Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:4965

2026-02-21 Civiel recht; Personen- en familierecht C/13/781204 FA RK 22-3317
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-02-21
Publicatiedatum
2026-05-21
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/13/781204 FA RK 22-3317
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzoek gesamenlijk gezag van de vader afgewezen. Benoeming van een bijzondere curator.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.503 tekens)
beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM


Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd



zaaknummer / rekestnummer: C/13/718204 / FA RK 22-3317




Beschikking van 20 februari 2026 betreffende gezag en omgang




in de zaak van:





[de man] ,

wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. H.L.M. Lichteveld,



tegen





[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. M. Amrani.



Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,regio Amsterdam,locatie Amsterdam,hierna te noemen: de Raad.
Betreffende de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2013 te [geboorteplaats] .




1De verdere procedure


1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, te weten:
- de beschikking van 19 februari 2025 die als hier herhaald en ingelast geldt;
- het rapport van de Raad van 1 oktober 2025, ingekomen op 10 oktober 2025;
- het F9-formulier van 17 oktober 2025 aan de zijde van de vrouw;
- het F9-formulier van 28 oktober 2025 aan de zijde van de man.




1.2.

De mondelinge behandeling achter gesloten deuren is voortgezet op 3 februari 2026. Aanwezig waren:
de man via een telefonische verbinding, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk in de Engelse taal;
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Twi taal;
mevrouw [naam 1] namens de Raad.






2De feiten


Bij de beschikking van 19 februari 2025 is de Raad verzocht onderzoek in te stellen en zijn de verzoeken van de man tot omgang en gezamenlijk gezag aangehouden.





3De nadere standpunten



De Raad



3.1.

De Raad heeft geadviseerd dat gezamenlijk gezag thans (nog) niet in het belang is van [minderjarige] . De man heeft nog geen deel uitgemaakt van het leven van [minderjarige] en zij staat momenteel afwijzend ten opzichte van zijn betrokkenheid. Het verzoek betreffende de omgang van de man dient pro forma te worden aangehouden in afwachting van de voortgang van hulpverlening ten aanzien van contactopbouw.
Bij de mondelinge behandeling is aangevoerd dat [minderjarige] nog jong is maar wel twee ouders heeft. Het is voor haar belangrijk dat zij ook kan onderzoeken wie haar vader is. Vooral aan de vrouw moet worden uitgelegd dat een kind contact moet kunnen hebben met de andere ouder. Er moet voor en met [minderjarige] gewerkt worden aan wie zij is en wie zij wil worden, rekening houdend met wat zij aan kan. Het ontbrekende contact met de man vormt voor haar een ontwikkelingsbedreiging als daar niets aan gedaan wordt. Er zijn bij deze zaak ook twee advocaten betrokken die wellicht invloed op de houding van de vrouw kunnen hebben, ook bij het voldoen aan haar informatieplicht. Er moet een kindbehartiger komen. De moeder moet steun krijgen van [zorgaanbieder 1] , met als contactpersoon het OKT of iHub. Een kindbehartiger zou bijvoorbeeld eens per maand met [minderjarige] moeten praten. Een aanhouding voor zes maanden is voor deze situatie geraden.




De vrouw




3.2.
De vrouw wenst een beschikking over het gezag waarbij het verzoek van de man wordt afgewezen. Ten aanzien van de zorgregeling verzoekt de vrouw ook een eindbeschikking waarbij de man contact met [minderjarige] kan hebben als [minderjarige] dat zelf aangeeft.



3.3.
De vrouw heeft verklaard dat [minderjarige] naar de middelbare school gaat en dat het goed met haar gaat. Het is best lang geleden dat de man haar heeft gezien. Zij heeft geen informatie over [minderjarige] met de man uitgewisseld omdat zij boos is op hem, geen contact heeft en ook niet weet wat zij hem moet laten weten. De vrouw verwijt de man dat hij nooit “een naam aan [minderjarige] heeft gegeven”. Zij bedoelt daarmee dat hij haar moet erkennen als zijn dochter volgens de traditie/ceremonie. Als hij dat doet dan kunnen partijen weer communiceren. In het kader van die taak dient de man volgens de vrouw ook aan haar een eenmalig bedrag te betalen.


