Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:5455
2026-05-26
Strafrecht; Europees strafrecht
13-079195-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vervolgings-EAB Frankrijk; tussenuitspraak; artikel 11 OLW: redelijke termijn gesteld i.v.m. individueel gevaar voor een schending van grondrechten.
Citeert (6)
- ECLI:NL:RBAMS:2025:5749 Rechtbank Amsterdam 05-08-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:5751 Rechtbank Amsterdam 05-08-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2026:1585 Rechtbank Amsterdam 12-02-2026
- ECLI:EU:C:2018:589
- ECLI:NL:RBAMS:2026:3409 Rechtbank Amsterdam 31-03-2026
- ECLI:NL:RBAMS:2025:6458 Rechtbank Amsterdam 04-09-2025
Geciteerd door (2)
- ECLI:NL:RBAMS:2026:8269 Rechtbank Amsterdam 18-08-2026
- ECLI:NL:RBAMS:2026:6494 Rechtbank Amsterdam 24-06-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (15.964 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-079195-26
Datum uitspraak: 26 mei 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 19 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 9 maart 2026 door de Procureur de la République près le Tribunal Judiciaire de Lille, Frankrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] (Frankrijk),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 12 mei 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.J. Korver, waarnemend voor mr. M.L. van Gessel, beide advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Franse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn. Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de genoemde gegevens juist zijn en dat hij de Franse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van 9 maart 2026 van de rechtbank van Lille met kenmerk 25122000342, JICJIRSAC25000002.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Frans recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen;
witwassen van opbrengsten van misdrijven.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden in Frankrijk
Inleiding
In twee uitspraken van 5 augustus 2025 heeft de rechtbank een algemeen gevaar van schending van grondrechten aangenomen voor personen die worden gedetineerd op een mannenafdeling in een Huis van Bewaring in Frankrijk. Dat algemene gevaar betreft het structurele probleem van overbevolking, waardoor er een reëel risico bestaat dat gedetineerden worden geplaatst in een meerpersoonscel met een persoonlijke leefruimte van minder dan 3 m². Bij tussenuitspraak van 12 februari 2026 heeft de rechtbank het algemene gevaar gevaar ten aanzien van de detentie-instelling in Fresnes uitgebreid. Mannelijke verdachten en veroordeelden met een (rest)straf van niet meer dan twee jaar worden in een Huis van Bewaring gedetineerd, en zo ook de opgeëiste persoon. Voor hem geldt dus het hiervoor bedoelde algemeen gevaar van schending van grondrechten in detentie in Frankrijk.
Op 31 maart 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende aanvullende informatie verstrekt:
"(...) In light of the above-mentioned criteria, the Public Prosecutor of LILLE is able to indicate that [de opgeëiste persoon] would, in principle, be assigned to the remand prison of LILLE-ANNOEULLIN within the jurisdiction of the Court of Appeal of Douai, whose occupancy rate stood at 153% on 26 March 2026 (remand prison of ANNOEULIN) according to French standards for calculating the occupancy rate of detention facilities.
1. The detention conditions of [de opgeëiste persoon] (...)
The operational capacity is calculated in terms of number of places with reference to the floor area of the room. The sanitary facilities area is therefore included in the room’s floor area; its size depends on technical limitations and varies between 1.4 and 1.8 m². The French standards require that:
- cells with a floor area of less than 11m2 are classified as individual cells;
- those with floor areas of up to 14 m² are double cells;
- cells with a floor area of up to 19m2 can accommodate up to a maximum of 3 inmates;
- those with a floor area of up to 24m2 can accommodate a maximum of 4 inmates, etc. (...)
Due to the methodological difference in calculating the floor area of cells and the available personal space for each inmate between French regulations and the standards established by European case law, the French authorities are unable to provide the requested assurances regarding the minimum space to be made available to the inmate upon his surrender to the French judicial authorities, given that the occupancy rate of detention facilities, defined according to the standards of French regulations, is by definition variable and related to the date of the wanted person’s surrender, which is currently unknown, and that the national standards resulting from the circular of 16 March 1988 used for measuring cells within French prisons make it impossible to distinguish the available personal space excluding sanitary facilities.
