrested is provided a possibility of participating in education – cultural activities and religious services. Additionally, in the living ward, he may participate in activities held in a common room and a library (according to the schedule). Apart from the above activities, a person temporary arrested is provided a possibility of having one hour of walking per day and a bath twice a week. Pursuant to art. 110 §2 of the Executive penal code a living cell area per one prisoner is not lower than 3m2.
Pursuant to applicable regulations, a person temporary arrested is provided a possibility of performing cleaning works on the premises of the penal institution and has got a right to be employed. Theoretically, a person temporary arrested who gives his consent to participate in all offered activities and to perform cleaning works or to be employed may stay outside the living cell two hours or more per day.
(…)
Op 12 mei heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit (onder meer) als volgt geantwoord:
Supplementing the letter of 31st March, this District Court (…) explains that the earlier information referred to the minimum standards of the rights of a sentenced person. While other activities that this Court explained depend only and solely on willingness to undertake such activities by a sentenced person.
(…)
With reference to the earlier letters it should be stressed that [de opgeëiste persoon] (…) will be remanded in custody in the Penal Institution of Wroclaw.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de Poolse autoriteiten verstrekte informatie onvoldoende is om voor de opgeëiste persoon het algemeen gevaar van schending van zijn grondrechten vanwege de detentieomstandigheden weg te nemen. Er is geen duidelijke garantie verstrekt, waaruit volgt dat de opgeëiste persoon minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Het overleveringsverzoek moet daarom worden afgewezen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de informatie van de Poolse autoriteiten voldoende is om het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen en dat de detentieomstandigheden daarom niet in de weg staan aan overlevering. De officier van justitie heeft ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar eerdere uitspraken van deze rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op de toezeggingen van de Poolse autoriteiten, van oordeel dat voor de opgeëiste persoon in het remand regime, waar hij na overlevering in zal worden geplaatst, geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest. De rechtbank stelt vast dat uit de aanvullende informatie van 31 maart 2026, 11 mei en 12 mei 2026 volgt dat de opgeëiste persoon een persoonlijke leefruimte van minimaal 3 m2 exclusief sanitair ter beschikking zal krijgen. Desgevraagd heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit bevestigd dat de opgeëiste persoon, als hij ervoor kiest om aan alle aangeboden activiteiten deel te nemen en arbeid te verrichten, ten minste zo’n twee uur per dag buiten zijn cel kan doorbrengen. Deelname aan activiteiten en arbeid is alleen afhankelijk van de wil van de opgeëiste persoon. Deze geboden garantie is voldoende om voor de opgeëiste persoon het algemene gevaar, dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in het remand regime in Poolse penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, weg te nemen.
7Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 9 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 Overleveringswet.
9Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the District Court of Legnica – III Criminal Department (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. C.W. van der Hoek en E.H. Wisgerhof, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 OLW.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).
Zie onder meer: Rb. Amsterdam, 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3257.
ECLI:NL:RBAMS:2026:3301, ECLI:NL:RBAMS:2025:10542, ECLI:NL:RBAMS:2025:9431 en ECLI:NL:RBAMS:2025:8947.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-084971-26
Datum uitspraak: 3 juni 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 3 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 24 februari 2026 door the District Court of Legnica – III Criminal Department, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1983 in [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieadres] .
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 mei 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. E. Boskma, advocaat in Alkmaar en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt de volgende beslissingen:
ruling of the District Court of Legnica of 27th November 2020 on application of preventive measures in form of a pre-trial detention for a period of 3 months since the day of detention in case II K 142/19;
ruling of the District Court of Legnica of 18th October 2021 in case II K 142/19 on institution of seeking by wanted notice.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid
4.1
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit onder I aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
4.2
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit onder II niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op dit feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
5. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
6Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden
Inleiding
In eerdere uitspraken heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Polen terechtkomen. Het kernpunt hierbij is dat slechts 3 m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal 23 uren per dag op zijn cel doorbrengt.
De vaststelling van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten voor gedetineerden die terecht komen in het remand regime, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden.
Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het remand regime in Polen waar hij zal worden gedetineerd.
In het kader van dit onderzoek heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) op 24 maart 2026 de volgende vragen gesteld aan de Poolse autoriteiten:
1. In which remand prison will [de opgeëiste persoon] most likely be detained after his surrender?
2. How much m2 personal space (excluding sanitary facilities) will [de opgeëiste persoon] have in a multi-occupancy cell? In case [de opgeëiste persoon] will be provided with an amount of personal space between 3 and 4 square meters (excluding sanitary facilities) in a multi-occupancy cell, could you please answer the following question(s):
3. Can you guarantee that the wanted person will be able to spend at least two hours per day outside of his cell?
4. If not, how many hours per day on average would [de opgeëiste persoon] , under normal circumstances, be able to spend outside his cell at a minimum if he took advantage of all opportunities offered to him to leave his cell?
