Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:3299

2026-04-02 Strafrecht; Internationaal strafrecht 13-270733-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-04-02
Publicatiedatum
2026-04-02
Rechtsgebied
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Procedure
Eerste en enige aanleg
Zaaknummer
13-270733-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vervolgings-EAB uit Polen. Tussenuitspraak. Art 11 OLW: door de verstekte detentiegarantie wordt het reeds vasgestelde algemene gevaar voor de opgeëiste persoon niet weggenomen. Redelijke termijn gesteld van 30 dagen.

Citeert (7)

Geciteerd door (1)

Volledige tekst

Volledige tekst (16.970 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER



Parketnummer: 13-270733-25




Datum uitspraak: 2 april 2026







TUSSEN-


UITSPRAAK





op de vordering van 22 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 10 september 2025 door de Sąd Okręgowy w Poznaniu [Regional Court in Poznań], Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:




[de opgeëiste persoon] ,

geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1962,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] ,




hierna ‘de opgeëiste persoon’.






1Procesgang


De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 19 maart 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.



De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.



Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen onder gelijktijdige schorsing van de gevangenhouding tot aan de uitspraak.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon




Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.





3Grondslag en inhoud van het EAB


Het EAB vermeldt een decision of the District Court in Grodzisk Wielkopolski van 25 oktober 2024 met kenmerk II Kp 171/24.



De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.





4Strafbaarheid


De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.



De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.



De feiten leveren naar Nederlands recht op:




diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd;





diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.






5Artikel 11 OLW


5.1

Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU



De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.



Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.



5.2

Artikel 11 OLW: Poolse detentieomstandigheden




Inleiding

Nu de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd in verband met een strafrechtelijke vervolging en de opgeëiste persoon (nog) niet is veroordeeld, zal hij na overlevering aan Polen aldaar in voorlopige hechtenis verblijven, oftewel in het zogenoemde remand regime.



De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Polen terechtkomen. Het kernpunt is dat in het remand regime slechts drie vierkante meter persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal drieëntwintig uren per dag op zijn cel doorbrengt. De rechtbank verwijst in dit kader naar haar tussenuitspraken in soortgelijke zaken van 5 juni 2024 en 6 juni 2024.



De vaststelling van een algemeen gevaar van schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het remand regime, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden. Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het remand regime in Polen waar hij zal worden gedetineerd.



Het Internationaal Rechtshulp Centrum (hierna: IRC) heeft op 27 januari 2026 vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over de detentieomstandigheden.



Bij bericht van 2 februari 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende, voor zover relevante, informatie verstrekt:




“1. At present, it is not possible to specify the particular remand centre where [de opgeëiste persoon] will be detained, however, it is usually the remand centre closest to the court that will hear the case of the remanded person.


2. According to Polish law, the floor space per inmate in a cell shall be no less than 3 m2.


(…)


3. lt is not possible to guarantee that [de opgeëiste persoon] will be allowed to spend at least two hours outside his cell.


(…)


4. We cannot specify the exact amount of time that [de opgeëiste persoon] could spend outside his cell under normal circumstances if he took advantage of all the opportunities to leave his cell that were available to him.


(…)


Furthermore, we would also like to emphasize that the Republic of Poland meets all standards applicable to European Union countries in terms of prison conditions and does not violate human rights, therefore there is no risk that the requested person will be subjected to inhuman or degrading treatment - penitentiary units are regularly inspected by designated judges who check whether the regulations conceding the enforcement of prison sentence’s and human rights are observed in a given unit.”




Het IRC heeft vervolgens op 12 februari 2026 nadere vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.



Bij bericht van 18 februari 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende, voor zover relevante, informatie verstrekt:




“1) Due to the fact that the European Arrest Warrant for [de opgeëiste persoon] was issued in connection with the decision of the District Court in Grodzisk Wielkopolski of 25 October 2024, at the request of the District Public Prosecutor’s Office in Grodzisk Wielkopolski, [de opgeëiste persoon] will most likely be imprisoned in the Penitentiary in Wronki, External Division in Szamotuly, which is the penitentiary unit competent for persons in pre-trial detention at the disposal of the District Public Prosecutors Office in Grodzisk Wielkopolski, in accordance with the regionalisation adopted by the Prison Service.