3.4.
Namens de vrouw is onder verwijzing naar het verweerschrift aangevoerd dat de vrouw erg teleurgesteld is in de man. Hij betaalt geen of onregelmatig kinderalimentatie. Als hij daadwerkelijk serieus is in zijn wens tot contact met [minderjarige] , dan dient hij ook zijn alimentatieverplichting na te komen. Inzet van hulpverlening heeft niet tot contactherstel of werkbare communicatie geleid. De vrouw houdt de omgang niet tegen, maar na de laatste paar contacten van [minderjarige] met de man, heeft zij zelf laten weten dat zij dat contact niet meer wilde. De vrouw onderschrijft het advies van de Raad. Zij wil niet gedwongen om de tafel met de man gaan zitten. Er moet dus geen gezamenlijk gezag komen en omgang alleen als [minderjarige] dat wil.



De man




3.5.
De man refereert zich aan het oordeel van de rechtbank over het gezag. Hij heeft verwezen naar de overwegingen van de Raad dat het noodzakelijk is dat sprake is van contactopbouw tussen [minderjarige] en de man en dat beide ouders en [minderjarige] hier (met hulp) aan meewerken. Er moet een duidelijk plan voor contactopbouw komen. Er moet hulpverlening komen die dit afstemt met alle betrokkenen, bijvoorbeeld [zorgaanbieder 1] , maar dat kan voor financiering alleen op basis van een beschikking. De vrouw wenst daaraan duidelijk niet vrijwillig mee te werken en evenmin aan omgang en een informatieregeling. Dat is dus in strijd met het advies van de Raad. Namens de man is aangevoerd dat hij [minderjarige] ruim twee jaar geleden voor het laatst heeft gezien. Toen is de begeleiding ook gestopt.



3.6.
De man kan zich vinden in het advies van de Raad. Hij vindt met name de aanstelling van een vertrouwenspersoon van belang, bijvoorbeeld een kindbehartiger. Het is echter de vraag of aanstelling van een kindbehartiger haalbaar is, omdat partijen die zelf moeten betalen. De man betaalt naar eigen zeggen elke maand kinderalimentatie en het is niet zeker of hij daarnaast de kosten van een kindbehartiger kan voldoen. Aanstelling van een bijzondere curator zou ook een mogelijkheid zijn. In het verleden heeft de man zelf ook hulp gezocht bij het OKT. Hij staat open voor pedagogische hulp bij hoe hij het best kan aansluiten bij [minderjarige] . De vrouw moet opnieuw hulp krijgen van [zorgaanbieder 1] , al is die hulp niet ingekocht door de gemeente Amsterdam.



3.7.
De vrouw komt ook de informatieregeling niet na. Daardoor kan de man ook bij andere instanties geen informatie opvragen. Het is de vraag wie de regie heeft bij het door de Raad voorgestelde hulpverleningstraject. De man heeft het liefst een aanhouding van negen maanden om een vinger aan de pols te kunnen houden. De man ziet in dat voor gezamenlijk gezag op dit moment geen basis bestaat. De vrouw wilde niet toestaan dat [minderjarige] zijn achternaam zou krijgen. De vrouw wilde daarvoor volgens de traditie een soort compensatie. De man heeft toen aan haar een bedrag betaald omdat hij de eerste jaren niet in het leven van [minderjarige] aanwezig was..





4De beoordeling



Gezag




4.1.
Op grond van artikel 1:253c eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel wordt een verzoek tot gezamenlijk gezag slechts afgewezen indien: a) er een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.