The Court requests information on:
- Which activities the wanted person can participate in;
- The areas the wanted person can access daily (such as sport facilities, the library,
common rooms, etc.);
- The frequency of such activities and how much time the wanted person can access
the common areas outside of the cell;
- Whether the permission to participate in activities or access to common areas
is dependent on certain conditions or procedural rules and, if that is the case,
which conditions or procedural rules; and/or
- Any other provisions or measures by which the Court can decide that the general
risk of ill-treatment has been discounted.
Op 31 maart 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit als volgt geantwoord:
(…) if the case may be that requested person will be detained in the Remand Prison in Wroclaw, the requested person should be guaranteed to have no less than 3m2 in a residential cell for himself, as to other questions referring to the time spent outside his cell and activities, with this regard everything depends on it if the person wants to take part in such activities, i.e if he wants to work, if he wants to participate in learning classes, or if he wants to participate in cultural-educational, sports activities and additional social-rehabilitation programs. Provisions of the executive penal procedure do not indicate an exact time for lasting such activities, but only stipulate that a prisoner is entitled to at least one hour of walking a day and 8 hours of night sleeping. (…)
Vervolgens heeft het IRC op 1 april 2026 de volgende vragen gesteld:
1. Could you please specify how much time, under normal circumstances, is spent on each activity?
2. If, theoretically, [de opgeëiste persoon] chooses to participate in all activities offered to him, will he be able to spend at least two hours (including the one-hour stroll each day) a day outside his cell?
Op 11 mei heeft de Vice-Director of the Penal Institution of Wrocław als volgt geantwoord:
(…) please be informed that when staying in the Penal Institution of Wrocław a person temporary arrested is provided a possibility of participating in education – cultural activities and religious services. Additionally, in the living ward, he may participate in activities held in a common room and a library (according to the schedule). Apart from the above activities, a person temporary arrested is provided a possibility of having one hour of walking per day and a bath twice a week. Pursuant to art. 110 §2 of the Executive penal code a living cell area per one prisoner is not lower than 3m2.
Pursuant to applicable regulations, a person temporary arrested is provided a possibility of performing cleaning works on the premises of the penal institution and has got a right to be employed. Theoretically, a person temporary arrested who gives his consent to participate in all offered activities and to perform cleaning works or to be employed may stay outside the living cell two hours or more per day.
(…)
Op 12 mei heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit (onder meer) als volgt geantwoord:
Supplementing the letter of 31st March, this District Court (…) explains that the earlier information referred to the minimum standards of the rights of a sentenced person. While other activities that this Court explained depend only and solely on willingness to undertake such activities by a sentenced person.
(…)
With reference to the earlier letters it should be stressed that [de opgeëiste persoon] (…) will be remanded in custody in the Penal Institution of Wroclaw.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de Poolse autoriteiten verstrekte informatie onvoldoende is om voor de opgeëiste persoon het algemeen gevaar van schending van zijn grondrechten vanwege de detentieomstandigheden weg te nemen. Er is geen duidelijke garantie verstrekt, waaruit volgt dat de opgeëiste persoon minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Het overleveringsverzoek moet daarom worden afgewezen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de informatie van de Poolse autoriteiten voldoende is om het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen en dat de detentieomstandigheden daarom niet in de weg staan aan overlevering. De officier van justitie heeft ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar eerdere uitspraken van deze rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op de toezeggingen van de Poolse autoriteiten, van oordeel dat voor de opgeëiste persoon in het remand regime, waar hij na overlevering in zal worden geplaatst, geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest. De rechtbank stelt vast dat uit de aanvullende informatie van 31 maart 2026, 11 mei en 12 mei 2026 volgt dat de opgeëiste persoon een persoonlijke leefruimte van minimaal 3 m2 exclusief sanitair ter beschikking zal krijgen. Desgevraagd heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit bevestigd dat de opgeëiste persoon, als hij ervoor kiest om aan alle aangeboden activiteiten deel te nemen en arbeid te verrichten, ten minste zo’n twee uur per dag buiten zijn cel kan doorbrengen. Deelname aan activiteiten en arbeid is alleen afhankelijk van de wil van de opgeëiste persoon. Deze geboden garantie is voldoende om voor de opgeëiste persoon het algemene gevaar, dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in het remand regime in Poolse penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, weg te nemen.
7Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 9 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 Overleveringswet.
9Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the District Court of Legnica – III Criminal Department (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. C.W. van der Hoek en E.H. Wisgerhof, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 OLW.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).
Zie onder meer: Rb. Amsterdam, 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3257.
ECLI:NL:RBAMS:2026:3301, ECLI:NL:RBAMS:2025:10542, ECLI:NL:RBAMS:2025:9431 en ECLI:NL:RBAMS:2025:8947.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.