Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:5526
2026-06-02
Strafrecht; Europees strafrecht
13-069687-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak in vervolgings-EAB uit Hongarije. Heropening en schorsing van het onderzoek om aanvullende vragen te stellen of sprake is van een nationaal aanhoudingsbevel dat voorafgaand aan het uitvaardigen van het EAB is uitgevaardigd. Hongaarse detentieomstandigheden: geen algemeen gevaar meer. Overlevering voor feiten, niet voor gedragingen.
Citeert (11)
- ECLI:EU:C:2016:385
- ECLI:EU:C:2022:558
- ECLI:NL:RBAMS:2010:BM6497 Rechtbank Amsterdam 21-05-2010
- ECLI:NL:RBAMS:2010:BM6498 Rechtbank Amsterdam 21-05-2010
- ECLI:NL:RBAMS:2011:BP2326 Rechtbank Amsterdam 21-01-2011
- ECLI:EU:C:2017:4
- ECLI:EU:C:2022:558
- ECLI:NL:RBAMS:2017:312 Rechtbank Amsterdam 17-01-2017
- ECLI:NL:RBAMS:2017:1578 Rechtbank Amsterdam 09-03-2017
- ECLI:NL:RBAMS:2026:135 Rechtbank Amsterdam 14-01-2026
- ECLI:NL:RBAMS:2026:135 Rechtbank Amsterdam 14-01-2026
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:RBAMS:2026:8213 Rechtbank Amsterdam 28-07-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (15.621 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-069687-26
Datum uitspraak: 2 juni 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 8 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 20 november 2025 door de Pest Central District Court, Hongarije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 19 mei 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E. Kolokatsi, advocaat in Amersfoort, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB – samenhang gelezen met het A-formulier – vermeldt een domestic arrest warrant van de Pest Central District Court van 28 november 2025, met referentienummer 10.B.20.971/2023/76-I.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Hongaars recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
3.1
Genoegzaamheid
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat navraag moet worden gedaan naar de datum van het nationaal arrestatiebevel (NAB) nu de datum van het NAB na de datum van het uitvaardigen van het EAB ligt. Uit het arrest Bob-Dogi (C-241/15, ECLI:EU:C:2016:385) volgt dat een apart nationaal arrestatiebevel vooraf moet gaan aan een EAB. Daarbij komt dat de kenmerknummers van het NAB en het EAB hetzelfde zijn, en ook de rechterlijke autoriteit dezelfde is.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van twee verschillende beslissingen, nu het NAB op 28 november 2025 is uitgevaardigd en het EAB op 20 november 2025. Op grond van artikel 2 OLW hoeft het EAB enkel het bestaan van een NAB te vermelden. Het NAB heeft een ander kenmerk omdat er een ‘I’ aan is toegevoegd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Indien sprake is van een onderzoek naar strafbare feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd (een zogeheten vervolgings-EAB) moet op grond van artikel 2, tweede lid onder c, OLW het onderliggende NAB (of een vergelijkbare beslissing) in het EAB zijn vermeld.
In het arrest Bob-Dogi heeft het Hof van Justitie overwogen dat aan een EAB een van het EAB te onderscheiden NAB ten grondslag moet liggen. Het NAB is een rechterlijke beslissing waarop het EAB is geënt (zie overweging 46). De uitvaardiging van het EAB vindt, ter waarborging van de rechterlijke bescherming op twee niveaus, plaats (in voorkomend geval kort) ná de uitvaardiging van het NAB (zie overweging 56). Bij gebrek aan een dergelijk voorafgaand nationaal aanhoudingsbevel dient de uitvoerende justitiële autoriteit hierover aanvullende informatie te vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit (overweging 65). Als de uitvoerende justitiële autoriteit aan de hand van die aanvullende informatie vaststelt dat er geen van het EAB te onderscheiden NAB is uitgevaardigd (naar de rechtbank begrijpt: voorafgaande aan de uitvaardiging van het EAB), dan moet geen gevolg worden gegeven aan het EAB, op de grond dat het EAB niet voldoet aan de vereisten van artikel 8, lid 1, Kaderbesluit (overweging 66).
Onderdeel B van het EAB maakt weliswaar melding van een NAB, maar blijkens het A-formulier is het NAB op 28 november 2025 uitgevaardigd, terwijl het EAB is uitgevaardigd op 20 november 2025. In dit geval wordt dus een NAB vermeld dat na het uitvaardigen van het EAB is afgegeven. Dit moet mogelijk tot de (uitzonderlijke) beslissing leiden om geen gevolg te geven aan het EAB. Alvorens daartoe over te gaan zal de rechtbank, op grond van artikel 15, tweede lid, Kaderbesluit (zie ook overweging 65 van voornoemd arrest) de uitvaardigende justitiële autoriteit in de gelegenheid stellen hierover aanvullende gegevens te verstrekken.