1.2.
The actual detention conditions of [de opgeëiste persoon] at the LILLE-ANNOEULLIN remand prison
The LILLE-ANNOEULLIN detention facility consists of a “men’s remand centre” (MAH) section, intended for persons awaiting trial, such as [de opgeëiste persoon] .
The men’s remand centre section contains:
- 272 cells, each measuring 10 to 11 m² and with a design capacity of one place, equipped with two beds.
- 7 cells, each measuring 12 to 13 m² with a capacity of two places and equipped with two beds.
- 54 cells, each measuring 13 to 14 m² with a design capacity of two places and equipped with two beds.
- 20 cells each measuring 13 to 14 m² dedicated to the Regional Medical and Psychological Service, with a capacity of one place.
- 15 cells, each measuring 14 to 19 m² with a design capacity of 3 places and equipped with 2 beds.
- 5 accessible cells for persons with reduced mobility, measuring 19 to 24 m² and with a capacity of 1 place. (...)"
Op 30 april 2026 is hier nog de volgende informatie aan toegevoegd:
“I have taken note of your additional requests.
1. Regarding the 3m² guarantee, the guarantee letter drafted by my colleague is as precise as possible concerning the conditions of detention.
2. We cannot commit to placing Mr. [de opgeëiste persoon] in a single cell.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB vanwege de detentieomstandigheden. De afgegeven detentiegaranties van 31 maart en 30 april 2026 volstaan niet. Het IRC heeft de Franse autoriteiten al een tweede kans geboden. Het reparatiemoment is daarom al geweest. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om de Franse autoriteiten nog eenmaal de kans te geven om een afdoende detentiegarantie te verstrekken.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om nadere vragen te stellen aan de Franse autoriteiten over de detentieomstandigheden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt allereerst dat zij gelet op het arrest ML van het HvJ EU uitsluitend de detentieomstandigheden dient te onderzoeken in de penitentiaire inrichting(en) waar de opgeëiste persoon, volgens de informatie waarover zij beschikt, naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd, mede op tijdelijke of voorlopige basis.
Uit de aanvullende informatie van 31 maart 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering waarschijnlijk zal worden gedetineerd in Lille-Annoeullin. Omdat uit de aanvullende informatie niet blijkt dat de opgeëiste persoon aldaar aanvankelijk tijdelijk of op voorlopige basis zal worden gedetineerd, hoeft de rechtbank alleen voor de detentie-instelling in Lille-Annoeullin de detentieomstandigheden te onderzoeken.
Vervolgens moet worden beoordeeld of de verstrekte aanvullende informatie van 31 maart en 30 april 2026 het vastgestelde algemene reële gevaar voor de opgeëiste persoon wegneemt. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Hiervoor is het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie blijkt dat de Franse autoriteiten, vanwege de methode die zij hanteren voor het berekenen van de oppervlakte van cellen en de persoonlijke leefruimte van gedetineerden, geen concrete garanties kunnen gegeven over het exacte aantal vierkante meters waarover de opgeëiste persoon na overlevering zal beschikken. Wel wordt benadrukt dat op de afdeling in de gevangenis in Lille-Annoeullin geen cel kleiner is dan 10 tot 11 m² en dat de oppervlakte van de sanitaire voorzieningen varieert tussen 1,4 en 1,8 m². Deze informatie is naar het oordeel van de rechtbank echter te algemeen van aard en onvoldoende concreet, omdat niet bekend is hoeveel mensen op één cel geplaatst worden. Ondanks het feit dat hier tot twee keer toe om is gevraagd, zijn hierover geen individuele garanties ten behoeve van de opgeëiste persoon afgegeven. Op basis van de verstrekte informatie kan de rechtbank dan ook niet vaststellen hoeveel persoonlijke celruimte wordt gegarandeerd voor de opgeëiste persoon. Het is bovendien niet aan de rechtbank om zelf een berekening te maken op basis van de verstrekte informatie over de verschillende cellen in combinatie met de vermelde bezettingsgraad in de desbetreffende penitentiaire inrichting. De rechtbank weet namelijk niet wat de impact van de overbevolking op de verdeling van de cellen is en of en zo ja, met hoeveel mensen de opgeëiste persoon in één cel zal worden geplaatst. Een geschatte berekening van de rechtbank over de vermoedelijke persoonlijke ruimte van de opgeëiste persoon is daarom geen garantie dat de opgeëiste persoon die ruimte daadwerkelijk zal krijgen, omdat dat in de verstrekte informatie niet is toegezegd door de Franse autoriteiten.
