Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:5266
2026-06-02
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
25/1782
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wet studiefinanciering. Beroep ongegrond. Verweerder heeft terecht het verzoek van eiseres om prestatiebeurs voor de duur van haar WO-master afgewezen, omdat zij al vier jaar prestatiebeurs heeft ontvangen voor haar HBO-bachelor.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBMNE:2024:6591 Rechtbank Midden-Nederland 03-12-2024
- ECLI:NL:CRVB:2025:1353 Centrale Raad van Beroep 16-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2024:6966 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-10-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.155 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/1782
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs, verweerder
(gemachtigde: mr. drs. E.H.A. van den Berg).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een basisbeurs voor de duur van haar wo-master.
Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 8 december 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 4 februari 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting geschorst en het vooronderzoek hervat om het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland af te wachten.
De Centrale Raad van Beroep (de Raad) heeft op 16 september 2025 uitspraak gedaan in het hoger beroep tegen voornoemde uitspraak. De rechtbank heeft partijen vervolgens gevraagd of zij behoefte hadden aan een nadere zitting. Eiseres heeft aanvankelijk aangegeven daarvan gebruik te willen maken, maar heeft dit verzoek op 22 april 2026 ingetrokken. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en meegedeeld binnen zes weken uitspraak te zullen doen.
De totstandkoming van de besluiten
1. Aan eiseres is met ingang van 1 september 2017 voor de duur van vier jaar een prestatiebeurs voor het hoger onderwijs toegekend. Zij heeft vervolgens de hbo-bacheloropleiding [naam 1] aan de Hogeschool van Amsterdam gevolgd, welke opleiding zij in januari 2023 heeft afgerond. Op 8 december 2024 heeft eiseres studiefinanciering aangevraagd voor de éénjarige wo-masteropleiding [naam 1] aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
2. Verweerder heeft de aanvraag met het primaire besluit afgewezen en deze afwijzing met het bestreden besluit gehandhaafd. Eiseres heeft voor de door haar gevolgde opleiding aanspraak op vier jaar prestatiebeurs. Aan haar is over de periode van 1 september 2017 tot en met 31 augustus 2021 een prestatiebeurs voor het hoger beroepsonderwijs toegekend. Voor de wo-opleiding [naam 2] kan maximaal vier jaar (48 maanden) prestatiebeurs worden verstrekt. Deze 48 maanden zijn al aan eiseres toegekend gedurende haar eerdere opleiding in het hoger beroepsonderwijs.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt het besluit van verweerder om aan eiseres voor de duur van haar wo-masteropleiding geen prestatiebeurs in de vorm van een basisbeurs toe te kennen. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. Eiseres voert in essentie aan dat hbo-studenten die na hun bachelor een éénjarige wo-master volgen, anders worden behandeld dan studenten die een éénjarige hbo-master volgen, nu laatstgenoemde groep wel in aanmerking komt voor een prestatiebeurs en daarmee feitelijk vijf jaar een prestatiebeurs ontvangt. Volgens eiseres gaat het om vergelijkbare gevallen en ontbreekt een toereikende rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid. Ter ondersteuning van dit standpunt verwijst zij onder meer naar eerdergenoemde uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 december 2024.
5. De rechtbank overweegt dat deze kwestie recentelijk zowel in het publieke en politieke debat als in de rechtspraak meermalen aan de orde is geweest. Daarbij is onder meer gewezen op uitlatingen van de (ambtsvoorganger van de) minister in een uitzending van Radar over het gemaakte onderscheid. Ook verschillende rechtbanken hebben zich over deze kwestie uitgesproken. Daarbij zijn uiteenlopende oordelen gegeven; zo heeft de rechtbank Midden-Nederland het standpunt van betrokken hbo-studenten gevolgd, terwijl de rechtbank Zeeland-West-Brabant tot een ander oordeel is gekomen. De rechtbank heeft deze ontwikkelingen ter zitting met partijen besproken. Daarbij is gebleken dat op korte termijn een uitspraak van de Raad werd verwacht, welke uitspraak de rechtbank heeft afgewacht.
6. De Raad heeft in de uitspraak van 16 september 2025 geoordeeld dat aan verdragspartijen bij het EVRM op het gebied van de sociale zekerheid en sociaal beleid in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd, en, als dat zo is, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen toch in verschillende zin te regelen. Volgens de Raad heeft de wet- en regelgever, voor zover in de onderhavige situatie al sprake is van gelijke gevallen, door deze gevallen verschillend te behandelen de hem toekomende beoordelingsvrijheid niet overschreden. Van ongerechtvaardigd onderscheid of discriminatie is dan ook geen sprake.
7. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Eiseres betoogt dat het onrechtvaardige onderscheid erin is gelegen dat een wo-afgestudeerde, volgens haar een persoon met een wo-bachelor, bij het volgen van een postinitiële opleiding wel in aanmerking kan komen voor verlenging van de prestatiebeurs, terwijl een hbo-afgestudeerde in geval van het volgen van een wo-master daarvan is uitgesloten. De rechtbank begrijpt dat eiseres dit als onrechtvaardig ervaart. Daarmee gaat eiseres er echter aan voorbij dat de wetgever voor de beoordeling van het recht op prestatiebeurs uitgaat van de initiële opleiding, te weten in het ene geval een hbo-bachelor en in het andere geval een wo-bachelor met aansluitende wo-masteropleiding. Er is in dit geval dan ook geen sprake van een verlenging van de prestatiebeurs vanwege het volgen van een postinitiële opleiding, omdat een wo-master onderdeel uitmaakt van de initiële opleiding binnen een wo-traject. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever destijds bewust heeft gekozen voor het huidige stelsel, waarin studenten uitsluitend aanspraak hebben op een prestatiebeurs voor een initiële opleiding. Dat deze keuze volgens eiseres niet langer zou aansluiten bij de huidige arbeidsmarkt en bij ontwikkelingen rond de doorstroming van het hbo naar het wo, kan niet afdoen aan de huidige geldende wettelijke regeling. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat in het bijzonder voor rechtenstudenten een uitzondering zou moeten worden gemaakt, omdat pas bij afronding van een wo-master civiel effect wordt verkregen, volgt de rechtbank haar daarin niet. De rechtbank begrijpt dat dit in de praktijk voor die beroepsgroep gewicht kan hebben, maar het betreft een keuze in de wijze waarop het studiefinancieringsstelsel is ingericht. Dit brengt mee dat een hbo-rechtenstudie wordt beschouwd als één initiële opleiding, waarbij een wo-master geen onderdeel vormt van het hbo-traject. De gemaakte keuzes vallen naar het oordeel van de rechtbank binnen de ruime beoordelingsvrijheid die de wetgever toekomt. Zoals ook de Raad heeft overwogen, is een eventuele wijziging van het studiefinancieringsstelsel voorbehouden aan de wetgever en niet aan de rechter.
Conclusie en gevolgen
8. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres om een prestatiebeurs in de vorm van een basisbeurs voor haar wo-master toe te kennen op goede gronden afgewezen.
9. Het beroep is ongegrond. Voor een vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten bestaat bij deze uitkomst geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.S. van Limburg Stirum, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening te treffen.
Het indienen van een hogerberoepschrift kan digitaal via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl of door verzending per post aan de Centrale Raad van Beroep.
De uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 december 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:6591.
De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1353.
Zie de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West Brabant van 15 oktober 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:6966.
Het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/1782
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs, verweerder
(gemachtigde: mr. drs. E.H.A. van den Berg).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een basisbeurs voor de duur van haar wo-master.
Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 8 december 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 4 februari 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting geschorst en het vooronderzoek hervat om het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland af te wachten.
De Centrale Raad van Beroep (de Raad) heeft op 16 september 2025 uitspraak gedaan in het hoger beroep tegen voornoemde uitspraak. De rechtbank heeft partijen vervolgens gevraagd of zij behoefte hadden aan een nadere zitting. Eiseres heeft aanvankelijk aangegeven daarvan gebruik te willen maken, maar heeft dit verzoek op 22 april 2026 ingetrokken. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en meegedeeld binnen zes weken uitspraak te zullen doen.
De totstandkoming van de besluiten
1. Aan eiseres is met ingang van 1 september 2017 voor de duur van vier jaar een prestatiebeurs voor het hoger onderwijs toegekend. Zij heeft vervolgens de hbo-bacheloropleiding [naam 1] aan de Hogeschool van Amsterdam gevolgd, welke opleiding zij in januari 2023 heeft afgerond. Op 8 december 2024 heeft eiseres studiefinanciering aangevraagd voor de éénjarige wo-masteropleiding [naam 1] aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
2. Verweerder heeft de aanvraag met het primaire besluit afgewezen en deze afwijzing met het bestreden besluit gehandhaafd. Eiseres heeft voor de door haar gevolgde opleiding aanspraak op vier jaar prestatiebeurs. Aan haar is over de periode van 1 september 2017 tot en met 31 augustus 2021 een prestatiebeurs voor het hoger beroepsonderwijs toegekend. Voor de wo-opleiding [naam 2] kan maximaal vier jaar (48 maanden) prestatiebeurs worden verstrekt. Deze 48 maanden zijn al aan eiseres toegekend gedurende haar eerdere opleiding in het hoger beroepsonderwijs.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt het besluit van verweerder om aan eiseres voor de duur van haar wo-masteropleiding geen prestatiebeurs in de vorm van een basisbeurs toe te kennen. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. Eiseres voert in essentie aan dat hbo-studenten die na hun bachelor een éénjarige wo-master volgen, anders worden behandeld dan studenten die een éénjarige hbo-master volgen, nu laatstgenoemde groep wel in aanmerking komt voor een prestatiebeurs en daarmee feitelijk vijf jaar een prestatiebeurs ontvangt. Volgens eiseres gaat het om vergelijkbare gevallen en ontbreekt een toereikende rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid. Ter ondersteuning van dit standpunt verwijst zij onder meer naar eerdergenoemde uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 december 2024.