De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen, teneinde het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen de volgende vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
1. In onderdeel B van het EAB wordt verwezen naar een domestic arrest warrant van de Pest Central District Court, met referentienummer 10.B.20.971/2023/76-I, er staat echter geen datum van uitvaardiging vermeld. Uit het A-formulier volgt dat het nationaal aanhoudingbevel op 28 november 2025 is uitgevaardigd. Uit onderdeel K van het EAB volgt dat het EAB op 20 november 2025 is uitgevaardigd. Dit zou betekenen dat in het EAB melding wordt gemaakt van een ten tijde van de uitvaardiging van dat EAB nog niet uitgevaardigd NAB, omdat de datum daarvan later ligt dan het EAB. Kloppen de data van de uitvaardiging van het EAB en het NAB?
a. Zo nee, op welke data zijn het EAB en het NAB wel uitgevaardigd?
b. Zo ja, is op enig ander moment voorafgaand aan de uitvaardiging van het EAB sprake geweest van een (ander) nationaal aanhoudingsbevel? Zo ja, op welke datum is dat nationaal aanhoudingsbevel uitgevaardigd en door welke (rechterlijke) autoriteit?
De beslistermijn van 90 dagen verstrijkt op 4 juni 2026. Zoals is bepaald in artikel 22, vierde lid, OLW kan de rechtbank in uitzonderlijke gevallen de beslistermijn met telkens 60 dagen verlengen. De verplichting zoals die volgt uit overweging 65 van het arrest Bob-Dogi om in een situatie als de onderhavige de uitvaardigende justitiële autoriteit in de gelegenheid te stellen aanvullende gegevens te verstrekken overeenkomstig artikel 15, tweede lid, van het kaderbesluit leidt - omdat de beslistermijn twee dagen na de uitspraak verstrijkt - naar het oordeel van de rechtbank tot een uitzonderlijk geval als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW. De rechtbank verlengt daarom de beslistermijn met 60 dagen op grond van die bepaling, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
4Strafbaarheid
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de beschrijving van het eerste feit waarvoor de overlevering wordt verzocht niet in zijn geheel onder een Nederlandse strafbepaling kan worden gebracht, nu ‘public nuisance’ niet dubbel strafbaar is. De overlevering moet worden daarom geweigerd met betrekking tot dit onderdeel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich onder verwijzing naar jurisprudentie op het standpunt gesteld dat de beoordeling in het kader van de overleveringsprocedure zich richt op de dubbele strafbaarheid van gedragingen, en niet op de juridische kwalificatie die door de uitvaardigende justitiële autoriteit aan de gedraging is gegeven. Het gehele feitencomplex is in Nederland dubbel strafbaar als vernieling.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Bij de toetsing van de dubbele strafbaarheid is niet vereist dat de feitomschrijving onder een identieke Nederlandse strafbepaling valt of een identieke Nederlandse kwalificatie oplevert.
Voldoende is dat zij onder enige Nederlandse strafbepaling valt. Nagegaan moet worden of de feitelijke elementen die de oorsprong vormen van het strafbare feit, zoals die zijn weergegeven in het EAB, indien zij zouden hebben plaatsgevonden op Nederlands grondgebied, als zodanig ook op dat grondgebied strafrechtelijk hadden kunnen worden bestraft. De rechtbank beoordeelt de dubbele strafbaarheid dus niet aan de hand van de Hongaarse strafbaarstelling of de kwalificatie naar Hongaars recht, maar hoofdzakelijk aan de hand van de feitelijke omschrijving.
Op grond daarvan leveren de feiten naar Nederlands recht op:
vernieling;
diefstal, meermalen gepleegd.
5Artikel 11 OLW
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de Hongaarse autoriteiten moet worden gevraagd om de garantie te verstrekken dat de opgeëiste persoon na overlevering niet wordt geplaatst in de gevangenis in Tiszalök, gelet op het eerder door de rechtbank aangenomen algemeen gevaar van een vernederende of onmenselijke behandeling in die instelling. Gelet op de meldingen die door the Comittee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading treatment or Punishment (hierna: het CPT) zijn ontvangen tijdens de “follow up visit’ in de periode van 25 maart tot april 2025 is de dreiging van een schending van artikel 4 van het Handvest nog steeds reëel.