De rechtbank stelt dan ook vast dat voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar bestaat van schending van zijn grondrechten wegens de detentieomstandigheden in de detentie-instelling Lille-Annoeullin als de overlevering zou worden toegestaan. Dat betekent dat de rechtbank de beslissing moet aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging van de omstandigheden. In dat laatste geval zou de rechtbank direct geen gevolg kunnen geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk kunnen verklaren.
De rechtbank acht het niet ondenkbaar dat de hiervoor bedoelde wijziging van de omstandigheden zich binnen afzienbare tijd voordoet en ziet daarom aanleiding het onderzoek te heropenen en te schorsen.
Dit betekent ook dat de rechtbank de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW zal aanhouden. De rechtbank zal, ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, bij de volgende zitting nagaan of een wijziging van de omstandigheden is opgetreden binnen een redelijke termijn.
De voortzetting van de zaak zal worden ingepland in de periode van 26 juni 2026 tot en met 5 juli 2026, zodat kan worden nagegaan of deze wijziging van omstandigheden is opgetreden.
Verlenging van de beslistermijn
De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt af op 14 juni 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen, zal zij ook de beslistermijn verlengen met 60 dagen onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding met 60 dagen.
6Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd en bepaalt dat de zaak op een zitting wordt ingepland in de periode van 26 juni 2026 tot en met 5 juli 2026.
HOUDT AAN de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.
VERLENGT op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met 60 dagen (eindigend 13 augustus 2026), omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met 60 dagen.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman.
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Franse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Scheeper, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. M.J. Gauneau en E. Wisgerhof, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 26 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 OLW.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rb. Amsterdam 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5749 en Rb. Amsterdam 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5751.
Rb. Amsterdam 12 februari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:1585.
HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, ECLI:EU:C:2018:589.
Vgl. Rb. Amsterdam 31 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3409 en Rb. Amsterdam 4 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:6458.
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-079195-26
Datum uitspraak: 26 mei 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 19 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 9 maart 2026 door de Procureur de la République près le Tribunal Judiciaire de Lille, Frankrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats] (Frankrijk),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 12 mei 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.J. Korver, waarnemend voor mr. M.L. van Gessel, beide advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Franse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn. Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de genoemde gegevens juist zijn en dat hij de Franse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van 9 maart 2026 van de rechtbank van Lille met kenmerk 25122000342, JICJIRSAC25000002.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Frans recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen;
witwassen van opbrengsten van misdrijven.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden in Frankrijk
Inleiding
In twee uitspraken van 5 augustus 2025 heeft de rechtbank een algemeen gevaar van schending van grondrechten aangenomen voor personen die worden gedetineerd op een mannenafdeling in een Huis van Bewaring in Frankrijk. Dat algemene gevaar betreft het structurele probleem van overbevolking, waardoor er een reëel risico bestaat dat gedetineerden worden geplaatst in een meerpersoonscel met een persoonlijke leefruimte van minder dan 3 m². Bij tussenuitspraak van 12 februari 2026 heeft de rechtbank het algemene gevaar gevaar ten aanzien van de detentie-instelling in Fresnes uitgebreid. Mannelijke verdachten en veroordeelden met een (rest)straf van niet meer dan twee jaar worden in een Huis van Bewaring gedetineerd, en zo ook de opgeëiste persoon. Voor hem geldt dus het hiervoor bedoelde algemeen gevaar van schending van grondrechten in detentie in Frankrijk.