4.2.
De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk het gezag over hun kinderen uitoefenen, omdat dit in het belang van het kind wordt geacht. Hiervoor is wel vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijk overleg over zaken die het kind aangaan en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond het kind (kunnen) voordoen. Gebleken is dat de ouders niet in staat zijn om onderling te communiceren. Ook is gebleken dat de man nog geen deel heeft uitgemaakt van het leven van [minderjarige] . Niet is aannemelijk dat partijen dus in staat zullen zijn om gezamenlijk beslissingen te kunnen nemen over [minderjarige] . De rechtbank ziet geen grond voor toewijzing van het verzoek van de man en het verzoek van de man zal dan ook worden afgewezen.



Omgangsregeling en informatieregeling





4.3.
De rechtbank zal de overige verzoeken van de man aanhouden. De Raad ziet op dit moment, gelet op de weerstand die daartoe bij [minderjarige] bestaat en haar leeftijd, (nog) geen mogelijkheden voor omgang met de man, maar wel vindt de Raad het noodzakelijk dat er zicht komt op de mogelijkheid van contactherstel. De beslissing tot wel of geen omgang alleen bij [minderjarige] leggen, zoals de vrouw heeft voorgesteld, acht de rechtbank niet in haar belang. Zij is nog te jong om de gevolgen te kunnen overzien van de afwezigheid van haar vader in haar leven. In deze levensfase waarin zij zich snel ontwikkelt, is onbelast contact met beide ouders in beginsel in haar belang. De boosheid of gekwetstheid van de vrouw mag daaraan niet in de weg staan. Daar komt bij dat [minderjarige] geen ervaring heeft opgedaan met omgang met haar vader en zich ook daardoor niet vertrouwd voelt het contact met hem aan te gaan. Zij verblijft voltijds bij haar moeder en de man heeft geen deel uitgemaakt van haar (actieve) herinneringen. De Raad heeft aangevoerd dat het ontbrekende contact met haar vader voor haar een ontwikkelingsbedreiging vormt als daar niets aan gedaan wordt. Het is belangrijk dat zij zelf kan onderzoeken wie haar vader is.



4.4.
De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] als een bijzondere curator wordt betrokken die advies kan uitbrengen over onder meer de vraag of er mogelijkheid is tot contactherstel en zo ja, hoe dat in het belang van [minderjarige] eruit moet komen te zien.



4.5.
De rechtbank zal op grond van artikel 1:250 BW een bijzondere curator benoemen. Partijen hebben zich daar ook niet tegen verzet. De rechtbank vindt het belangrijk dat de stem van [minderjarige] expliciet wordt gehoord en dat zij iemand heeft die – in en buiten rechte – haar belangen kan behartigen in het conflict tussen haar ouders.



4.6.

De rechtbank acht het van belang door de bijzondere curator nader geïnformeerd te worden over de (on)mogelijkheden bij [minderjarige] van contactopbouw dan wel contactherstel die aan een eventuele omgangsregeling vooraf kan gaan. Ofschoon het onderzoek van de bijzondere curator vormloos is en hij zelf de richting van het curatorschap zal mogen invullen, acht de rechtbank het noodzakelijk dat op enkele concrete vragen antwoord komt:
1) Is er zicht op een mogelijkheid tot contactherstel tussen [minderjarige] en de man en zo ja op welke wijze kan dat contact worden opgebouwd op een wijze die ook door alle gezinsleden wordt ondersteund?
2) Is al iets te zeggen over de frequentie of vorm van het contact en omgang in het belang van [minderjarige] ?
3) Hoe zou de communicatie tussen de ouders verbeterd kunnen worden?
4) Geeft het onderzoek de bijzondere curator anderszins aanleiding tot het maken van opmerkingen of het geven van advies?




4.7.
De rechtbank heeft de heer mr. M.R.P. Hoppenbrouwers benaderd en bereid gevonden als bijzondere curator op te treden.



