Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:4857

2026-05-11 Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht 11881280 WM VERZ 25-16487
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-05-11
Publicatiedatum
2026-05-20
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
11881280 WM VERZ 25-16487
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Gedraging: negeren geslotenverklaring op de Sloterweg. Gemachtigde heeft namens betrokkene een kopie van een ontheffing RVV en een werkbon overgelegd, waaruit blijkt dat betrokkene ter plaatse de geslotenverklaring heeft genegeerd in het kader van de werkzaamheden waarvoor de ontheffing is afgegeven. Nu gemachtigde in de administratieve beroepsfase al de relevante stukken had kunnen overleggen, maar dit pas in de kantonrechtersfase heeft gedaan, ziet de kantonrechter aanleiding alleen proceskostenvergoeding toe te kennen voor de proceshandelingen verricht in de administratieve beroepsfase en niet voor de kantonrechterfase. Als gemachtigde de stukken al in de administratieve beroepsfase had overgelegd, dan was de stap naar de kantonrechter niet nodig geweest. De kosten voor het beroep heeft betrokkene dan ook niet redelijkerwijs moeten maken (artikel 13 Wahv).

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.035 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM


Afdeling privaatrecht



kantonrechter: mr. A.J. Wesdorp
zaaknummer: 11881280 WM VERZ 25-16487
beslissing van: 11 mei 2026
func.: 43837



Afschrift van de aantekening in het proces-verbaal van de openbare zitting van 11 mei 2026 inzake het beroep ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (verder: de Wahv) van:


Leaseplan Nederland N.V.


(lessee: [betrokkene] )



[adres 1]




[postcode] [plaats]

verder: betrokkene
namens wie beroep is ingesteld door:

Appjection B.V.


mr. M. Lagas

verder: gemachtigde




welk beroep is ingesteld bij verzoekschrift, ingekomen bij de CVOM te Utrecht op 25 februari 2025 en is gericht tegen de beslissing van 15 januari 2025 van de officier van justitie (verder: verweerder) ten aanzien van betrokkene.


CJIB-nummer: [nummer 1]

VERLOOP VAN DE PROCEDURE


Aan betrokkene is bij beschikking van 9 oktober 2024 (verder: de inleidende beschikking) een sanctie in het kader van de Wahv opgelegd. Namens betrokkene heeft gemachtigde tegen de inleidende beschikking beroep ingesteld bij verweerder. Verweerder heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft gemachtigde vervolgens beroep ingesteld bij de kantonrechter. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende gegevens overgelegd. Het beroep is behandeld op de openbare zitting van 11 mei 2026. Partijen zijn voor deze zitting opgeroepen.



Namens gemachtigde is mevrouw [gemachtigde] bij de zitting verschenen.



Ter zitting heeft verweerder gereageerd op de inhoud van het beroepschrift. Verweerder heeft geconcludeerd dat het beroep gedeeltelijk gegrond is.




GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Aan betrokkene is bij de inleidende beschikking wegens een verkeersgedraging een administratieve sanctie opgelegd ingevolge de Wahv. Betrokkene wordt verweten dat met het motorvoertuig met kenteken [kenteken] , waarvoor betrokkene als kentekenhouder aansprakelijk is, een weg is gebruikt in strijd met een geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen (bord C12). Deze gedraging is geconstateerd op 27 september 2024 om 09:36 uur op de Sloterweg-Oost te Amsterdam.

