Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:4888

2026-04-23 Strafrecht; Europees strafrecht 1304256926
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-04-23
Publicatiedatum
2026-05-21
Rechtsgebied
Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure
Eerste en enige aanleg
Zaaknummer
1304256926
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Pools executie-EAB (EAB III). Grondslag en inhoud van het EAB: De rechtbank stelt vast dat de procedure m.b.t het feit genoemd in onderdeel e) van EAB I en de procedure m.b.t. het derde feit genoemd in onderdeel e) van EAB III betrekking hebben op hetzelfde strafbare feit, maar dat geen sprake is van dubbele bestraffing. Artikel 12 OLW: de rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het hoger beroep en het aan hem was om daaromtrent navraag te doen. Het toestaan van de overlevering levert dan ook geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon op. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot het arrest heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Overlevering toegestaan.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.072 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER



Parketnummer: 13/042569-26 (EAB III)




Datum uitspraak: 23 april 2026







UITSPRAAK





op de vordering van 11 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 30 oktober 2025 door the Regional Court in Warsaw, VIII Criminal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:




[opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] (Polen),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
gedetineerd in het [P.I.] ,



hierna ‘de opgeëiste persoon’.






1Procesgang



Zitting 24 februari 2026

De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 24 februari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. Römer, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.



De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.



Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.




Tussenuitspraak 10 maart 2026


In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en gelijktijdig geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit nadere vragen te stellen omtrent de grondslag van het EAB en de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon zoals bedoeld in artikel 12 OLW.

Zitting 17 maart 2026

Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman,
mr. S.J. Römer en door een tolk in de Poolse taal.



De rechtbank heeft de behandeling van de zaak voor bepaalde tijd aangehouden, omdat de door de Poolse autoriteiten verstrekte antwoorden op de in de tussenuitspraak gestelde vragen nog niet waren vertaald.




Zitting 9 april 2026

Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, die waarneemt voor zijn kantoorgenoot mr. S.J. Römer, en door een tolk in de Poolse taal.



De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.





2Identiteit van de opgeëiste persoon


Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.





3Tussenuitspraak van 10 maart 2026


In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank al geoordeeld over de toetsing aan artikel 11 OLW in combinatie met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU en over de Poolse detentieomstandigheden. Die overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.





4Grondslag en inhoud van het EAB



Inleiding




De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overweging in paragraaf 3 van de tussenuitspraak van 10 maart 2026. De overwegingen in deze paragraaf moeten hier eveneens als herhaald en ingelast worden beschouwd.



In voornoemde tussenuitspraak heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat er overlap lijkt te bestaan tussen het feit in onderdeel e) van EAB I en het derde feit in onderdeel e) van EAB III. Naar aanleiding hiervan heeft de rechtbank in de tussenuitspraak van 10 maart 2026 de volgende vragen geformuleerd:






1. Hoe verhouden enerzijds de procedure met kenmerk IV K 1464/23 en het bijbehorende feit in onderdeel e) van EAB I, en anderzijds de procedure met kenmerk III K 1350/21 en het derde feit in onderdeel e) van EAB III zich tot elkaar? Zien deze procedures op hetzelfde strafbare feit van 26 augustus 2021?





2. Indien het om hetzelfde strafbare feit gaat, hoe verhouden de in EAB I en in EAB III opgelegde gevangenisstraffen zich tot elkaar? Is er sprake van een dubbele bestraffing voor hetzelfde feit?





3. Indien het niet gaat om hetzelfde strafbare feit, hoe verhoudt de vernietiging van het vonnis in de procedure met kenmerk III K 1350/21 waar in de aanvullende informatie van 17 februari 2026 over wordt gesproken (‘the reversal of the judgment in the case under the reference number III K 1350/21 in relation to one offence that was separated to the individual case ref. no IV K 1464/23’) zich dan tot het derde feit in onderdeel e) van EAB III.




Het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) heeft deze vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, die op 16 maart 2026, voor zover relevant, de volgende aanvullende informatie heeft verstrekt:



“On 12th August, 2021 this Court was supplied by the indictment act against the convict and he was alleged to commit the following offences:



- against Art. 62 item 2 of Law upon counteraction against drug addiction committed on 2nd December, 2020 at [straat] in Warsaw,


- against Art. 62 item 2 of Law upon counteraction against drug addiction committed on 2nd December, 2020 such as possessing in the vehicle BMW. The instruction with the indictment act was received by him on 20th August, 2021.




Then, on 18th July, 2022, the indictment act was submitted at the Court against the convict and he was alleged to commit the offence against Art. 62 item 1 of Law upon counteraction against drug addiction committed on 26th August, 2021; the indictment act with the instruction was received by the convict in person on 27th July, 2022.