Standpunt van de officier van justitie
Onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank van 14 januari 2026 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat geen sprake meer is van een algemeen gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in detentie-instellingen in Hongarije. Artikel 11 OLW staat daarom niet aan overlevering in de weg.
Oordeel van de rechtbank
In de uitspraak van 14 januari 2026 heeft de rechtbank geoordeeld dat, gelet op het CPT-rapport van 16 december 2025, niet langer sprake is van (voldoende) objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens op grond waarvan een algemeen reëel gevaar kan worden aangenomen dat personen die in Tiszalök zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld in verband met de ill-treatment van gedetineerden door het gevangenispersoneel en het geweld tussen gedetineerden onderling. Het CPT-rapport van 16 december 2025 is het rapport waar door de raadsvrouw naar is verwezen. De rechtbank heeft in de genoemde uitspraak voorts overwogen dat blijkens dat rapport een risico bestaat op een terugval in Tiszalök en dat de Hongaarse regering daarom waakzaam moet blijven. Bij de vaststelling van een algemeen gevaar kan de rechtbank echter geen rekening houden met dit risico, nu het gaat om een onzekere toekomstige gebeurtenis. Bij de beoordeling van de detentieomstandigheden gaat het erom hoe de omstandigheden nu feitelijk zijn en uit het rapport van 16 december 2025 blijkt dat die omstandigheden inmiddels geen algemeen reëel gevaar van schending van de mensenrechten meer opleveren. Aanwijzingen dat het risico zich intussen (weer) heeft verwezenlijkt, ontbreken.
Nu geen sprake is van een algemeen gevaar komt de rechtbank niet toe aan de vraag of sprake is van een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon na zijn overlevering. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit nadere vragen te stellen ten aanzien van de detentieomstandigheden. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.
6Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de hiervoor onder 3.1. genoemde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit;
VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met zestig dagen, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW;
BEPAALT dat de vordering opnieuw op zitting moet worden gepland uiterlijk 2 weken voor het verstrijken van de verlengde beslistermijn (zijnde 3 augustus 2026);
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsvrouw;
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen voornoemd tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. L. Baroud en C.M.S. Loven rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en B.C.M. Burger griffiers.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 2 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
HvJ EU, 1 juni 2016, C-241/15 (EU:C:2016:385), Bob-Dogi.
HvJ EU 14 juli 2022, C-168/21, ECLI:EU:C:2022:558 (KL).
Zie bijv. Rb. Amsterdam 21 mei 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BM6497 en ECLI:NL:RBAMS:2010:BM6498 en Rb. Amsterdam 21 januari 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BP2326.
HvJ EU 11 januari 2017, C-289/15, ECLI:EU:C:2017:4 (Grundza); HvJ EU 14 juli 2022, C-168/21, ECLI:EU:C:2022:558 (Procureur général près la cour d'appel d'Angers), punt 36; Rb. Amsterdam 17 januari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:312; Rb. Amsterdam 9 maart 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:1578.
ECLI:NL:RBAMS:2026:135.
ECLI:NL:RBAMS:2026:135.
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-069687-26
Datum uitspraak: 2 juni 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 8 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 20 november 2025 door de Pest Central District Court, Hongarije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 19 mei 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E. Kolokatsi, advocaat in Amersfoort, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB – samenhang gelezen met het A-formulier – vermeldt een domestic arrest warrant van de Pest Central District Court van 28 november 2025, met referentienummer 10.B.20.971/2023/76-I.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Hongaars recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
3.1
Genoegzaamheid
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat navraag moet worden gedaan naar de datum van het nationaal arrestatiebevel (NAB) nu de datum van het NAB na de datum van het uitvaardigen van het EAB ligt. Uit het arrest Bob-Dogi (C-241/15, ECLI:EU:C:2016:385) volgt dat een apart nationaal arrestatiebevel vooraf moet gaan aan een EAB. Daarbij komt dat de kenmerknummers van het NAB en het EAB hetzelfde zijn, en ook de rechterlijke autoriteit dezelfde is.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van twee verschillende beslissingen, nu het NAB op 28 november 2025 is uitgevaardigd en het EAB op 20 november 2025. Op grond van artikel 2 OLW hoeft het EAB enkel het bestaan van een NAB te vermelden. Het NAB heeft een ander kenmerk omdat er een ‘I’ aan is toegevoegd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Indien sprake is van een onderzoek naar strafbare feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd (een zogeheten vervolgings-EAB) moet op grond van artikel 2, tweede lid onder c, OLW het onderliggende NAB (of een vergelijkbare beslissing) in het EAB zijn vermeld.