2. Het beroep is tijdig ingesteld.
3. Gemachtigde voert tegen de beslissing van verweerder aan dat betrokkene stelt twee boetes te hebben gekregen voor een soortgelijke overtreding op dezelfde pleeglocatie. De straat komt betrokkene niet bekend voor en als hij daar al heeft gereden, dan was het voor zijn werk. In het kader van zijn werkzaamheden is betrokkene in het bezit van een ontheffing RVV, afgegeven door Alliander N.V. Er is een kopie van deze ontheffing in het geding gebracht, alsmede een kopie van de werkzaamheden van betrokkene. Daar de boete is opgelegd wegens één van de gedragingen uit het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV) of de Wegenverkeerswet (WVW) waarvan betrokkene is ontheven, vervalt de rechtsgrond voor het opleggen van een sanctie.
Daarnaast voert gemachtigde aan dat de bebording ter plaatse ten tijde van de gedraging niet duidelijk was. Dat blijkt ook wel uit het gegeven dat de gemeente Amsterdam vanaf 11 oktober 2024 extra verkeersborden heeft geplaatst. Ook gelet hierop kan de sanctie niet in stand blijven.

4. Op de zitting heeft gemachtigde het beroepschrift nader toegelicht. Gemachtigde stelt dat namens betrokkene een geldige ontheffing RVV in het geding is gebracht, alsmede een bewijs van de werkzaamheden ter plaatse waarvoor de ontheffing is afgegeven. Gelet hierop verzoekt gemachtigde de kantonrechter om de inleidende beschikking te vernietigen, het beroep gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

5. Ter zitting stelt verweerder zich op het standpunt dat de bebording ten tijde van de gedraging conform de wet- en regelgeving was geplaatst. Dat later extra bebording is geplaatst maakt dit niet anders.


Verder acht verweerder de in het geding gebrachte ontheffing onvoldoende leesbaar, waardoor zij niet kan toetsen of is voldaan aan de voorwaarden verbonden aan de ontheffing. Verweerder verzoekt de kantonrechter om de boete in stand te laten.



Wel is verweerder van mening dat sprake is van schending van de redelijke termijn van berechting en daarom dient de inleidende beschikking met 25 procent gematigd te worden.


6. Het volgende wordt overwogen.

7. Uit het zich in het dossier bevindende zaakoverzicht blijkt dat de overtreding automatisch is geconstateerd en op een digitale foto is vastgelegd. De camera is geplaatst na het bord C12 met onderbord ‘uitgezonderd lijnbussen’. De camera heeft vastgelegd dat het voornoemde voertuig kwam uit de westzuidwestelijke richting van de Louis Armstrongstraat en reed in oostnoordoostelijke richting naar de Johan Huizingalaan. De camera heeft vastgelegd dat de bestuurder van het voertuig het bord C12 negeerde en de geslotenverklaring in reed. De juiste plaatsing van de verkeersborden wordt maandelijks geschouwd door een boa.

8. In het dossier bevinden zich twee schouwrapporten van de bebording, daterend van 17 september 2024 en 13 oktober 2024 en hieruit blijkt dat de bebording op beide momenten ter plaatse aanwezig was en conform de wet en regelgeving was geplaatst.
Dat met ingang van 11 oktober 2024 de bebording ter plaatse is aangevuld met een bord waarbij de verkeersdeelnemers worden gewezen op de aanwezigheid van cameratoezicht, maakt naar het oordeel van de kantonrechter niet dat de bebording vóór die aanpassing onduidelijk was. Dit verweer treft geen doel.

9. Gemachtigde heeft een ontheffing op naam van [betrokkene] in het geding gebracht. Deze ministeriële vrijstelling van Alliander N.V. ziet ook op het bord C12.
Van deze ontheffing mag alleen gebruik worden gemaakt voor zover dit voor de uitvoering van de werkzaamheden waarvoor de vrijstelling is afgegeven noodzakelijk is. Nu namens betrokkene een printscreen van een werkbon is ingebracht, waarop is te zien dat [betrokkene] op 27 september 2024 van een klus op de Charlie Parkerstraat [nummer 2] te Amsterdam (nabij de Sloterweg) naar een klus op de Anthony Fokkerweg te Amsterdam moest rijden ten tijde van de geconstateerde gedraging, is naar de overtuiging van de kantonrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat betrokkene daar reed in het kader van de werkzaamheden waarvoor de ontheffing is afgegeven. Gelet op het voorgaande is de sanctie ten onrechte aan betrokkene opgelegd en wordt het beroep derhalve gegrond verklaard.