These cases were combined into one procedure and the case gained the reference number Ill K 1350/21. On 21st June, 2023, the sentence was issued and the convict was brought guilty to commit the alleged offences, and the Court admitted that two offences committed on 2nd December, 2020 in two different places constituted one offence against Art. 62 item 2 of Law upon counteraction against drug addiction. The convict sentenced by this judgement was also brought guilty to commit the offence on 26th August, 2021. Considering the submitted appeal by the prosecutor the appeal court - the Regional Court in Warsaw, by virtue of the judgement of 12th October, 2023, case reference number X Ka 867 /23, reversed the sentence regarding the offence committed on 26th. August, 2021 and it passed the case for its re-examination, and regarding the offence of 2nd December, 2020 it kept the decision enforced. With regard to the reversal in relation to the offence of 26th August, 2021, the case was registered under a new case reference number - IV K 1464/23 and on 22nd February, 2024, the sentence was issued by which the convict was brought guilty to commit the offence of 26th August, 2021 against Art. 62 item 1 of Law upon counteraction against drug addiction.





Summing up, the offence under the case ref. no Ill K 1350/21 was committed on 2nd December, 2020 against Art. 62 item 2 of Law upon counteraction against drug addiction, and the offence under the case ref. no IV K 1464/23 was committed on 26th August, 2021 against Art. 62 item 1 of Law upon counteraction against drug addiction.(…)”




In aanvulling hierop heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 3 april 2026, voor zover relevant, de volgende informatie verstrekt:




“We wish to inform again that regarding the case ref. no Ill K 1350/21, VIII Kap 249/24 the person was sentenced for the offence committed on 2nd December, 2020.





And regarding the case ref. no IV K 1464/23 VIII Kop 149/25 the person was sentenced for the offence committed on 26th August, 2021, it means a few months after the offence of the case ref. no Ill K 1350/21. It's true, in the judgement in the case ref. no IV K 1464/23 there occurred the improper calculation of the detention period that relates to the case Ill K 1350/21 that should have been executed. Regarding this issue this Court shall prepare a supplementary content of the judgements in both cases, and - at the same time - this information shall be delivered to the Regional Court [ Sąd Okręgowy ] in order to make a modification of the EAW.(…)”





Standpunt van de raadsman




De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de aanvullende informatie van 3 april 2026 niet duidelijk volgt wat het strafrestant is. De stukken zijn daarom niet genoegzaam. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om hierover nadere informatie op te vragen.




Standpunt van de officier van justitie




De officier van justitie heeft verwezen naar het ingenomen standpunt op de zitting op
24 februari 2026. Toen is aangevoerd dat naar aanleiding van het hoger beroep tegen het vonnis met kenmerk III K 1350/21 het feit van 26 augustus 2021 is terugverwezen naar de rechtbank in eerste aanleg. Vervolgens is de opgeëiste persoon voor dit feit veroordeeld in de zaak met kenmerk IV K 1464/23. Dit vormt geen beletsel voor de overlevering. Daarnaast heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er een gevangenisstraf van meer dan vier maanden is opgelegd en dat de vraag naar het strafrestant een executie-aangelegenheid is die in Polen aan de orde dient te komen.




Oordeel van de rechtbank




Het EAB vermeldt in onderdeel b) een vonnis van the District Court for Warsawa-Wola in Warsaw van 21 juni 2023 met kenmerk III K 1350/21, gewijzigd met het arrest van the Regional Court in Warsaw van 12 oktober 2023 met kenmerk X Ka 867/23.



De rechtbank stelt vast dat de procedure met kenmerk IV K 1464/23 en het bijbehorende feit in onderdeel e) van EAB I en de procedure met kenmerk III K 1350/21 en het derde feit in onderdeel e) van EAB III betrekking hebben op hetzelfde strafbare feit van 26 augustus 2021, maar dat geen sprake is van dubbele bestraffing.



Uit de aanvullende informatie van 16 maart 2026 leidt de rechtbank namelijk af dat bij het arrest met kenmerk X Ka 867/23 het vonnis met kenmerk III 1350/21 is vernietigd met betrekking tot het feit van 26 augustus 2021 en in stand is gelaten ten aanzien van het eerste en tweede feit in onderdeel e) van EAB III. De terugverwezen zaak met betrekking tot het feit van 26 augustus 2021 is vervolgens geregistreerd onder een nieuw zaaknummer: IV K 1464/23. Dit laatstgenoemde kenmerk betreft de grondslag van EAB I zoals vermeld in onderdeel b) van EAB I.



Voor de resterende gevangenisstraf geldt het volgende. Het onderhavige overleveringsverzoek ziet op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en twee maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest met kenmerk X Ka 867/23. Het berekenen van het strafrestant een executie-aangelegenheid. Nu niet is gebleken dat geen strafrestant meer resteert, is voor de beoordeling van het overleveringsverzoek alleen relevant of minimaal vier maanden gevangenisstraf is opgelegd. Daarvan is in dit geval sprake. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en ziet geen aanleiding de uitvaardigende justitiële autoriteit om nadere informatie te vragen. De rechtbank wijst het aanhoudingsverzoek van de raadsman af.





4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW



Inleiding




De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overweging in paragraaf 4 van de tussenuitspraak van 10 maart 2026. De overwegingen in deze paragraaf moeten hier eveneens als herhaald en ingelast worden beschouwd.