Op 31 maart 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende aanvullende informatie verstrekt:
"(...) In light of the above-mentioned criteria, the Public Prosecutor of LILLE is able to indicate that [de opgeëiste persoon] would, in principle, be assigned to the remand prison of LILLE-ANNOEULLIN within the jurisdiction of the Court of Appeal of Douai, whose occupancy rate stood at 153% on 26 March 2026 (remand prison of ANNOEULIN) according to French standards for calculating the occupancy rate of detention facilities.
1. The detention conditions of [de opgeëiste persoon] (...)
The operational capacity is calculated in terms of number of places with reference to the floor area of the room. The sanitary facilities area is therefore included in the room’s floor area; its size depends on technical limitations and varies between 1.4 and 1.8 m². The French standards require that:
- cells with a floor area of less than 11m2 are classified as individual cells;
- those with floor areas of up to 14 m² are double cells;
- cells with a floor area of up to 19m2 can accommodate up to a maximum of 3 inmates;
- those with a floor area of up to 24m2 can accommodate a maximum of 4 inmates, etc. (...)
Due to the methodological difference in calculating the floor area of cells and the available personal space for each inmate between French regulations and the standards established by European case law, the French authorities are unable to provide the requested assurances regarding the minimum space to be made available to the inmate upon his surrender to the French judicial authorities, given that the occupancy rate of detention facilities, defined according to the standards of French regulations, is by definition variable and related to the date of the wanted person’s surrender, which is currently unknown, and that the national standards resulting from the circular of 16 March 1988 used for measuring cells within French prisons make it impossible to distinguish the available personal space excluding sanitary facilities.
1.2.
The actual detention conditions of [de opgeëiste persoon] at the LILLE-ANNOEULLIN remand prison
The LILLE-ANNOEULLIN detention facility consists of a “men’s remand centre” (MAH) section, intended for persons awaiting trial, such as [de opgeëiste persoon] .
The men’s remand centre section contains:
- 272 cells, each measuring 10 to 11 m² and with a design capacity of one place, equipped with two beds.
- 7 cells, each measuring 12 to 13 m² with a capacity of two places and equipped with two beds.
- 54 cells, each measuring 13 to 14 m² with a design capacity of two places and equipped with two beds.
- 20 cells each measuring 13 to 14 m² dedicated to the Regional Medical and Psychological Service, with a capacity of one place.
- 15 cells, each measuring 14 to 19 m² with a design capacity of 3 places and equipped with 2 beds.
- 5 accessible cells for persons with reduced mobility, measuring 19 to 24 m² and with a capacity of 1 place. (...)"
Op 30 april 2026 is hier nog de volgende informatie aan toegevoegd:
“I have taken note of your additional requests.
1. Regarding the 3m² guarantee, the guarantee letter drafted by my colleague is as precise as possible concerning the conditions of detention.
2. We cannot commit to placing Mr. [de opgeëiste persoon] in a single cell.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB vanwege de detentieomstandigheden. De afgegeven detentiegaranties van 31 maart en 30 april 2026 volstaan niet. Het IRC heeft de Franse autoriteiten al een tweede kans geboden. Het reparatiemoment is daarom al geweest. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om de Franse autoriteiten nog eenmaal de kans te geven om een afdoende detentiegarantie te verstrekken.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om nadere vragen te stellen aan de Franse autoriteiten over de detentieomstandigheden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt allereerst dat zij gelet op het arrest ML van het HvJ EU uitsluitend de detentieomstandigheden dient te onderzoeken in de penitentiaire inrichting(en) waar de opgeëiste persoon, volgens de informatie waarover zij beschikt, naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd, mede op tijdelijke of voorlopige basis.
Uit de aanvullende informatie van 31 maart 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering waarschijnlijk zal worden gedetineerd in Lille-Annoeullin. Omdat uit de aanvullende informatie niet blijkt dat de opgeëiste persoon aldaar aanvankelijk tijdelijk of op voorlopige basis zal worden gedetineerd, hoeft de rechtbank alleen voor de detentie-instelling in Lille-Annoeullin de detentieomstandigheden te onderzoeken.