Ten aanzien van de proceskostenvergoeding:

10. Namens betrokkene is door gemachtigde om een vergoeding van de proceskosten verzocht. Nu de inleidende beschikking wordt vernietigd, is er aanleiding een proceskostenvergoeding toe te kennen.

11. Nu namens betrokkene de stukken dat betrokkene ter plaatse reed uit hoofde van de werkzaamheden waarvoor een ministeriële vrijstelling is verleend al in de administratieve beroepsfase naar voren had kunnen worden gebracht, maar dit is nagelaten, zal de kantonrechter alleen een proceskostenvergoeding toekennen voor de administratieve beroepsfase, omdat in die fase de officier van justitie na het zien van de ontheffing RVV en de werkbon het beroep al gegrond had kunnen verklaren. Dan was de stap naar de kantonrechter niet nodig geweest. De kosten voor het beroep heeft betrokkene dan ook niet redelijkerwijs moeten maken (artikel 13 Wahv).

12. Gelet op het voorgaande wordt de volgende door gemachtigde verrichte proceshandeling vergoed: - het indienen van een administratief beroep bij verweerder.


Volgens de bijlage bij het Bpb dient aan deze proceshandeling 1 punt te worden toegekend. De waarde van 1 punt bedraagt met ingang van 1 januari 2026 in de fase van het bezwaar en administratief beroep € 666,00.


13. In navolging van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1843, zal de kantonrechter voor het schriftelijk aanvullen van de beroepsgronden in de administratieve beroepsfase geen proceskostenvergoeding toekennen. In het voornoemde arrest heeft het hof overwogen dat in de bijlage van het Besluit proceskosten bestuursrecht de proceshandelingen zijn opgesomd waarvoor een proceskostenvergoeding kan worden toegekend en het indienen van een geschrift met nadere gronden dat in de plaats komt van een hoorzitting is daarin niet als proceshandeling genoemd. Er bestaat ook geen grond om op de voet van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht hiervoor een vergoeding toe te kennen nu het indienen van nadere gronden in een extra schriftelijke ronde in de kern niet anders is dan het formuleren van de beroepsgronden in een beroepschrift, waarvoor wel een vergoeding kan worden toegekend.

14. Gelet op het voorgaande wordt in deze zaak voor de verrichte proceshandeling in de administratieve beroepsfase 1 punt ad € 666,00 toegekend. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast, en ingevolge artikel 13a lid 2 Wahv wordt de proceskostenvergoeding vermenigvuldigd met 0,25 (vgl. de uitspraak van de Hoge Raad van 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:985). Aldus zal de kantonrechter verweerder veroordelen in de kosten tot een bedrag van
€ 83,25 ((1x666) x 0,5 (weging) x 0,25 (Wahv factor)).

15. Daarom wordt beslist als volg.



BESLISSING


De kantonrechter:



verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden beslissing, alsmede de inleidende beschikking;


bepaalt dat het als zekerheid betaalde bedrag aan betrokkene wordt gerestitueerd;



- kent aan betrokkene ten laste van verweerder een kostenvergoeding toe van € 83,25.



De griffier De kantonrechter






Datum verzending









Bent u het met deze beslissing niet eens, dan kunt u binnen zes weken na de hierboven vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen indien de als gevolg van deze beslissing te betalen administratieve sanctie meer dan € 110,00 bedraagt. Het beroepschrift dient schriftelijk (niet per e-mail) te worden ingediend bij rechtbank Amsterdam, afdeling privaatrecht, team kanton, postbus 70515, 1007 KM, Amsterdam en dient door degene die het beroep instelt of een gemachtigde te worden ondertekend. De procedure bij het gerechtshof verloopt schriftelijk, tenzij in het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling wordt gevraagd.