Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:3644

2026-04-09 Strafrecht; Europees strafrecht 13-011627-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-04-09
Publicatiedatum
2026-04-13
Rechtsgebied
Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure
Eerste en enige aanleg
Zaaknummer
13-011627-26
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vervolgings-EAB uit België. Geen beroep op terugkeergarantie. Genoegzaamheidsverweer verworpen. Belgische detentieomstandigheden: krantenartikelen en aangehaalde uitspraak onderstrepen het algemeen gevaar. Middels de verstrekte detentiegarantie is dit gevaar voor de opgeeiste persoon weggenomen detentiegarantie afdoende. Overlevering toegestaan.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.903 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER



Parketnummer: 13-011627-26




Datum uitspraak: 9 april 2026







UITSPRAAK





op de vordering van 27 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 januari 2026 door de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:




[de opgeëiste persoon] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
gedetineerd in [detentie-instelling] ,



hierna ‘de opgeëiste persoon’.






1Procesgang


De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 26 maart 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Schiphol.



De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.



Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.







2Identiteit van de opgeëiste persoon


Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.






3Grondslag en inhoud van het EAB


Het EAB in samenhang gelezen met het A-formulier vermeldt een aanhoudingsbevel bij verstek van 12 januari 2026, uitgevaardigd door de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde.



De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan, naar Belgisch recht, strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.



3.1

Genoegzaamheid




Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB ongenoegzaam is. Het EAB vermeldt voor de vermeende feiten meerdere aanvangstijdstippen, zodat niet duidelijk is wat de pleegperiode is. Dit is van belang in verband met het specialiteitsbeginsel. De behandeling van de zaak moet daarom worden aangehouden, om de uitvaardigende justitiële autoriteit hierover om opheldering te vragen.




Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. De pleegperiode en pleegplaats zijn omschreven, net als de feiten en de rol van de opgeëiste persoon daarbij, zodat het voor de opgeëiste persoon voldoende duidelijk is voor welke feiten de overlevering wordt gevraagd. Bovendien betreft het een vervolgings-EAB in een nog lopend onderzoek, zodat de verdenking nog niet volledig uitgekristalliseerd hoeft te zijn.




Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.



Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een genoegzaam EAB. Het EAB bevat een omschrijving van de feiten waaruit ook de pleegplaats, pleegdatum en de rol van de opgeëiste persoon bij de feiten volgen. Daarbij komt dat sprake is van een vervolgings-EAB, waarbij de overlevering is gevraagd ten behoeve van een nog lopend strafrechtelijk onderzoek. De precieze gang van zaken met betrekking tot de feiten waarvan de opgeëiste persoon in België wordt verdacht, zal later in België moeten blijken. Naar het oordeel van de rechtbank is het specialiteitsbeginsel dan ook voldoende gewaarborgd.







4Strafbaarheid



Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW




De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:


- deelneming aan een criminele organisatie;


- witwassen van opbrengsten van misdrijven;

- informaticacriminaliteit;

- oplichting.




Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.



Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.






5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW


De opgeëiste persoon is een Nederlander, maar heeft geen beroep gedaan op artikel 6 OLW. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of de overlevering afhankelijk moet worden gemaakt van de in artikel 6, eerste lid, OLW bedoelde garantie.






6Artikel 11 OLW: Belgische detentieomstandigheden
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen.


De rechtbank stelt vast dat bij brief van 11 februari 2026, afkomstig van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele Rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken – Centrale autoriteit, de volgende detentiegarantie is gegeven voor de opgeëiste persoon:




“1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?



[de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Dendermonde indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.





2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?


België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.





In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:


- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte.


Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.


- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.


o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm


o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.


- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.


- Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.






3Sanitaire en hygiëne omstandigheden
Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”



Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich – onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 10 maart 2026 en krantenartikelen – op het standpunt gesteld dat overlevering van de opgeëiste persoon tot een schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) zal leiden. Gelet op de overbevolking, waarvoor de rechtbank een algemeen gevaar van schending van grondrechten heeft aangenomen, zijn er gegronde redenen om te twijfelen of de verstrekte garantie wel kan worden nagekomen. Ook is niet nader gespecificeerd of de opgeëiste persoon na overlevering in de nieuwe of de oude gevangenis in Dendermonde zal worden gedetineerd, zodat onduidelijk is op welke detentie-instelling de garantie ziet. De behandeling van de zaak moet daarom worden aangehouden om hierover nadere vragen te stellen aan de Belgische autoriteiten.




Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat. De nieuwsberichten waarnaar door de raadsman is verwezen onderstrepen het aangenomen algemeen gevaar op schending van grondrechten in de Belgische gevangenissen. Het algemeen gevaar wordt voor de opgeëiste persoon echter weggenomen middels de verstrekte detentiegarantie. Bovendien zijn ten aanzien van de detentie-instelling in Dendermonde geen berichten waaruit zou volgen dat niet aan de verstrekte detentiegarantie zou kunnen worden voldaan. Door de officier van justitie is tot slot gewezen op de uitspraak van deze rechtbank van 4 maart 2026 waarbij de overlevering is toegestaan, waarbij niet nader was gespecificeerd of de opgeëiste persoon na het toestaan van de overlevering in de gevangenis in oud of nieuw Dendermonde zou worden gedetineerd, omdat de detentiegarantie geldt ongeacht of de opgeëiste persoon in oud of nieuw Dendermonde terecht zal komen.




Het oordeel van de rechtbank

De voormelde detentiegarantie is niet afkomstig van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit. Daarom dient de rechtbank de geboden zekerheid van de garantie te toetsen aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt.De krantenartikelen waarop door de raadsman is gewezen vormen naar het oordeel van de rechtbank een bevestiging van het algemene gevaar. De rechtbank overweegt verder dat deze zaak verschilt van de zaak die door de raadsman is aangehaald. In de door de raadsman aangehaalde zaak beschikte de rechtbank over gegevens waaruit bleek dat in de betreffende detentie-instelling (Mechelen) sprake was van een zeer grote mate van overbevolking door een bezettingsgraad van 185,7%. De zorgen daarover werden bovendien onderschreven door destijds recente uitlatingen van de gevangenisdirecteur van de betreffende detentie-instelling. De rechtbank beschikt niet over dergelijke gegevens ten aanzien van de detentie-instellingen (oud en nieuw) in Dendermonde, waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd. Er zijn kortom geen objectieve gegevens op grond waarvan aan de uitvoerbaarheid van de verstrekte garantie kan worden getwijfeld.



Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat dat hij aan een onmenselijke of vernederende behandeling wordt onderworpen, omdat het gevaar daarvan met de garantie neergelegd in de brief van 11 februari 2026 voor hem is weggenomen. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman en ziet geen aanleiding om nadere vragen te stellen.






7Slotsom


De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.






8Toepasselijke wetsartikelen


De artikelen 2, 5 en 7 OLW.






9Beslissing



STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, België, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.



Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.M. de Bie voorzitter,
mrs. E. van den Brink en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland en E. Mulder, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 9 april 2026.




































Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.




Zie artikel 23 OLW.


Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.


Zie onderdeel e) van het EAB.


ECLI:NL:RBAMS:2022:7536.


ECLI:NL:RBAMS:2026:2639.


ECLI:NL:RBAMS:2026:2321.


Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.