Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:5152

2026-05-22 Civiel recht; Insolventierecht C/13/787472 FT RK 26-188
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-05-22
Publicatiedatum
2026-05-27
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
C/13/787472 FT RK 26-188
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; INS-Updates.nl 2026-0123; RI 2026/57; JOR 2026/202 met annotatie van mr. S. van den Broek

Inhoudsindicatie

homologatie van een WHOA-akkoord van een VOF en haar vennoten

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.468 tekens)
Rechtbank AMSTERDAM


Afdeling privaatrecht – meervoudige kamer




verzoek tot homologatie van een akkoord




rekestnummers: C/13/787472 FT RK 26-188, C/13/787488 FT RK 26-189 en
C/13/787489 FT RK 26-190
uitspraakdatum: 22 mei 2026



Beschikking op het ingekomen verzoekschrift ex artikel 383 Fw in de besloten akkoordprocedure buiten faillissement, van:



de vennootschap onder firma


[schuldenaar 1]
,
gevestigd te [vestigingsplaats]
en haar vennoten
de heer [vennoot 1] en mevrouw [vennoot 2] ,
hierna gezamenlijk te noemen: [schuldenaars] ,
advocaat mr. J.R.D. den Hertog.






1De procedure


1.1.

[schuldenaars] heeft op 12 december 2025 een startverklaring als bedoeld in artikel 370 lid 3 van de Faillissementswet (hierna: Fw) ter griffie van deze rechtbank gedeponeerd.



1.2.

[schuldenaars] heeft op 7 mei 2026 een stemverslag als bedoeld in artikel 382 Fw ter griffie gedeponeerd. Op diezelfde datum heeft [schuldenaars] een verzoekschrift, met bijlagen, tot homologatie van het door haar aangeboden akkoord op grond van artikel 383 lid 1 Fw ingediend.



1.3.
Bij beschikking van 8 mei 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoek bepaald op 15 mei 2026.



1.4.
Op 15 mei 2026 is het verzoek via een online Teams-verbinding behandeld. Daarbij waren aanwezig:
- mr. J.R.D. den Hertog, advocaat,
- mr. J.W. Achterberg, advocaat,
- de heer [vennoot 1] , vennoot,
- mevrouw [vennoot 2] , vennoot.



1.5.
De rechtbank heeft de vonnisdatum bepaald op vandaag.






2De feiten

2.1.
De rechtbank gaat uit van de navolgende feiten. [schuldenaars] exploiteerde sinds 2014 een horecagelegenheid in [plaats] . Als gevolg van onder meer de COVID-pandemie, daaropvolgende economische ontwikkelingen, gestegen lasten en terugbetalingsverplichtingen uit steun- en uitstelregelingen, is een structureel te hoge schuldenlast ontstaan. [schuldenaars] heeft geconcludeerd dat voortzetting van de onderneming niet langer mogelijk was.






3Het liquidatieakkoord

3.1.

[schuldenaars] heeft 16 december 2025 als fixatiedatum voor haar schulden gekozen, en is gestart met de voorbereiding van een schuldeisersakkoord waarbij zij – met enige uitzonderingen – de schulden die vóór de fixatiedatum zijn ontstaan heeft betrokken. In het akkoord worden deze schulden van de VOF, en de schulden van de vennoten, voortvloeiende uit de activiteiten van de VOF, betrokken. Het akkoord bepaalt dan ook dat door de schuldeisers van de VOF finale kwijting wordt verleend niet alleen aan de VOF maar ook aan de vennoten in privé, in de vorm van een derdenbeding zoals bedoeld in art. 6:253 BW ten behoeve van de vennoten in privé.



3.2.
De privé-schulden van de vennoten zijn niet in het akkoord betrokken. Ook de hoogpreferente Belastingdienst en [schuldeiser 1] B.V. (een schuldeiser met een eigendomsvoorbehoud) zijn niet in het schuldeisersakkoord betrokken.



3.3.
Het aangeboden akkoord betreft een liquidatieakkoord en is gericht op gecontroleerde beëindiging en afwikkeling van de onderneming buiten faillissement. Na totstandkoming en uitvoering van het akkoord zal de VOF worden ontbonden.



3.4.

[schuldenaars] heeft gedurende het WHOA-traject een koper gevonden voor de onderneming. De overeengekomen koopprijs bedroeg € 200.000,-. Met het oog op het akkoord en ter voorkoming van waardeverlies in aanloop naar de levering van de activa van de VOF, heeft de koper de bedrijfsactiviteiten reeds op 1 februari 2026 voortgezet voor eigen rekening en verantwoordelijkheid. De koopsom is op 31 maart 2026 voldaan en de activa zijn op die datum geleverd. Na aftrek van onder meer makelaarskosten, WHOA-kosten en openstaande vakantie-uren resteert een netto-opbrengst van € 164.618,-. Na volledige voldoening van de Belastingdienst en [schuldeiser 1] B.V. is een bedrag van € 81.941,- beschikbaar voor het schuldeisersakkoord.



3.5.

