Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:5000

2026-04-09 Civiel recht; Personen- en familierecht C/13/786185 / FA RK 26-2898
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-04-09
Publicatiedatum
2026-05-21
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/13/786185 / FA RK 26-2898
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Civiel jeugdrecht. Toewijzing verzoek Raad voor de Kinderbescherming tot schorsing van de moeder in de uitoefening van het gezag en benoeming GI als voogd.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.072 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM


Familie- en Jeugdrecht



Zaaknummer: C/13/786185 / FA RK 26-2898
Datum uitspraak: 9 april 2026




Beschikking van de rechtbank over de schorsing van het gezag en de voorlopige voogdij




in de zaak van




de Raad voor de Kinderbescherming,
Amsterdam,
hierna te noemen de Raad,



over





[minderjarige]
, geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige] .



De rechtbank merkt naast [minderjarige] als belanghebbenden aan:




Mevr. [de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. F.J. Soriano uit Amsterdam.



en





[pleegouder 1]
en


[pleegouder 2]
,
hierna te noemen de pleegouders.



De rechtbank merkt als informant aan:



de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen de GI.





1Het verloop van de procedure


1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


het mondelinge verzoek van de Raad op 9 april 2026;


de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 13 april 2026.





1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 april 2026. Daarbij waren aanwezig:



[persoon 1] namens de Raad;


de moeder met haar advocaat;


de pleegmoeder;


- [persoon 2] namens de GI.



1.3.
De rechtbank heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de rechtbank. Tijdens de zitting heeft de rechtbank samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.





2De feiten


2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .



2.2.

[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.



2.3.
De vader van [minderjarige] is op [overlijdensdatum] 2025 overleden.



2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 januari 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 12 april 2026.



2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 januari 2026 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 12 april 2026.





3Het verzoek


3.1.
De Raad verzoekt de moeder geheel te schorsen in de uitoefening van het gezag en de GI te belasten met de voorlopige voogdij over [minderjarige] en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4De standpunten


4.1.


De Raad heeft ter onderbouwing van het verzoek het volgende aangevoerd. Sinds 29 oktober 2021 staat [minderjarige] onder toezicht en sinds 4 november 2021 is zij uit huis geplaatst in een gezinshuis. Er is hulpverlening ingezet, gericht op het tot stand brengen van omgang en het ondersteunen bij praktische zaken. Tevens is een verzoek om vervangende toestemming ingediend voor het openen van een bankrekening, zodat [minderjarige] een baan kan zoeken. Terugplaatsing naar de moeder wordt niet mogelijk geacht. Praktische zaken blijven bij de moeder stagneren.
Ten aanzien van de rol en houding van de moeder blijkt dat zij moeilijk bereikbaar is voor de hulpverlening en niet actief meewerkt. Noodzakelijke praktische zaken voor [minderjarige] komen niet van de grond. Het lukt niet om een vaste omgangsregeling tot stand te brengen. Er wordt gesproken van onmacht bij de moeder, niet van onwil. Onvoldoende is gebleken dat de moeder actief en structureel heeft gewerkt aan verbetering van haar opvoedvaardigheden en aan oplossingsmogelijkheden binnen de opvoedsituatie.
De Raad vindt het in het belang van [minderjarige] dat de beslissingsbevoegdheid voorlopig bij de GI komt te liggen. [minderjarige] heeft last van het feit dat haar moeder onvoldoende bereikbaar en beschikbaar is om de zaken voor [minderjarige] te organiseren. Bewindvoering van moeder is daarnaast ook een stagnerende factor. Er is een verzoek tot onderzoek van een gezagsbeëindiging ingediend bij de Raad. Het duurt nog een lange periode tot dit onderzoek klaar is. In de tussentijd moeten de praktische zaken voor [minderjarige] wel georganiseerd kunnen worden.




4.2.