In het arrest Bob-Dogi heeft het Hof van Justitie overwogen dat aan een EAB een van het EAB te onderscheiden NAB ten grondslag moet liggen. Het NAB is een rechterlijke beslissing waarop het EAB is geënt (zie overweging 46). De uitvaardiging van het EAB vindt, ter waarborging van de rechterlijke bescherming op twee niveaus, plaats (in voorkomend geval kort) ná de uitvaardiging van het NAB (zie overweging 56). Bij gebrek aan een dergelijk voorafgaand nationaal aanhoudingsbevel dient de uitvoerende justitiële autoriteit hierover aanvullende informatie te vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit (overweging 65). Als de uitvoerende justitiële autoriteit aan de hand van die aanvullende informatie vaststelt dat er geen van het EAB te onderscheiden NAB is uitgevaardigd (naar de rechtbank begrijpt: voorafgaande aan de uitvaardiging van het EAB), dan moet geen gevolg worden gegeven aan het EAB, op de grond dat het EAB niet voldoet aan de vereisten van artikel 8, lid 1, Kaderbesluit (overweging 66).
Onderdeel B van het EAB maakt weliswaar melding van een NAB, maar blijkens het A-formulier is het NAB op 28 november 2025 uitgevaardigd, terwijl het EAB is uitgevaardigd op 20 november 2025. In dit geval wordt dus een NAB vermeld dat na het uitvaardigen van het EAB is afgegeven. Dit moet mogelijk tot de (uitzonderlijke) beslissing leiden om geen gevolg te geven aan het EAB. Alvorens daartoe over te gaan zal de rechtbank, op grond van artikel 15, tweede lid, Kaderbesluit (zie ook overweging 65 van voornoemd arrest) de uitvaardigende justitiële autoriteit in de gelegenheid stellen hierover aanvullende gegevens te verstrekken.
De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen, teneinde het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen de volgende vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
1. In onderdeel B van het EAB wordt verwezen naar een domestic arrest warrant van de Pest Central District Court, met referentienummer 10.B.20.971/2023/76-I, er staat echter geen datum van uitvaardiging vermeld. Uit het A-formulier volgt dat het nationaal aanhoudingbevel op 28 november 2025 is uitgevaardigd. Uit onderdeel K van het EAB volgt dat het EAB op 20 november 2025 is uitgevaardigd. Dit zou betekenen dat in het EAB melding wordt gemaakt van een ten tijde van de uitvaardiging van dat EAB nog niet uitgevaardigd NAB, omdat de datum daarvan later ligt dan het EAB. Kloppen de data van de uitvaardiging van het EAB en het NAB?
a. Zo nee, op welke data zijn het EAB en het NAB wel uitgevaardigd?
b. Zo ja, is op enig ander moment voorafgaand aan de uitvaardiging van het EAB sprake geweest van een (ander) nationaal aanhoudingsbevel? Zo ja, op welke datum is dat nationaal aanhoudingsbevel uitgevaardigd en door welke (rechterlijke) autoriteit?
De beslistermijn van 90 dagen verstrijkt op 4 juni 2026. Zoals is bepaald in artikel 22, vierde lid, OLW kan de rechtbank in uitzonderlijke gevallen de beslistermijn met telkens 60 dagen verlengen. De verplichting zoals die volgt uit overweging 65 van het arrest Bob-Dogi om in een situatie als de onderhavige de uitvaardigende justitiële autoriteit in de gelegenheid te stellen aanvullende gegevens te verstrekken overeenkomstig artikel 15, tweede lid, van het kaderbesluit leidt - omdat de beslistermijn twee dagen na de uitspraak verstrijkt - naar het oordeel van de rechtbank tot een uitzonderlijk geval als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW. De rechtbank verlengt daarom de beslistermijn met 60 dagen op grond van die bepaling, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
4Strafbaarheid
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de beschrijving van het eerste feit waarvoor de overlevering wordt verzocht niet in zijn geheel onder een Nederlandse strafbepaling kan worden gebracht, nu ‘public nuisance’ niet dubbel strafbaar is. De overlevering moet worden daarom geweigerd met betrekking tot dit onderdeel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich onder verwijzing naar jurisprudentie op het standpunt gesteld dat de beoordeling in het kader van de overleveringsprocedure zich richt op de dubbele strafbaarheid van gedragingen, en niet op de juridische kwalificatie die door de uitvaardigende justitiële autoriteit aan de gedraging is gegeven. Het gehele feitencomplex is in Nederland dubbel strafbaar als vernieling.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Bij de toetsing van de dubbele strafbaarheid is niet vereist dat de feitomschrijving onder een identieke Nederlandse strafbepaling valt of een identieke Nederlandse kwalificatie oplevert.
