Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:3252

2026-04-01 Strafrecht; Europees strafrecht 13-263142-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-04-01
Publicatiedatum
2026-04-02
Rechtsgebied
Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure
Eerste en enige aanleg
Zaaknummer
13-263142-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vervolgings-EAB uit Polen. Tussenuitspraak. Het systeem van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ staat er niet aan in de weg dat de Poolse autoriteiten, nadat een eerder EAB is ingetrokken, opnieuw om overlevering van de opgeëiste persoon verzoeken. Artikel 6 OLW: terugkeergarantie afgegeven en voldoende bevonden. Onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond van artikel 13 OLW toe te passen. Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden in Poolse remand regimes. Aanvullende vraag gesteld.

Citeert (9)

Geciteerd door (2)

Volledige tekst

Volledige tekst (20.662 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER



Parketnummer: 13-263142-25




Datum uitspraak: 1 april 2026







TUSSEN-UITSPRAAK






op de vordering van 20 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 1 augustus 2025 door de Regional Court in Łódź, IV Criminal Division, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:




[de opgeëiste persoon]

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] ,
uit anderen hoofde gedetineerd in het [detentieadres] ,



hierna ‘de opgeëiste persoon’.






1Procesgang


De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 maart 2026, in aanwezigheid van mr. E. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N.M. Delsing, als waarnemer voor mr. R. Malewicz, beiden advocaat in Amsterdam.



De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.



Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.





2Identiteit van de opgeëiste persoon


Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.





3Grondslag en inhoud van het EAB


Het EAB vermeldt een enforceable detention order, te weten een decision of the District Court for Łódź-Śródmieście van 27 maart 2025 met kenmerk IV1 Kp 236/25 (PK III WZ Ds. 9.2016).



De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.



De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de Poolse autoriteiten de overlevering vragen voor dezelfde feiten als waarvoor de Poolse autoriteiten eerder in 2022 een EAB hebben uitgevaardigd. Dit EAB is destijds ingetrokken nadat het bezwaar tegen het nationaal aanhoudingsbevel gegrond werd verklaard. Vervolgens is een verzoek van de Poolse officier van justitie om de opgeëiste persoon in voorlopige hechtenis te nemen afgewezen door de Poolse rechtbank. In 2025 is opnieuw een nationaal aanhoudingsbevel uitgevaardigd en daaropvolgend een EAB. Het is onduidelijk waarom daar nu wel voldoende gronden voor zijn, terwijl dat in 2022 niet het geval was. Ondanks pogingen om hierover duidelijkheid te verkrijgen van de Poolse autoriteiten is dit niet gelukt. De raadsvrouw verzoekt om aanhouding van de zaak om aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten te verkrijgen over de grondslag van het EAB en daarbij aan te geven wat het verschil is met de situatie in 2022.



De rechtbank overweegt dat het systeem van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ er niet aan in de weg staat dat de Poolse autoriteiten, nadat een eerder EAB is ingetrokken, opnieuw om overlevering van de opgeëiste persoon verzoeken. De rechtbank kan niet treden in de beoordeling of er gronden waren om alsnog een nationaal en vervolgens een EAB uit te vaardigen en ziet daarom geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten.





4Strafbaarheid



Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW




De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:




deelneming aan een criminele organisatie;





illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.




Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.



Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.





5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW


De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd.Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.



De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 10 februari 2026 de volgende garantie gegeven:



“RE: [de opgeëiste persoon] born on [geboortedag] 1969 at [geboorteplaats] (Netherlands)




The Sąd Okręgowy w Łodzi IV Wydział Karny [Circuit Court in Łódź, 4th Criminal Division] writes to inform you that, pursuant to Section 607j of the Polish Criminal Procedure Code, if the executing State has surrendered the wanted person on the condition that their custodial sentence will be executed in that State, enforcement proceedings are not to be initiated. In such a case, immediately after the judgment has become legally valid, the Polish court competent to hear the case is to issue the decision to transfer the convicted person to the appropriate Member State of the European Union for the purposes of executing a custodial sentence or detention order.”



Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.





6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW


Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren.



De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 13 OLW niet van toepassing is. Subsidiair heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht om af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe aan dat het zwaartepunt van het onderzoek in Polen ligt, de verdachten in Polen zijn aangehouden en verhoord en de drugs bestemd zijn voor de Poolse markt.



De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft geen standpunt ingenomen over de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW.



De rechtbank stelt voorop dat aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn. Met de facultatieve weigeringsgrond van artikel 4, punt 7, onderdeel a, Kaderbesluit 2002/584/JBZ, in Nederland geïmplementeerd in artikel 13, eerste lid, onder a, OLW, heeft de Europese wetgever - in een geval als het onderhavige - bedoeld toe te laten dat de opgeëiste persoon wordt vervolgd door die rechterlijke autoriteit - uitvaardigend of uitvoerend - die zich in de meest adequate positie bevindt vanuit het oogpunt van een goede rechtsbedeling. De rechtbank heeft daarom een beoordelingsmarge bij de toepassing van de weigeringsgrond, zodat het doel van het vermijden van het risico van straffeloosheid niet in gevaar komt. De rechtbank moet bij haar beoordeling rekening houden met de specifieke omstandigheden van het geval. In het licht van de door de officier van justitie genoemde omstandigheden, geeft de omstandigheid dat de feiten worden geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen.





7Artikel 11 OLW


7.1

Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU



De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.



Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.




7.2

Detentieomstandigheden in Poolse
remand regimes




Inleiding

Nu de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd in verband met een strafrechtelijke vervolging en de opgeëiste persoon nog niet is veroordeeld, zal hij na overlevering aan Polen aldaar in voorlopige hechtenis verblijven oftewel in het zogenoemde remand regime.



De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Polen terechtkomen. Het kernpunt is dat in het remand regime slechts 3 m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal 23 uren per dag op zijn cel doorbrengt.



De vaststelling van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het remand regime kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden.



Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het remand regime in Polen waar hij zal worden gedetineerd.



In het kader van dit onderzoek heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) op 5 februari 2026 vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.




The Prosecutor delegated to the Łódź Branch Department for Organized Crime and Corruption of the National Prosecutor's Office in Łódź heeft deze vragen op 24 februari 2026 als volgt beantwoord:
“The conditions for serving a preventive measure in the form of pre-trial detention are consistent with applicable law. Currently, pursuant to Article 110, paragraph 2 of the Executive Penal Code, the area of a residential cell is no less than 3m2 per person. (...)[de opgeëiste persoon] , as a temporary detainee of the local Prosecutor's Office, will be held at the Łódź Remand Prison, in accordance with local jurisdiction. As a rule, temporary detainees are housed in the aforementioned penitentiary in three- of four-person cells (...).(...)Regarding the issues raised in your letter, it is impossible to determine how long a person in pretrial detention will be held outside their cell. This is because staying outside their cell depends on the internal regulations in force in each prison and the scope of rights a given person in pretrial detention wishes to exercise on a given day, including: a walk (at least one hour per day), visits with loved ones, visits with a proxy (no time limit on visits), use of a payphone (no time limit on calls with a proxy), cultural and educational activities (according to the schedule), religious services outside their cell, use of the bathhouse, use of the depository warehouse, access to the canteen for shopping, and, in the case of reports, access to a psychologist or counselor at the outpatient clinic. Persons held in pretrial detention are guaranteed the opportunity to participate in community center activities, use library resources, and participate in competitions organized by correctional officers. (...)Every prisoner is entitled to at least one hour of outdoor exercise daily. Other outings depend on the organization of the given prison, the prisoner's attitude, and their willingness to exercise their rights to participate in sports, rehabilitation, educational, religious activities, work, contact with loved ones, defense counsel, and other activities.”



Het IRC heeft op 26 februari 2026 de volgende aanvullende vraag gesteld aan de Poolse autoriteiten:



“Could you confirm that if [de opgeëiste persoon] would participate in the daily walk and all other activities provided, could the time spent outside the cell exceed two hours per day?”