Het IRC heeft de door de rechtbank in de tussenuitspraak van 10 maart 2026 geformuleerde vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, die op 16 maart 2026, voor zover relevant, de volgende aanvullende informatie heeft verstrekt:



“Regarding the offence of 26th August, 2021 he was interrogated as a suspect on 28th August, 2021 and he received the instruction about his rights and obligations, including any change of his residence on that very day. It's true the Court failed to provide the date when the convict had been interrogated in its letters and when he had received the instruction. It only showed the instructions that he had received regarding the offence of 2nd December, 2020.

Regarding the offence under the case ref. no III K 1350/21 the appeal was submitted by the Prosecutor and the counsel of defence of another convict. The convict [opgeëiste persoon] submitted to prepare a justification in written of the judgement but despite being duly called to supplement the motion regarding the formal shortages, he failed to do it in due time. The regulation regarding the shortages was receipted by him in person on 25th July, 2023.





Considering the information about the instructions of the court proceedings were received by him on 20th August, 2021 it relates to the offence of 2nd December, 2020 that he had received still before this case was supplemented by the offence of 26th August, 2021 that he receipted the instruction on 27th July, 2022.





The convict was not represented in the course of the entire court proceedings by any counsel of defence of his own choice or appointed ex officio, either; the convict did not appoint any counsel”



In aanvulling hierop heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 3 april 2026, voor zover relevant, de volgende informatie verstrekt:




“(...)Regarding the instructions that the convict received in the course of the court proceedings, they related to the entire court proceedings, the instructions related also to the judgement issuing.”




Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon is niet aanwezig geweest bij de behandeling in hoger beroep dat is ingesteld door de Poolse officier van justitie. Op basis van de stukken kan niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk op de hoogte was van de zittingsdatum.




Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is, maar dat de rechtbank kan afzien van toepassing daarvan in verband met de gegeven adresinstructie. Uit de aanvullende informatie van 17 en 19 februari 2026 en 17 maart 2026 blijkt dat de adresinstructies die de opgeëiste persoon heeft ontvangen golden voor “the whole court proceedings”. Artikel 12 OLW staat niet aan overlevering in de weg.




Oordeel van de rechtbank




Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.
De rechtbank stelt op basis van de stukken vast dat het arrest van the Regional Court in Warsaw van 12 oktober 2023 met kenmerk X Ka 867/23 dient te worden getoetst aan artikel 12 OLW.



De rechtbank stelt allereerst vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest (met kenmerk X Ka 867/23) terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.



Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.



Zoals de rechtbank reeds heeft overwogen in de tussenuitspraak van 10 maart 2026 blijkt uit de aanvullende informatie van 17 en 19 februari 2026 dat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft ontvangen op 4 december 2020 en 20 augustus 2021 in de procedure met kenmerk III K 1350/21 en dat deze adresinstructies golden voor “the whole court proceedings”.



De rechtbank stelt aan de hand van de aanvullende informatie van 16 maart 2026 vast dat de opgeëiste persoon voor het strafbare feit van 26 augustus 2021 als verdachte is verhoord op 28 augustus 2021. De opgeëiste persoon heeft tijdens dat verhoor opnieuw een adresinstructie ontvangen, waarbij hij is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven. In de aanvullende informatie van 3 april 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit nogmaals bevestigd dat alle adresinstructies die de opgeëiste persoon heeft ontvangen, golden voor “the entire court proceedings”.



Uit de aanvullende informatie van 17 februari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon tijdens de procedure in eerste aanleg die heeft geleid tot het vonnis met kenmerk III K 1350/21 in persoon aanwezig geweest bij de zittingen en dat hij gedurende het strafproces geen ander adres heeft opgegeven aan de Poolse autoriteiten voor officiële correspondentie. De rechtbank leidt uit de aanvullende informatie van 16 maart 2026 af dat door de Poolse officier van justitie en de advocaat van een andere veroordeelde beroep is ingesteld tegen het vonnis met kenmerk III K 1350/21. Voornoemde aanvullende informatie vermeldt tevens dat de opgeëiste persoon vervolgens een verzoek heeft ingediend tot het opstellen van een schriftelijke motivering. Ondanks dat hij in de gelegenheid is gesteld om de formele gebreken in dit verzoek aan te vullen (“to supplement the motion regarding the formal shortages”), heeft hij dit niet binnen de gestelde termijn gedaan. De kennisgeving tot herstel van deze gebreken is op 25 juli 2023 in persoon aan de opgeëiste persoon uitgereikt.



Voornoemde omstandigheden maken dat de rechtbank van oordeel is dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het hoger beroep en het aan hem was om daaromtrent navraag te doen. Het toestaan van de overlevering levert dan ook geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon op. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot het arrest heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.



Artikel 12 OLW staat daarom niet aan de overlevering in de weg. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.





5Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW


De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemd lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:




illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen




Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.



Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.





6Slotsom


De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.





7Toepasselijke wetsbepalingen


De artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.





8Beslissing



STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Warsaw Regional Court (Sąd Okręgowy w Warszawie), VIII Penal Division, Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.





Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.M. de Bie, voorzitter,
mrs. L. Sanders en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp en E. Mulder, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 23 april 2026.







































Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.




Zie artikel 23 OLW.


Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.


ECLI:NL:RBAMS:2026:2642.


Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.