5. De rechtbank overweegt dat deze kwestie recentelijk zowel in het publieke en politieke debat als in de rechtspraak meermalen aan de orde is geweest. Daarbij is onder meer gewezen op uitlatingen van de (ambtsvoorganger van de) minister in een uitzending van Radar over het gemaakte onderscheid. Ook verschillende rechtbanken hebben zich over deze kwestie uitgesproken. Daarbij zijn uiteenlopende oordelen gegeven; zo heeft de rechtbank Midden-Nederland het standpunt van betrokken hbo-studenten gevolgd, terwijl de rechtbank Zeeland-West-Brabant tot een ander oordeel is gekomen. De rechtbank heeft deze ontwikkelingen ter zitting met partijen besproken. Daarbij is gebleken dat op korte termijn een uitspraak van de Raad werd verwacht, welke uitspraak de rechtbank heeft afgewacht.
6. De Raad heeft in de uitspraak van 16 september 2025 geoordeeld dat aan verdragspartijen bij het EVRM op het gebied van de sociale zekerheid en sociaal beleid in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd, en, als dat zo is, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen toch in verschillende zin te regelen. Volgens de Raad heeft de wet- en regelgever, voor zover in de onderhavige situatie al sprake is van gelijke gevallen, door deze gevallen verschillend te behandelen de hem toekomende beoordelingsvrijheid niet overschreden. Van ongerechtvaardigd onderscheid of discriminatie is dan ook geen sprake.
7. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Eiseres betoogt dat het onrechtvaardige onderscheid erin is gelegen dat een wo-afgestudeerde, volgens haar een persoon met een wo-bachelor, bij het volgen van een postinitiële opleiding wel in aanmerking kan komen voor verlenging van de prestatiebeurs, terwijl een hbo-afgestudeerde in geval van het volgen van een wo-master daarvan is uitgesloten. De rechtbank begrijpt dat eiseres dit als onrechtvaardig ervaart. Daarmee gaat eiseres er echter aan voorbij dat de wetgever voor de beoordeling van het recht op prestatiebeurs uitgaat van de initiële opleiding, te weten in het ene geval een hbo-bachelor en in het andere geval een wo-bachelor met aansluitende wo-masteropleiding. Er is in dit geval dan ook geen sprake van een verlenging van de prestatiebeurs vanwege het volgen van een postinitiële opleiding, omdat een wo-master onderdeel uitmaakt van de initiële opleiding binnen een wo-traject. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever destijds bewust heeft gekozen voor het huidige stelsel, waarin studenten uitsluitend aanspraak hebben op een prestatiebeurs voor een initiële opleiding. Dat deze keuze volgens eiseres niet langer zou aansluiten bij de huidige arbeidsmarkt en bij ontwikkelingen rond de doorstroming van het hbo naar het wo, kan niet afdoen aan de huidige geldende wettelijke regeling. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat in het bijzonder voor rechtenstudenten een uitzondering zou moeten worden gemaakt, omdat pas bij afronding van een wo-master civiel effect wordt verkregen, volgt de rechtbank haar daarin niet. De rechtbank begrijpt dat dit in de praktijk voor die beroepsgroep gewicht kan hebben, maar het betreft een keuze in de wijze waarop het studiefinancieringsstelsel is ingericht. Dit brengt mee dat een hbo-rechtenstudie wordt beschouwd als één initiële opleiding, waarbij een wo-master geen onderdeel vormt van het hbo-traject. De gemaakte keuzes vallen naar het oordeel van de rechtbank binnen de ruime beoordelingsvrijheid die de wetgever toekomt. Zoals ook de Raad heeft overwogen, is een eventuele wijziging van het studiefinancieringsstelsel voorbehouden aan de wetgever en niet aan de rechter.
Conclusie en gevolgen
8. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres om een prestatiebeurs in de vorm van een basisbeurs voor haar wo-master toe te kennen op goede gronden afgewezen.
9. Het beroep is ongegrond. Voor een vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten bestaat bij deze uitkomst geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.S. van Limburg Stirum, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening te treffen.
Het indienen van een hogerberoepschrift kan digitaal via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl of door verzending per post aan de Centrale Raad van Beroep.
De uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 december 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:6591.
De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1353.
Zie de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West Brabant van 15 oktober 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:6966.
Het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.