Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:5535

2026-06-03 Strafrecht; Europees strafrecht 13/305662-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-06-03
Publicatiedatum
2026-06-03
Rechtsgebied
Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure
Beschikking
Zaaknummer
13/305662-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

klaagschrift ex artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a Sv; termijnoverschrijding indiening van het klaagschrift verschoonbaar, omdat in de kennisgeving geen termijn voor het indienen van het klaagschrift is genoemd; klaagschrift ongegrond

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.562 tekens)
Rechtbank Amsterdam
Internationale Rechtshulpkamer



Parketnummer: 13/305662-25
RK nummer: 26/009522



Datum beschikking: 3 juni 2026



op het klaagschrift op grond van artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:





[klaagster],

wonend op het adres:

[adres]

,



Hierna: klaagster.





1Procesgang


Het klaagschrift dateert van 22 maart 2026 en is op 31 maart 2026 ontvangen door de griffie van deze rechtbank.



De rechtbank heeft op 20 mei 2026 het klaagschrift behandeld en klaagster en de officier van justitie, mr. G.M. Kolman, in openbare raadkamer gehoord.





2Feiten en omstandigheden


De Belgische autoriteiten hebben door middel van een Europees onderzoeksbevel (EOB) verzocht om inbeslagneming van gegevensdragers, in verband met een strafrechtelijk onderzoek tegen de zoon van klaagster ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals omschreven in het EOB.



Op 9 november 2025 zijn ter uitvoering van het EOB – op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) – de volgende voorwerpen in beslag genomen onder klaagster:
- een PlayStation bijbehorende één joystick;- een tablet,- een USB-stick;- een computer.








3Inhoud klaagschrift en standpunt klaagster


Het klaagschrift strekt tot teruggave van de in beslag genomen goederen. Klaagster heeft op de zitting herhaald dat zij graag de in beslag genomen goederen terug wil hebben. Het is al een tijd geleden dat de spullen in beslag zijn genomen. Haar zoon is overgeleverd geweest aan België en is inmiddels ook weer vrij op borgtocht. De Belgische strafzaak loopt nog.






4Standpunt van het Openbaar Ministerie


De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat klaagster niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat het klaagschrift niet binnen twee weken na de kennisgeving van de beslissing heeft ingediend, zoals voorgeschreven in artikel 5.4.10 Sv. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard, omdat het belang van de Belgische autoriteiten om de in beslag genomen goederen te onderzoeken en de in beslag genomen goederen mogelijk als bewijs te kunnen gebruiken in een lopende Belgische strafzaak zwaarder weegt dan het belang van klaagster om de goederen terug te krijgen.





5Het oordeel van de rechtbank



Toetsingskader




Het systeem van het EOB is gestoeld op het beginsel van wederzijdse erkenning. Dat brengt met zich dat de ruimte om af te zien van erkenning en tenuitvoerlegging van een EOB beperkt is.



In (onder meer) zijn arrest van 21 december 2021 heeft de Hoge Raad het toetsingskader in beklagzaken op grond van artikel 5.4.10 Sv in verbinding met artikel 552a Sv uiteengezet.



Bij de behandeling van een klaagschrift waar het hier om gaat wordt geen onderzoek gedaan naar de gronden voor het uitvaardigen van het EOB. De rechtbank toetst evenmin de proportionaliteit van de inbeslagneming en de daarop volgende overdracht van voorwerpen .



De rechtbank moet wel beoordelen of zich – gelet op de artikelen 5.4.3, 5.4.4 en 5.4.6 Sv – een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB. Daarnaast kan, indien aan de orde, zij ook beoordelen of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EOB, rechtmatig is toegepast. Die beoordeling is overigens beperkt tot een onderzoek naar de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen. Verder moet de rechtbank beoordelen of de in beslag genomen voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en die de uitvaardigende autoriteit met dat bevel wil verkrijgen.



Bij de beoordeling van een klaagschrift dat betrekking heeft op inbeslagneming op grond van een EOB is ten slotte niet de vraag aan de orde of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Aan het systeem van het EOB ligt namelijk ten grondslag dat met de uitvaardiging van een EOB het belang van strafvordering in de uitvaardigende staat wordt verondersteld aanwezig te zijn.



Voor zover de ter uitvoering van het EOB inbeslaggenomen voorwerpen gegevensdragers betreffen, is nog van belang dat deze gegevensdragers worden overgedragen aan de uitvaardigende autoriteit. Dat is slechts anders als uit de inhoud van het EOB blijkt of door de uitvaardigende autoriteit is aangegeven dat de overdracht van een kopie volstaat. Daarnaast is het niet aan de rechter die over het klaagschrift oordeelt, om te bepalen dat kopieën van de op inbeslaggenomen gegevensdragers opgeslagen gegevens aan klager ter beschikking worden gesteld.




Oordeel van de rechtbank




In het licht van het hiervoor geschetste toetsingskader overweegt de rechtbank als volgt.



De rechtbank is van oordeel dat klaagster ontvankelijk is in haar klaagschrift. Hoewel klaagster het klaagschrift niet binnen veertien dagen na de kennisgeving heeft ingediend, acht de rechtbank de termijnoverschrijding in dit geval verschoonbaar. Nu in de kennisgeving van 5 december 2025 geen termijn stond was het voor klaagster niet duidelijk dat zij conform artikel 5.4.10 Sv het klaagschrift binnen veertien dagen zou moeten indienen. In die kennisgeving is enkel verwezen naar de website www.rechtspraak.nl waar ten aanzien van beslag slechts wordt verwezen naar artikel 552a Sv. Klaagster is dus niet op de juiste wijze ingelicht over de in artikel 5.4.10, eerste lid, Sv bedoelde termijn van veertien dagen waarbinnen het klaagschrift moet worden ingediend. Dat betekent dat het rechtsgevolg van niet-ontvankelijkheid in dit geval achterwege blijft en dat klaagster ontvankelijk is in haar klaagschrift.



Aan de rechtbank komt in deze procedure slechts een marginale toets toe. De officier van justitie heeft gesteld dat het strafrechtelijk onderzoek in België nog loopt en dat de Belgische autoriteiten daarom belang hebben bij voortduring van het beslag. De rechtbank gaat uit van de juistheid van deze informatie van de officier van justitie. Hoewel op dit moment onbekend waar de goederen zich bevinden en of ze al zijn overgedragen, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval van een nog lopende strafzaak in België het belang van voortduring van de inbeslagneming zwaarder weegt dan het belang van klaagster om de goederen terug te krijgen. De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie ter zitting heeft aangeboden dat zij een verzoek zal doen aan de Belgische autoriteiten of zij het beslag zo spoedig mogelijk kunnen onderzoeken en daarna de in beslag genomen goederen kunnen teruggeven aan klaagster. De rechtbank gaat ervan uit dat de officier van justitie hierover op korte termijn contact zal opnemen met de Belgische autoriteiten en klaagster hierover op de hoogte houdt.



Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift ongegrond verklaren





6Beslissing


De rechtbank verklaart het beklag ONGEGROND.





Deze beslissing is op 3 juni 2026 gegeven en in het openbaar uitgesproken door:



mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. C.W. van der Hoek en E.H. Wisgerhof, griffiers.










































Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de beklager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing.




ECLI:NL:HR:2021:1940 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2021:1940).


HR 19 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:580.