[schuldenaars] heeft op 10 april 2026 het definitieve akkoord aangeboden aan de betrokken schuldeisers. De stemperiode liep tot en met 1 mei 2026. Het stemresultaat is dat alle klassen hebben ingestemd met het akkoord. Twee stemgerechtigde schuldeisers, [schuldeiser 2] en [schuldeiser 3] , hebben tegen het akkoord gestemd. Vier stemgerechtigde schuldeisers, [schuldeiser 4] , [schuldeiser 5] , [schuldeiser 6] en [schuldeiser 7] , hebben geen stem uitgebracht. Alle andere betrokken schuldeisers hebben ingestemd met het akkoord:



Klasse I – Concurrente crediteuren: totaal € 211.261,- waarvan € 167.883,- heeft
gestemd. Van het gestemde bedrag heeft € 130.993,- vóór gestemd. Dat komt neer op
78,03% van het gestemde bedrag. Klasse I heeft ingestemd met het akkoord.

Klasse II – [schuldeiser 8] : totaal € 116.504,-. [schuldeiser 8] heeft
ingestemd met het akkoord.




3.6.
Het akkoord is mede mogelijk gemaakt omdat [schuldeiser 8] haar vordering – uitsluitend in het kader van het akkoord – heeft gematigd van € 746.429,- tot € 116.504,-. In het alternatieve faillissementsscenario herleeft de volledige vordering van [schuldeiser 8] .



3.7.


[schuldenaars] heeft ter zitting toegelicht dat voor het [schuldeiser 5] geldt, dat zij heeft meegedeeld niet binnen de stemtermijn tot een stem te kunnen komen. [schuldenaars] heeft
daarop de stemtermijn in overleg met het [schuldeiser 5] opgerekt van twee naar drie weken. Het [schuldeiser 5] heeft desondanks meegedeeld niet binnen de termijn tot een stem te kunnen komen. Na sluiting van de termijn heeft het [schuldeiser 5] laten weten met het akkoord in te stemmen mits alle andere schuldeisers zouden instemmen. Omdat die voorwaarde niet is vervuld, is de positie van het [schuldeiser 5] in het stemverslag niet als instemmend genoteerd, maar als niet gestemd.




3.8.
Voor [schuldeiser 2] geldt, dat zij heeft tegengestemd omdat haar vordering voor een te laag bedrag zou zijn opgenomen. [schuldenaars] heeft toegelicht dat het opgenomen bedrag van € 7.322,- door [schuldeiser 2] aan haar is doorgegeven op 9 december 2025. Pas na aanbieding van het akkoord heeft [schuldeiser 2] te kennen gegeven een (van vóór de fixatiedatum daterende) factuur te zijn vergeten bij haar opgave. [schuldenaars] heeft daarop besloten voor het meerdere buiten het akkoord extra geld beschikbaar te maken zodat ook daarover het aangeboden percentage aan [schuldeiser 2] kan worden betaald. Desondanks heeft [schuldeiser 2] tegen het akkoord gestemd.





4Het verzoek

4.1.
Omdat niet alle stemgerechtigde schuldeisers met het akkoord hebben ingestemd, verzoekt [schuldenaars] het akkoord op grond van art. 383 Fw te homologeren.



4.2.
De schuldeisers in beide klassen ontvangen onder het akkoord 25 % van hun vorderingen. De schuldeisers zijn, aldus [schuldenaars] , beter af bij homologatie van het akkoord dan bij een faillissement van de VOF, en een WSNP van de vennoten. [schuldenaars] heeft, met inschakeling van [adviesbureau] , becijferd dat de opbrengst van de liquidatie van de onderneming in dat scenario in totaal € 146.146,- vóór kosten zou hebben opgeleverd. Daarbij is uitgegaan van een verkoop van het restaurant door de curator in faillissement. Uitgaande van de belastingschuld van € 88.394,- en de door [adviesbureau] geschatte boedelkosten van € 46.865,- zou voor verdeling onder de schuldeisers in faillissement een bedrag van € 10.887,- resteren, hetgeen neerkomt op een uitkering van 1,1 % van hun vorderingen.



4.3.

[schuldenaars] concludeert dat homologatie van het akkoord in het belang van de schuldeisers is.





5De beoordeling



Rechtsmacht en bevoegdheid




5.1.
De rechtbank stelt vast dat het homologatieverzoek het eerste verzoek is in deze procedure. Dit betekent dat de rechtbank dient vast te stellen voor welk soort procedure, zoals bedoeld in artikel 369 lid 6 Fw, is gekozen bij de voorbereiding van het akkoord. Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of aan haar rechtsmacht en relatieve bevoegdheid toekomen om van het verzoek kennis te nemen.



5.2.

[schuldenaars] heeft blijkens de startverklaring gekozen voor een besloten akkoordprocedure. [schuldenaars] is statutair gevestigd in [plaats] en de onderneming was daar ook feitelijk gevestigd. Gezien het bepaalde in artikel 369 lid 7 aanhef en onder b Fw juncto artikel 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om het verzoek in behandeling te nemen. Uit artikel 262 Rv volgt verder dat deze rechtbank bevoegd is van het verzoek kennis te nemen.