4.8.
De rechtbank verzoekt hem advies uit te brengen over de bovengenoemde vragen. Vanzelfsprekend staat het de bijzondere curator vrij om desgewenst de ouders en hun advocaten te betrekken bij zijn werkzaamheden en/of tussen hen te bemiddelen. De bijzondere curator wordt verzocht de antwoorden op de vragen op te nemen in een verslag. De rechtbank gaat ervan uit dat de bijzondere curator binnen vier maanden zijn verslag zou moeten kunnen hebben afgerond. Indien de bijzondere curator verwacht dat hij niet tijdig klaar zal zijn met het uitoefenen van zijn taak dan dient hij dit tijdig, doch uiterlijk tien dagen voor de pro forma datum aan de rechtbank kenbaar te maken onder mededeling van de verwachte benodigde termijn.



4.9.
De Raad heeft aangevoerd dat contactherstel naar verwachting enige tijd in beslag zal nemen. Volgens de Raad is voor beide ouders daarvoor hulpverlening nodig. Deze (specialistische) hulpverlening moet ertoe leiden dat beide ouders aansluiting bij [minderjarige] gaan vinden ten aanzien van het contactherstel. Er moeten afspraken komen over de informatie-uitwisseling tussen de ouders, zodat de man weet hoe het met [minderjarige] gaat en zodoende beter bij haar kan aansluiten. De vrouw moet met hulp komen tot een werkwijze die voor haar is uit te voeren en de man moet pedagogische adviezen krijgen. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw zich, in het belang van [minderjarige] , tot [zorgaanbieder 1] moet wenden om zich door die organisatie te laten begeleiden. De man dient zich voor hulp en begeleiding tot het OKT te wenden.



4.10.
De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding om de behandeling van de verzoeken inzake omgang en de informatieregeling pro forma aan te houden voor de duur van vijf maanden, op welke datum partijen zich uiterlijk dienen uit te laten over de gewenste verdere voortgang van de procedure.



4.11
Op de zitting kwam ter sprake dat de man een aantal alimentatietermijnen niet zou hebben betaald, hetgeen door hem is betwist. De man wordt er nogmaals op gewezen dat hij te allen tijde de op 25 april 2023 opgelegde alimentatieverplichting tijdig dient na te komen.



4.12.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.







5De beslissing


De rechtbank:



5.1.
wijst het verzoek van de man tot gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige] af;


5.2.

benoemt met ingang van heden voor de duur van 5 maanden tot bijzondere curator over [minderjarige] :
mr. M.R.P. Hoppenbrouwers, Van der Meij Advocaten, [adres] , [telefoonnummer 1] / [telefoonnummer 2] , [e-mailadres 1] , [e-mailadres 2]
teneinde voornoemde minderjarige te vertegenwoordigen als bedoeld in artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek;

- verzoekt de bijzondere curator uiterlijk op 3 augustus 2026 of zoveel eerder als mogelijk is schriftelijk verslag te doen aan de rechtbank (onder gelijktijdige verstrekking aan partijen) van de bevindingen en daarbij een standpunt over de in rechtsoverweging 4.5. geformuleerde vragen;
- gelast de griffie van deze rechtbank om een afschrift van deze beschikking en de processtukken van het dossiers met zaaknummers C/13/718204 / FA RK 22-3317 en C/13/718210 / FA RK 22-3323 aan de bijzondere curator ter beschikking te stellen;
- bepaalt dat beide ouders zich ter begeleiding aanmelding bij hulpverlening, waarbij de vrouw zich dient aan te melden bij [zorgaanbieder 1] en de man bij het [zorgaanbieder 2];
- verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
- bepaalt dat de behandeling van de verzoeken inzake omgang en inzake een informatieregeling pro forma wordt voortgezet op 3 augustus 2026, waarbij van partijen tijdig daarvoor informatie wordt verwacht waaronder verslagen van hulpverlening en bericht over de gewenste voortgang van de zaak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. F.P. Lauwaars, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. W.C. van Lavieren, griffier, op 20 februari 2026.




Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).Het beroep moet worden ingesteld:- door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;- door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.