Voldoende is dat zij onder enige Nederlandse strafbepaling valt. Nagegaan moet worden of de feitelijke elementen die de oorsprong vormen van het strafbare feit, zoals die zijn weergegeven in het EAB, indien zij zouden hebben plaatsgevonden op Nederlands grondgebied, als zodanig ook op dat grondgebied strafrechtelijk hadden kunnen worden bestraft. De rechtbank beoordeelt de dubbele strafbaarheid dus niet aan de hand van de Hongaarse strafbaarstelling of de kwalificatie naar Hongaars recht, maar hoofdzakelijk aan de hand van de feitelijke omschrijving.
Op grond daarvan leveren de feiten naar Nederlands recht op:
vernieling;
diefstal, meermalen gepleegd.
5Artikel 11 OLW
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de Hongaarse autoriteiten moet worden gevraagd om de garantie te verstrekken dat de opgeëiste persoon na overlevering niet wordt geplaatst in de gevangenis in Tiszalök, gelet op het eerder door de rechtbank aangenomen algemeen gevaar van een vernederende of onmenselijke behandeling in die instelling. Gelet op de meldingen die door the Comittee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading treatment or Punishment (hierna: het CPT) zijn ontvangen tijdens de “follow up visit’ in de periode van 25 maart tot april 2025 is de dreiging van een schending van artikel 4 van het Handvest nog steeds reëel.
Standpunt van de officier van justitie
Onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank van 14 januari 2026 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat geen sprake meer is van een algemeen gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in detentie-instellingen in Hongarije. Artikel 11 OLW staat daarom niet aan overlevering in de weg.
Oordeel van de rechtbank
In de uitspraak van 14 januari 2026 heeft de rechtbank geoordeeld dat, gelet op het CPT-rapport van 16 december 2025, niet langer sprake is van (voldoende) objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens op grond waarvan een algemeen reëel gevaar kan worden aangenomen dat personen die in Tiszalök zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld in verband met de ill-treatment van gedetineerden door het gevangenispersoneel en het geweld tussen gedetineerden onderling. Het CPT-rapport van 16 december 2025 is het rapport waar door de raadsvrouw naar is verwezen. De rechtbank heeft in de genoemde uitspraak voorts overwogen dat blijkens dat rapport een risico bestaat op een terugval in Tiszalök en dat de Hongaarse regering daarom waakzaam moet blijven. Bij de vaststelling van een algemeen gevaar kan de rechtbank echter geen rekening houden met dit risico, nu het gaat om een onzekere toekomstige gebeurtenis. Bij de beoordeling van de detentieomstandigheden gaat het erom hoe de omstandigheden nu feitelijk zijn en uit het rapport van 16 december 2025 blijkt dat die omstandigheden inmiddels geen algemeen reëel gevaar van schending van de mensenrechten meer opleveren. Aanwijzingen dat het risico zich intussen (weer) heeft verwezenlijkt, ontbreken.
Nu geen sprake is van een algemeen gevaar komt de rechtbank niet toe aan de vraag of sprake is van een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon na zijn overlevering. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit nadere vragen te stellen ten aanzien van de detentieomstandigheden. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.
6Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de hiervoor onder 3.1. genoemde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit;
VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met zestig dagen, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW;
BEPAALT dat de vordering opnieuw op zitting moet worden gepland uiterlijk 2 weken voor het verstrijken van de verlengde beslistermijn (zijnde 3 augustus 2026);
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsvrouw;
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen voornoemd tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. L. Baroud en C.M.S. Loven rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en B.C.M. Burger griffiers.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 2 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
HvJ EU, 1 juni 2016, C-241/15 (EU:C:2016:385), Bob-Dogi.
HvJ EU 14 juli 2022, C-168/21, ECLI:EU:C:2022:558 (KL).
Zie bijv. Rb. Amsterdam 21 mei 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BM6497 en ECLI:NL:RBAMS:2010:BM6498 en Rb. Amsterdam 21 januari 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BP2326.
HvJ EU 11 januari 2017, C-289/15, ECLI:EU:C:2017:4 (Grundza); HvJ EU 14 juli 2022, C-168/21, ECLI:EU:C:2022:558 (Procureur général près la cour d'appel d'Angers), punt 36; Rb. Amsterdam 17 januari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:312; Rb. Amsterdam 9 maart 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:1578.
ECLI:NL:RBAMS:2026:135.
ECLI:NL:RBAMS:2026:135.