Vervolgens moet worden beoordeeld of de verstrekte aanvullende informatie van 31 maart en 30 april 2026 het vastgestelde algemene reële gevaar voor de opgeëiste persoon wegneemt. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Hiervoor is het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie blijkt dat de Franse autoriteiten, vanwege de methode die zij hanteren voor het berekenen van de oppervlakte van cellen en de persoonlijke leefruimte van gedetineerden, geen concrete garanties kunnen gegeven over het exacte aantal vierkante meters waarover de opgeëiste persoon na overlevering zal beschikken. Wel wordt benadrukt dat op de afdeling in de gevangenis in Lille-Annoeullin geen cel kleiner is dan 10 tot 11 m² en dat de oppervlakte van de sanitaire voorzieningen varieert tussen 1,4 en 1,8 m². Deze informatie is naar het oordeel van de rechtbank echter te algemeen van aard en onvoldoende concreet, omdat niet bekend is hoeveel mensen op één cel geplaatst worden. Ondanks het feit dat hier tot twee keer toe om is gevraagd, zijn hierover geen individuele garanties ten behoeve van de opgeëiste persoon afgegeven. Op basis van de verstrekte informatie kan de rechtbank dan ook niet vaststellen hoeveel persoonlijke celruimte wordt gegarandeerd voor de opgeëiste persoon. Het is bovendien niet aan de rechtbank om zelf een berekening te maken op basis van de verstrekte informatie over de verschillende cellen in combinatie met de vermelde bezettingsgraad in de desbetreffende penitentiaire inrichting. De rechtbank weet namelijk niet wat de impact van de overbevolking op de verdeling van de cellen is en of en zo ja, met hoeveel mensen de opgeëiste persoon in één cel zal worden geplaatst. Een geschatte berekening van de rechtbank over de vermoedelijke persoonlijke ruimte van de opgeëiste persoon is daarom geen garantie dat de opgeëiste persoon die ruimte daadwerkelijk zal krijgen, omdat dat in de verstrekte informatie niet is toegezegd door de Franse autoriteiten.
De rechtbank stelt dan ook vast dat voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar bestaat van schending van zijn grondrechten wegens de detentieomstandigheden in de detentie-instelling Lille-Annoeullin als de overlevering zou worden toegestaan. Dat betekent dat de rechtbank de beslissing moet aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging van de omstandigheden. In dat laatste geval zou de rechtbank direct geen gevolg kunnen geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk kunnen verklaren.
De rechtbank acht het niet ondenkbaar dat de hiervoor bedoelde wijziging van de omstandigheden zich binnen afzienbare tijd voordoet en ziet daarom aanleiding het onderzoek te heropenen en te schorsen.
Dit betekent ook dat de rechtbank de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW zal aanhouden. De rechtbank zal, ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, bij de volgende zitting nagaan of een wijziging van de omstandigheden is opgetreden binnen een redelijke termijn.
De voortzetting van de zaak zal worden ingepland in de periode van 26 juni 2026 tot en met 5 juli 2026, zodat kan worden nagegaan of deze wijziging van omstandigheden is opgetreden.
Verlenging van de beslistermijn
De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt af op 14 juni 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen, zal zij ook de beslistermijn verlengen met 60 dagen onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding met 60 dagen.
6Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd en bepaalt dat de zaak op een zitting wordt ingepland in de periode van 26 juni 2026 tot en met 5 juli 2026.
HOUDT AAN de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.
VERLENGT op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met 60 dagen (eindigend 13 augustus 2026), omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met 60 dagen.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman.
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Franse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Scheeper, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. M.J. Gauneau en E. Wisgerhof, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 26 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 OLW.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rb. Amsterdam 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5749 en Rb. Amsterdam 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5751.
Rb. Amsterdam 12 februari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:1585.
HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, ECLI:EU:C:2018:589.
Vgl. Rb. Amsterdam 31 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3409 en Rb. Amsterdam 4 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:6458.