De moeder heeft zich – ook bij monde van haar advocaat – op het standpunt gesteld dat het verzoek dient te worden afgewezen. De moeder roept hulp in van het Buurtteam bij het lezen en begrijpen van informatie en verzoeken vanuit de GI. Vanwege de beperkte beschikbaarheid van buurtteammedewerkers duurt dat soms langer. Ook liep het proces van het aanvragen van een bankrekening voor [minderjarige] vertraging op omdat de moeder onder bewind staat. Zo stond zij bij ING niet als ouder van [minderjarige] geregistreerd. Na het overlijden van de vader heeft de moeder pas na verloop van tijd te horen gekregen dat zij in Nederland mocht blijven en een uitkering zou ontvangen. Nu pas heeft zij de ruimte om het verlies van haar partner, de vader van [minderjarige] , te verwerken.
Ook geldt dat de GI niet alle mogelijkheden om de moeder te bereiken heeft benut. Zo hadden zij bijvoorbeeld ook de te ondertekenen documenten naar de mondelinge behandeling mee kunnen nemen.




4.3.

De pleegmoeder heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek dient te worden toegewezen. Er zijn bepaalde dingen die alleen met toestemming van de moeder kunnen worden geregeld. Om verschillende redenen lukt het dan niet om toestemming te krijgen. De tijd verstrijkt dan wel. In zo een geval kan [minderjarige] bijvoorbeeld niet beginnen met een bijbaan. Wel lukt het om met de moeder de toekomst te bespreken. De pleegmoeder zou graag zien dat de beslissingen in samenspraak met de GI kunnen worden genomen, en niet door de pleegouders alleen.



4.4.

De GI heeft verklaard dat is geprobeerd om de moeder via Whatsapp en telefonisch te bereiken. Daarnaast is de gezinsmanager bij de moeder langs geweest. Telkens lukt het niet om de moeder te bereiken en praktische dingen met haar te regelen.





5De beoordeling


5.1.
Op grond van artikel 1:268, eerste lid, sub a, Burgerlijk Wetboek (BW), kan de rechtbank een ouder geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van het gezag schorsen, indien de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen. Er dient dan een ernstig vermoeden te bestaan dat een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen.



5.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel de moeder wel degelijk probeert om bepaalde zaken voor [minderjarige] te regelen, lukt het haar niet om binnen een acceptabele termijn bepaalde essentiële, praktische zaken voor [minderjarige] in orde te maken. Zo verlangt [minderjarige] al geruime tijd een eigen bankrekening met een pinpas zodat zij een baantje kan krijgen – hetgeen zij ook als eerste aangeeft tijdens het gesprek met de rechtbank – terwijl dit nog steeds niet is gelukt. Ook zorgt het gebrekkige contact van de moeder met de GI en de pleegmoeder ervoor dat belangrijke zaken in het leven van [minderjarige] onnodig vertraging oplopen. De rechtbank benadrukt dat zij ziet dat de moeder en [minderjarige] veel van elkaar houden en dat hun onderlinge contact heel belangrijk voor hen beiden is. Naar het oordeel van de rechtbank is er bij de moeder geen sprake van onwil, maar van onmacht. Gelet op de leeftijd van [minderjarige] en de stappen die zij wil zetten in haar ontwikkeling is het van belang dat zaken die daarvoor nodig zijn snel en goed geregeld kunnen worden. Dat lukt nu niet. Om die reden begrijpt de rechtbank het verzoek van de Raad en zal zij dat verzoek ook toewijzen.



5.3.
De rechtbank is daarom van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:268, eerste lid, onder a BW is voldaan en wijst het verzoek tot schorsing van de moeder in de uitoefening van het gezag toe.



5.4.
Op grond van artikel 1:268, derde lid, BW belast de rechtbank de GI met de voorlopige voogdij over [minderjarige] .


5.5.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.



5.6.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing


De rechtbank:



6.1.
schorst [de moeder], geboren op [geboortedag 2] 1977 in [geboorteplaats 2] (Polen), in de uitoefening van het ouderlijk gezag over [minderjarige] met ingang van 9 april 2026 tot 9 juli 2026;



6.2.
bepaalt dat de schorsing ook na 9 juli 2026 doorloopt, wanneer voor die datum bij de rechtbank een verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag is ingediend. De schorsing loopt dan door totdat op dit verzoek tot beëindiging van het gezag is beslist;



6.3.
belast William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met de voorlopige voogdij over [minderjarige] ;



6.4.
bepaalt dat aan William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering alle bevoegdheden ten aanzien van de persoon en het vermogen van de minderjarige die in het belang van de minderjarige noodzakelijk zijn, worden toegekend;


6.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026 door
mr. M.E.A. Nijssen, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Bongenaar als griffier, en op schrift gesteld op 14 april 2026.








Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
































Artikel 2 Besluit gezagsregisters.