2) With regard to question 2, we maintain our response from the correspondence of 2 February 2026 – it is not possible to guarantee that [de opgeëiste persoon] will be able to spend at least two hours outside his cell. In accordance with Polish law, prisoners are entitled to rest to maintain good health, in particular to have at least 1 hour of walking and 8 hours of sleep per day. In addition, remand prisoners who stand out for the compliance with internal order in the remand centre and the rules set out in the organisational and procedural regulations for the execution of remand detention may be granted rewards – one of which is the opportunity to take a longer or additional walk, beyond the norm specified for each inmate. An hour-long walk is the minimum to which every inmate is entitled, but the amount of time spent outside the cell may be longer and also depends on the behavior of the inmate in question.


(…)”





Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden geweigerd. Uit de reactie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 18 februari 2026 blijkt niet dat kan worden gegarandeerd dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering tenminste 2 uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. In de laatste alinea van de aanvullende informatie van 2 februari 2026 staat weliswaar dat aan alle standaardregels wordt voldaan, maar blijkens de aanvullende informatie van 18 februari 2026 kan dit kennelijk niet worden gegarandeerd met betrekking tot de tijd die gedetineerden buiten hun cel kunnen verblijven. Nu het algemene gevaar dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering kan worden blootgesteld aan een schending van zijn grondrechten niet wordt weggenomen door een individuele garantie, dient de overlevering te worden geweigerd.




Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de detentieomstandigheden en de verstrekte aanvullende informatie gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het Openbaar Ministerie heeft een aantal keer geprobeerd een afdoende detentiegarantie te krijgen. De detentiegarantie zoals die nu is verstrekt is onvoldoende om het gestelde algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen. Bij deze stand van zaken kan de opgeëiste persoon niet worden overgeleverd. De rechtbank zou wellicht nogmaals vragen kunnen stellen over de detentieomstandigheden aan de Poolse autoriteiten.




Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat met de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte aanvullende informatie het vastgestelde algemene gevaar niet is weggenomen voor de opgeëiste persoon. Uit de verstrekte informatie blijkt niet ondubbelzinnig dat de opgeëiste persoon 3 m2 persoonlijke leefruimte exclusief sanitair tot zijn beschikking zal hebben. Daarnaast kan de rechtbank aan de hand van de verstrekte informatie niet vaststellen hoeveel uur per dag de opgeëiste persoon onder normale omstandigheden gemiddeld buiten zijn cel kan verblijven, indien hij aan alle aangeboden activiteiten deel zou nemen. Op basis van de verstrekte informatie kan de rechtbank ook niet een bredere afweging van de invulling van een gemiddelde dag van de opgeëiste persoon in het Poolse remand regime maken.



De rechtbank stelt dan ook vast dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat als de overlevering zou worden toegestaan. Dat betekent dat de rechtbank de beslissing moet aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging van de omstandigheden. In dat laatste geval zou de rechtbank direct geen gevolg kunnen geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk kunnen verklaren. De rechtbank is van oordeel dat die situatie hier niet aan de orde is. De rechtbank acht het niet ondenkbaar dat de hiervoor bedoelde wijziging van de omstandigheden zich binnen afzienbare tijd voordoet.



Dit betekent dat de rechtbank de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW aanhoudt. De rechtbank stelt daarbij, ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, een redelijke termijn vast van dertig dagen.



De voortzetting van de zaak zal worden ingepland op de eerst mogelijke zittingsdag na het einde van de redelijke termijn van dertig dagen (op 1 mei 2026) of uiterlijk tien dagen daarna, dus tussen 1 mei 2026 en 11 mei 2026, zodat kan worden nagegaan of een wijziging van de omstandigheden is opgetreden. Wanneer dit niet het geval is, zal op grond van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg worden gegeven aan het EAB.



De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt na de verlenging ter zitting af op 19 april 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen, zal zij op grond van artikel 22, vierde lid, aanhef en onder c, OLW de beslistermijn verlengen met zestig dagen. Op grond van artikel 27, derde lid, OLW zal de (geschorste) gevangenhouding eveneens met zestig dagen worden verlengd.






6Beslissing



HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland op de eerst mogelijke zittingsdag na het verstrijken van de redelijke termijn (die verstrijkt op 1 mei 2026), namelijk in de periode van 1 mei 2026 tot en met 11 mei 2026.




HOUDT AAN de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.




VERLENGT op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met zestig dagen (eindigend op 18 juni 2026), omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.




VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de (geschorste) gevangenhouding van de opgeëiste persoon met zestig dagen;




BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman.




BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.





Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 2 april 2026.




































Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.




Zie artikel 23 Overleveringswet.


Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
ÁG713125110149#È
G713125110149



Zie onderdeel e) van het EAB.


Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.


Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).


Rechtbank Amsterdam 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3311.


Rb. Amsterdam 6 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3365.


Vgl. Rechtbank Amsterdam, 1 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7310.