Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:5158

2026-05-27 Strafrecht; Europees strafrecht 13-055415-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-05-27
Publicatiedatum
2026-05-27
Rechtsgebied
Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure
Eerste en enige aanleg
Zaaknummer
13-055415-26
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Executie-EAB uit Polen. Artikel 6a OLW: geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon gedurende een periode van vijf jaren onafgebroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Verzoek om aanhouding van de zaak om nadere gelijkstellingsstukken over te leggen afgewezen. Evenredigheidsverweer verworpen. Verzoek om schorsing van de gevangenhouding na de uitspraak verworpen. Overlevering toegestaan.

Citeert (11)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.726 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER



Parketnummer: 13-055415-26




Datum uitspraak: 27 mei 2026







UITSPRAAK





op de vordering van 10 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 14 januari 2026 door the District Court in Gorzów Wielkopolski, 2nd Criminal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:




[opgeëiste persoon]

geboren op [geboortedag] 1965 in [geboorteplaats] (Polen),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],



hierna ‘de opgeëiste persoon’.






1Procesgang


De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 13 mei 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. K. Karapetyan, advocaat in Hengelo, en door een tolk in de Poolse taal.



De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.



Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.





2Identiteit van de opgeëiste persoon


Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.





3Grondslag en inhoud van het EAB


Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court in Gorzów Wlkp van 13 april 2022, met kenmerk II K 186/21.



Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.



De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straf resteert nog in zijn geheel. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.



Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.





4Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW


De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:




oplichting.


Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.



Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.





5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW



Inleiding

Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.



Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:

1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.



Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak op grond van artikel 6, derde lid, OLW aan te houden, zodat de verdediging stukken kan overleggen waaruit het onafgebroken rechtmatig verblijf van de opgeëiste persoon in Nederland vóór februari 2025 blijkt. De opgeëiste persoon verklaart sinds 2019 in Nederland te verblijven en te werken.




Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het hier gaat om een executie-EAB en dat daarom de weigeringsgrond van artikel 6a OLW aan de orde is. Het is vaste jurisprudentie van de rechtbank dat gelijkstellingsstukken tien dagen voorafgaand aan de zitting moeten worden overgelegd. De opgeëiste persoon heeft hiervoor vanaf het moment van zijn aanhouding op
6 maart 2026 de gelegenheid toe gehad. Er bestaat dan ook geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden om gelijkstellingsstukken over te leggen.




Oordeel van de rechtbank

De rechtbank begrijpt het verzoek van de raadsman als een verzoek in het kader van een beroep op gelijkstelling van de opgeëiste persoon met een Nederlander in de zin van artikel 6a, negende lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de raadsman geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon gedurende een periode van vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf heeft in Nederland.



Artikel 6a, negende lid, OLW bepaalt dat bewijsstukken ter onderbouwing van een beroep op gelijkstelling tijdig voorafgaand aan het verhoor door de rechtbank moeten worden overgelegd. De rechtbank heeft de noodzaak van een tijdige (en geordende) aanlevering van stukken ook in meerdere uitspraken benadrukt, mede gelet op de termijn waarbinnen de rechtbank een beslissing moet nemen op het overleveringsverzoek. Volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank moeten stukken ter onderbouwing van een beroep op gelijkstelling in beginsel uiterlijk tien dagen voorafgaand aan de zitting worden overgelegd. Het is de rechtbank niet gebleken dat gelijkstellingstukken niet binnen deze termijn overgelegd hadden kunnen worden, temeer nu de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon al per 9 maart 2026 is geschorst en de opgeëiste persoon daardoor voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om deze stukken te verzamelen en te overleggen. Het verzoek van de raadsman om aanhouding van de behandeling van de zaak om nadere gelijkstellingsstukken over te leggen, wordt daarom afgewezen.


6. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU



Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak op grond van artikel 11, tweede lid, OLW aan te houden, zodat de verdediging onderzoek kan doen naar de benoeming van de zittingsrechter in de zaak met het kenmerk II K 186/21 en naar de individuele rechtsgang van de opgeëiste persoon in 2022.




Standpunt van de officier van justitie

Volgens vaste jurisprudentie van de rechtbank is het aan de opgeëiste persoon om concrete gegevens te verstrekken waaruit blijkt dat de structurele of fundamentele gebreken in het gerechtelijk apparaat van de uitvaardigende lidstaat een concrete invloed kunnen hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak. De opgeëiste persoon heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van een individueel gevaar. Er bestaat dan ook geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden om hier onderzoek naar te doen.




Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.



Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat - noch die doen vermoeden dat - die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld en bestaat er ook geen aanleiding om aanvullende gegevens op te vragen.





7Evenredigheidsverweer



Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de overlevering te weigeren wegens buitengewone persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon. Het feit dateert van twaalf jaar geleden en betreft slechts een poging. De opgeëiste persoon heeft geen Nederlands strafblad, hij heeft een actieve onderneming met een afhankelijke werknemer en lopende opdrachten en de gezinshereniging van de opgeëiste persoon met zijn partner en drie minderjarige kinderen staat op het punt te worden voltooid. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de behandeling van de zaak aan te houden wegens deze omstandigheden.




Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat deze gronden geen weigeringsgrond in de zin van de OLW of het Kaderbesluit opleveren.




Oordeel van de rechtbank

De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsman als een evenredigheidsverweer.



De rechtbank overweegt in lijn met eerdere uitspraken dat voor de vraag of sprake is van (on)evenredigheid van de overlevering een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de zogenoemde stelselevenredigheid van de OLW en de evenredigheid in een concreet geval. Het stelsel van de OLW is, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit, gebaseerd op het uitgangspunt dat het gebruik van de bevoegdheden tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken.



Uit het stelsel van overlevering en een kaderbesluitconforme uitleg volgt dat een evenredigheidsafweging in beginsel is ingebed in de afweging tot uitvaardiging van een EAB. De Poolse rechter heeft in deze zaak de afweging gemaakt om een EAB uit te vaardigen. Hiermee is de evenredigheid van de uitvaardiging van het EAB gegeven. Wat de raadsman heeft aangevoerd maakt dat niet anders. De keuze voor het uitvaardigen van een EAB door de Poolse justitiële autoriteiten gaat niet verder dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit - het voorkomen van straffeloosheid - te verwezenlijken.



Dat neemt niet weg dat overlevering in een concreet individueel geval onder omstandigheden onevenredig bezwarend kan zijn voor de opgeëiste persoon. Gelet op de stelselevenredigheid kan een beroep op de onevenredigheid van een EAB echter slechts onder bijzondere omstandigheden slagen. Hoewel de rechtbank oog heeft voor de (persoonlijke) belangen van de opgeëiste persoon, is naar het oordeel van de rechtbank van zulke bijzondere omstandigheden in zijn geval niet gebleken. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.





8Schorsingsverzoek



Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de schorsing van de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon op grond van artikel 64, eerste lid, OLW te handhaven onder de bestaande voorwaarden.




Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich verzet tegen schorsing van de overleveringsdetentie na de uitspraak van de rechtbank omdat geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden.




Oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet geen reden om de gevangenhouding ook na de uitspraak te schorsen. Artikel 64, eerste lid, OLW biedt hier in beginsel geen mogelijkheid toe, tenzij er - vanwege bijzondere omstandigheden - sprake is van strijd met artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank op dit moment geen sprake. Daarbij komt dat het toestaan van de overlevering in zijn algemeenheid het vluchtgevaar vergroot. Vanaf dat moment staat immers vast dat de opgeëiste persoon ter uitvoering van het EAB feitelijk zal worden overgeleverd aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Dit rechtvaardigt in beginsel reeds het voortduren van de overleveringsdetentie. Een dergelijke schorsing is dan ook slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde. In dit geval is geen sprake van uitzonderlijke omstandigheden die een schorsing kunnen rechtvaardigen. Het verzoek van de raadsman wordt dan ook afgewezen.





9Slotsom


De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.





10Toepasselijke wetsbepalingen


De artikelen 2, 5 en 7 OLW.





11Beslissing



STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Gorzów Wielkopolski, 2nd Criminal Division (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.




Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.M. de Bie, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 mei 2026.





































Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.




Zie artikel 23 OLW.


Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.


Zie onderdeel e) van het EAB.


De raadsman heeft verwezen naar Rb. Amsterdam 22 februari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:1014 en Rb. Amsterdam 21 september 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:5954.


Zie bijvoorbeeld Rb. Amsterdam 6 april 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:2560 en Rb. Amsterdam 12 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8802.


De raadsman heeft verwezen naar Rb. Amsterdam 20 december 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:8449 en Rb. Amsterdam 22 oktober 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:6638.


Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.


Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).


De raadsman heeft verwezen naar Rb. Amsterdam 26 november 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:8075.