5.3.
Uit artikel 369 Fw volgt, dat de onderhandse akkoordprocedure is bedoeld voor de herstructurering van de schulden van ondernemingen, ongeacht hun rechtsvorm. Dat betekent, dat een akkoord ook kan zien op een vennootschap onder firma (VOF). In dat geval kan het akkoord bepalen dat dit wordt aangeboden door de gezamenlijke vennoten in hun hoedanigheid van vennoten aan de schuldeisers van de VOF, en (alleen) ziet op de herstructurering van de schulden van de VOF die vallen in het afgescheiden vermogen — dus niet de vennoten in privé en hun schulden.



Ontvankelijkheid





5.4.
Nu alle klassen van schuldeisers met het akkoord hebben ingestemd, kan [schuldenaars] gelet op het bepaalde in artikel 383 lid 1 Fw in het homologatieverzoek worden ontvangen.



Afwijzingsgronden





5.5.
Ingevolge artikel 384 lid 1 Fw wijst de rechtbank een verzoek tot homologatie toe, tenzij zich één of meer van de afwijzingsgronden als bedoeld in artikel 384 lid 2 tot en met 4 Fw voordoet. Omdat er geen stemgerechtigden zijn die op grond van lid 3 of lid 4 van artikel 384 Fw een verzoek tot afwijzing hebben gedaan, zal de rechtbank het akkoord alleen toetsen aan de algemene afwijzingsgronden van artikel 384 lid 2 Fw.



algemene afwijzingsgronden





5.6.

Artikel 384 lid 2 sub a Fw.
De rechtbank stelt vast dat [schuldenaars] verkeert in de in de toestand als bedoeld in artikel 370 lid 1 Fw. Zij zal, als het akkoord niet tot stand komt, niet met het betalen van haar schulden kunnen voortgaan.




5.7.

artikel 384 lid 2 sub b t/m i Fw
Ook overigens zijn er geen algemene afwijzingsgronden aanwezig. Er is sprake van een akkoord met bijlagen dat de in de wet voorgeschreven informatie bevat. Het akkoord en de toelichting op het akkoord bevatten de informatie die de stemgerechtigden nodig hebben om zich daarover een geïnformeerd oordeel te kunnen vormen. De stemgerechtigden zijn in de gelegenheid gesteld om nadere informatie te verkrijgen. De stemgerechtigden zijn op de juiste wijze in kennis zijn gesteld van het akkoord en van de dagbepalingsbeschikking.
De stemgerechtigden hebben voldoende bedenktijd gehad. Dat geldt ook voor het [schuldeiser 5] die – ondanks een (uitsluitend ten behoeve van haar) verruimde bedenktijd – niet tijdig tot een stem heeft kunnen komen.
De in het akkoord gehanteerde klassenindeling voldoet aan de vereisten van artikel 374 Fw.
De stemgerechtigden zijn voor het juiste bedrag toegelaten tot de stemming. Voor de vordering van [schuldeiser 2] geldt, dat de onjuiste opname op de lijst niet aan [schuldenaars] kan worden verweten, nu [schuldeiser 2] reeds eerder in de gelegenheid is gesteld haar vordering op juistheid te controleren maar op dat moment niet over de onjuistheid heeft geklaagd (artikel 383 lid 9 Fw). Daarbij komt dat niet valt in te zien dat, als de juiste (hogere) vordering in het akkoord was betrokken, dit zou hebben geleid tot een andere stemuitslag (artikel 384 lid 2 sub d Fw). Ook in dat geval zou de weigeringsgrond van artikel 384 lid 2 sub d Fw dus geen opgeld doen. Bovendien heeft [schuldenaars] – met een extra geldbedrag – gezorgd dat [schuldeiser 2] niet is benadeeld.
De nakoming van het akkoord is voldoende gewaarborgd.
Er zijn geen redenen om aan te nemen dat het akkoord door bedrog, door begunstiging van één of meer stemgerechtigde schuldeisers of aandeelhouders of met behulp van andere oneerlijke middelen tot stand is gekomen. Tot slot zijn er ook geen andere redenen die zich tegen de goedkeuring van het akkoord verzetten. Het derdenbeding zoals beschreven onder r.o. 3.1. met betrekking tot de vrijwaring van de vennoten in privé voor de schulden van de VOF, past in het systeem van de wet.




5.8.
De rechtbank stelt vast dat het akkoord deugdelijk tot stand is gekomen en, in de vergelijking met het alternatieve faillissementsscenario, een aanzienlijk voordeel voor de schuldeisers in Klasse I betekent. De met afstand grootste schuldeiser, [schuldeiser 8] , doet in Klasse II immers – uitsluitend in het kader van het akkoord – afstand van een groot deel van haar vordering. Daardoor blijft een groter deel van de opbrengst van de verkoop van de onderneming voor verdeling onder de andere schuldeisers beschikbaar.



5.9.
Een en ander betekent dat het akkoord moet worden gehomologeerd.






6De beslissing:


De rechtbank:



- homologeert het door [schuldenaars] aangeboden akkoord.



Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. de Vos, voorzitter, mr. M.D.E. Leppens en mr. S. Boot, rechters, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026.