Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:5504
2026-05-19
Civiel recht
12183319 CV EXPL 26-5458
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Ambtshalve toetsing huur Richtlijn 93/13 EG (Richtlijn oneerlijke bedingen)
Citeert (1)
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.994 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 12183319 CV EXPL 26-5458
vonnis van: 19 mei 2026
fno.: 506
vonnis van de kantonrechter
I n z a k e
de stichting Stichting Stadgenoot
gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam
eisende partij
gemachtigde: mr. J.J.L. Boudewijn
t e g e n
[gedaagde]
wonende te [woonplaats]
gedaagde partij
niet verschenen
Verloop van de procedure
Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard. Gedaagde partij is niet verschenen. Tegen gedaagde partij is verstek verleend. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag.
Gronden van de beslissing
1. Eisende partij vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde alsmede betaling van de huurachterstand met nevenvorderingen.
Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen
2. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze buiten toepassing laten. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68).
3. Eisende partij heeft de tussen partijen gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de zelfstandige autobox of aangewezen parkeerplaats aan het adres [adres] in het geding gebracht.
4. Eisende partij had in de dagvaarding omtrent de (on)eerlijkheid van de op de vordering zijnde toepasselijke bedingen een standpunt moeten innemen. Nu eisende partij dit voorgaande niet heeft gedaan zal zij daartoe niet meer in de gelegenheid voor worden gesteld.
5. Het huurprijsbeding en servicekostenbeding in de huurovereenkomst zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid.
6. De bedingen die voor de beoordeling van de onderhavige vordering relevant zijn, te weten de artikelen 9.4 (wijziging voorschot servicekosten) en 11 (huurprijswijziging) van de huurovereenkomst zijn door de kantonrechter getoetst en worden niet oneerlijk bevonden.
7. Ook is artikel 3.6 (derde alinea) van de huurovereenkomst getoetst. Dit artikel luidt als volgt.
Artikel 3.6 Betalingen
(…)
Telkens indien een uit hoofde van de huurovereenkomst door huurder verschuldigd bedrag niet prompt op de vervaldag is voldaan, verbeurt huurder een verhuurder van rechtswege per kalendermaand vanaf de vervaldag van dat bedrag een direct opeisbare boete van 10% van het verschuldigde per kalendermaand, waarbij elke ingetreden maand als een volle maand geldt, met een minimum van € 20,-- per maand. Het totale boetebedrag zal nimmer hoger zijn dan € 500,--.
8. Het hierboven geciteerde artikel 3.6 (derde alinea) van de huurovereenkomst geeft eisende partij de mogelijkheid een boete op te leggen aan de huurder als deze de huur niet volledig en op tijd betaalt. Deze boete is of kan veel hoger zijn de wettelijke rente, die een consument normaliter is verschuldigd. Dit maakt dat het boetebeding het evenwicht tussen partijen aanzienlijk verstoort, in het nadeel van de consument. Het beding is daarom oneerlijk, zodat het beding buiten toepassing wordt gelaten en de gevorderde wettelijke rente wordt afgewezen.
De vordering
9. De vordering komt voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens hieronder met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten en de ontruimingstermijn nog is overwogen.
10. De buitengerechtelijke kosten worden afgewezen omdat niet is gesteld of gebleken dat is voldaan aan de in artikel 6:96 lid 6 BW ten aanzien van die kosten gestelde eisen. Bijvoorbeeld omdat niet is gesteld dat de in dat artikel bedoelde aanmaning is verstuurd, of indien dat wel is gesteld en die aanmaning is overgelegd, er daarin een te hoog bedrag aan buitengerechtelijke kosten of een onjuiste betalingstermijn wordt genoemd.
10. De ontruimingstermijn wordt gesteld op twee weken.
BESLISSING
De kantonrechter:
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de onroerende zaak de zelfstandige autobox of aangewezen parkeerplaats aan het adres [adres];
veroordeelt gedaagde partij tot ontruiming van de onder I. genoemde ontroerende zaak met al wie en alwat zich vanwege gedaagde partij daarin moge bevinden;
veroordeelt gedaagde partij om te betalen aan eisende partij:
a. a) € 5.299,90 ter zake van achterstallige huur, berekend tot en met 31 maart 2026;
b) € 151,29 per maand vanaf 1 april 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt;
veroordeelt de gedaagde partij in de kosten van het geding, aan de zijde van eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 153,02 aan explootkosten, € 360,00 aan salaris gemachtigde, € 559,00 aan griffierecht en € 72,00 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Kuiken, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 12183319 CV EXPL 26-5458
vonnis van: 19 mei 2026
fno.: 506
vonnis van de kantonrechter
I n z a k e
de stichting Stichting Stadgenoot
gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam
eisende partij
gemachtigde: mr. J.J.L. Boudewijn
t e g e n
[gedaagde]
wonende te [woonplaats]
gedaagde partij
niet verschenen
Verloop van de procedure
Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard. Gedaagde partij is niet verschenen. Tegen gedaagde partij is verstek verleend. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag.
