Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:5088

2026-05-27 Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht 25/2551
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-05-27
Publicatiedatum
2026-05-26
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
25/2551
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Parkeerverordening. Is de tussenwand die eiser heeft geplaatst in zijn bergruimte aard- en nagelvast? Beroep op het gelijkheidsbeginsel. Beroep gegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.611 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM


Bestuursrecht



zaaknummer: AMS 25/2551


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. N.M.C. van Hoorn),


en


het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde]).



Procesverloop


1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een bewonersparkeervergunning. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 9 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 maart 2025 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van eiser. Verweerder was niet aanwezig.




Beoordeling door de rechtbank

2. Verweerder heeft de aanvraag voor een bewonersvergunning geweigerd, omdat eiser niet aan de voorwaarden voldoet. Wanneer eiser aantoonbaar beschikt over twee motorvoertuigen, kunnen in het vergunningsgebied maximaal twee bewonersvergunningen per adres worden verleend, verminderd met het aantal stallingsplaatsen waarover een bewoner van het adres beschikt. Het is gebleken dat eiser kan beschikken over een stallingsplaats. Voorts is niet gebleken dat de aanvrager of een andere bewoner op het adres beschikt over twee motorvoertuigen. Het maximale aantal te verlenen parkeervergunningen op het adres is daarom volgens verweerder bereikt.

3. Op grond van de toelichting in artikel 9, eerste lid, van de Parkeerverordening worden stallingplaatsen niet afgetrokken van het recht op parkeervergunningen als deze, voordat een beleidsvoornemen tot invoering van betaald parkeren is vrijgegeven, aard- en nagelvast zijn verbouwd en qua maatvoering niet meer als stallingsplaats bruikbaar zijn.

4. Eiser heeft een tussenwand geplaatst in de bergruimte aan zijn woning die door verweerder als stallingplaats wordt gezien. Niet in geschil is dat deze tussenwand is geplaatst voor bekendmaking van het beleidsvoornemen tot invoering van betaald parkeren. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de tussenwand aard- en nagelvast is verbouwd. De rechtbank stelt vast dat in de Parkeerverordening 2013 geen definitie is gegeven van aard- en nagelvast.

5. Eiser heeft in dat kader een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel in de zaak van 22 maart 2023 van de Afdeling van bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Volgens hem is deze zaak exact hetzelfde als zijn situatie. Daarom heeft hij twee Wet Open Overheid-verzoeken ingediend om de relevante stukken over de uitleg van ‘stallingsplaats’ en ‘aard en nagelvast’ naar boven te halen. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat hij inmiddels inzage in de stukken heeft gehad en dat hieruit naar voren is gekomen dat in de zaak van 22 maart 2023, nadat het bestreden besluit was vernietigd, een schouw is geweest en uiteindelijk alsnog een bewonersvergunning is verleend. Eiser heeft ter zitting ook verklaard dat de vergunning in de zaak van 22 maart 2023 is verleend vóórdat het bestreden besluit in deze zaak is genomen.

6. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een motiveringsgebrek. Eiser heeft namelijk in bezwaar zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel al naar voren gebracht, verwijzend naar de uitspraak van 22 maart 2023. Verweerder is in het bestreden besluit niet op deze uitspraak ingegaan. Er is dus geen antwoord gegeven op eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op om in de nieuwe besluitvorming in te gaan op uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2023.



Conclusie en gevolgen


7. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt.



7.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.



7.2.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.




Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 10 maart 2025;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.


Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2025.









griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Artikel 6, tweede lid, aanhef en onder f van het uitwerkingsbesluit Parkeerverordening 2013 Amsterdam (de Parkeerverordening 2013).


Artikel 9, vierde lid, van de Parkeerverordening 2013.


ECLI:NL:RVS:2023:1163.