De Poolse autoriteiten hadden ten tijde van de zitting nog geen antwoord gegeven op bovengenoemde vraag.




Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB en dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Uit de aanvullende informatie van 24 februari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon minstens één uur per dag buiten de cel kan wandelen, maar dat het verder onmogelijk is om vast te stellen hoeveel tijd hij buiten de cel kan doorbrengen in verband met overige activiteiten. Dit volstaat niet bij een cel van 3 m2. Voor de opgeëiste persoon wordt niet uitgesloten dat hij structureel 23 uur per dag in zijn cel zal moeten doorbrengen. Bovendien wordt in de aanvullende informatie geen specifieke en concrete garantie voor de opgeëiste persoon gegeven, aangezien slechts wordt verwezen naar geldende regels en wetgeving. Hiermee is het reële gevaar van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon niet weggenomen. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om het onderzoek ter zitting aan te houden om aanvullende informatie te verkrijgen over de tijd die de opgeëiste persoon in detentie buiten zijn cel kan doorbrengen.




Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de vraag die door het IRC op 26 februari 2026 is gesteld voldoende specifiek op de opgeëiste persoon gericht en vindt dat het antwoord daarop, ondanks dat er meermaals is gerappelleerd, moet worden afgewacht. De officier van justitie verzoekt de rechtbank daarom de zaak aan te houden.




Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat uit de door de Poolse autoriteiten verstrekte aanvullende informatie van 24 februari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd in the Łódź Remand Prison en dat hij over niet minder dan 3 m2 persoonlijke ruimte in een meerpersoonscel (exclusief sanitaire voorzieningen) zal beschikken. Verder blijkt uit de aanvullende informatie dat de Poolse autoriteiten niet kunnen vaststellen hoeveel tijd de opgeëiste persoon - naast een dagelijkse wandeling van één uur - buiten zijn cel kan doorbrengen.



Op basis van deze informatie kan de rechtbank niet vaststellen hoe lang de opgeëiste persoon onder normale omstandigheden gemiddeld per dag buiten de cel kan verblijven als hij aan alle aangeboden activiteiten deel zou nemen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de gegeven informatie op dit moment onvoldoende concreet is om voor de opgeëiste persoon het algemene reële gevaar uit te sluiten. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het antwoord van de Poolse autoriteiten op de door het IRC op 26 februari 2026 gestelde vraag af te wachten. De rechtbank verzoekt de officier van justitie daarnaast de volgende aanvullende vraag te stellen:




Indien u dit niet kunt bevestigen, kunt u dan zo concreet mogelijk aangeven hoeveel tijd de opgeëiste persoon, onder normale omstandigheden en wanneer hij ervoor kiest om aan de aangeboden activiteiten deel te nemen, gemiddeld dagelijks buiten zijn cel kan verblijven?




De rechtbank zal het onderzoek hiertoe heropenen en schorsen voor onbepaalde tijd. De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt na de verlenging ter zitting af op 16 april 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen, zal zij op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de beslistermijn verlengen met 30 dagen (tot 16 mei 2026), onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.






8Beslissing



HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd om het antwoord van de Poolse autoriteiten op de door het IRC geformuleerde vraag van 26 februari 2026 af te wachten en het IRC in de gelegenheid te stellen de onder 7.2 geformuleerde aanvullende vraag te stellen aan de Poolse autoriteiten;




VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen (tot 16 mei 2026), onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW;




BEPAALT dat de zaak vanwege het verstrijken van de verlengde beslistermijn op 16 mei 2026, uiterlijk op 30 april 2026 opnieuw op zitting moet worden gepland;




BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.




Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. M. Scheeper en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 april 2026.




































Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.




Zie artikel 23 Overleveringswet.


Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.



Zie onderdeel e) van het EAB.


Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64.


Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.


HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 (Rastoshev), punt 42.


HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 (Rastoshev), punten 43 en 44.


HvJ EU 12 februari 2026, C-712/25 PPU, ECLI:EU:C:2026:101 (Rastoshev), punt 47.


Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.


Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).


Rechtbank Amsterdam 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3311.