Gronden van de beslissing
1. Eisende partij vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde alsmede betaling van de huurachterstand met nevenvorderingen.
Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen
2. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze buiten toepassing laten. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68).
3. Eisende partij heeft de tussen partijen gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de zelfstandige autobox of aangewezen parkeerplaats aan het adres [adres] in het geding gebracht.
4. Eisende partij had in de dagvaarding omtrent de (on)eerlijkheid van de op de vordering zijnde toepasselijke bedingen een standpunt moeten innemen. Nu eisende partij dit voorgaande niet heeft gedaan zal zij daartoe niet meer in de gelegenheid voor worden gesteld.
5. Het huurprijsbeding en servicekostenbeding in de huurovereenkomst zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid.
6. De bedingen die voor de beoordeling van de onderhavige vordering relevant zijn, te weten de artikelen 9.4 (wijziging voorschot servicekosten) en 11 (huurprijswijziging) van de huurovereenkomst zijn door de kantonrechter getoetst en worden niet oneerlijk bevonden.
7. Ook is artikel 3.6 (derde alinea) van de huurovereenkomst getoetst. Dit artikel luidt als volgt.
Artikel 3.6 Betalingen
(…)
Telkens indien een uit hoofde van de huurovereenkomst door huurder verschuldigd bedrag niet prompt op de vervaldag is voldaan, verbeurt huurder een verhuurder van rechtswege per kalendermaand vanaf de vervaldag van dat bedrag een direct opeisbare boete van 10% van het verschuldigde per kalendermaand, waarbij elke ingetreden maand als een volle maand geldt, met een minimum van € 20,-- per maand. Het totale boetebedrag zal nimmer hoger zijn dan € 500,--.
8. Het hierboven geciteerde artikel 3.6 (derde alinea) van de huurovereenkomst geeft eisende partij de mogelijkheid een boete op te leggen aan de huurder als deze de huur niet volledig en op tijd betaalt. Deze boete is of kan veel hoger zijn de wettelijke rente, die een consument normaliter is verschuldigd. Dit maakt dat het boetebeding het evenwicht tussen partijen aanzienlijk verstoort, in het nadeel van de consument. Het beding is daarom oneerlijk, zodat het beding buiten toepassing wordt gelaten en de gevorderde wettelijke rente wordt afgewezen.
De vordering
9. De vordering komt voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens hieronder met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten en de ontruimingstermijn nog is overwogen.
10. De buitengerechtelijke kosten worden afgewezen omdat niet is gesteld of gebleken dat is voldaan aan de in artikel 6:96 lid 6 BW ten aanzien van die kosten gestelde eisen. Bijvoorbeeld omdat niet is gesteld dat de in dat artikel bedoelde aanmaning is verstuurd, of indien dat wel is gesteld en die aanmaning is overgelegd, er daarin een te hoog bedrag aan buitengerechtelijke kosten of een onjuiste betalingstermijn wordt genoemd.
10. De ontruimingstermijn wordt gesteld op twee weken.
BESLISSING
De kantonrechter:
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de onroerende zaak de zelfstandige autobox of aangewezen parkeerplaats aan het adres [adres];
veroordeelt gedaagde partij tot ontruiming van de onder I. genoemde ontroerende zaak met al wie en alwat zich vanwege gedaagde partij daarin moge bevinden;
veroordeelt gedaagde partij om te betalen aan eisende partij:
a. a) € 5.299,90 ter zake van achterstallige huur, berekend tot en met 31 maart 2026;
b) € 151,29 per maand vanaf 1 april 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt;
veroordeelt de gedaagde partij in de kosten van het geding, aan de zijde van eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 153,02 aan explootkosten, € 360,00 aan salaris gemachtigde, € 559,00 aan griffierecht en € 72,00 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Kuiken, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.