Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:3205

2026-03-24 Strafrecht; Europees strafrecht 004370-26
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-03-24
Publicatiedatum
2026-03-31
Rechtsgebied
Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure
Eerste en enige aanleg
Zaaknummer
004370-26
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Klaagschrift tegen in beslagname ogv Europees Bevriezings Bevel (EBB) ongegrond. Of sprake is van verhaalsfrustratie – zoals artikel 94a, vierde lid, Sv vereist – is naar het oordeel van de rechtbank een inhoudelijke en materiële toets die ziet op de rechtmatigheid van het uitgevaardigde EBB. Zoals uit het hierboven weergegeven toetsingskader volgt, is deze toets voorbehouden aan de Portugese rechter en valt het daarmee buiten de beoordelingsmarge van de uitvoerende autoriteit.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.505 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER



RK nummer: 004370-26




Datum beschikking: 24 maart 2026







BESCHIKKING






op het klaagschrift ex artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:





[klager] B.V.

statutair gevestigd en kantoorhoudende aan het adres:

[adres] ,



hierna: klager.





1Procesgang


Het klaagschrift is op 11 februari 2026 ingediend ter griffie van deze rechtbank.



De rechtbank heeft op 10 maart 2026 het klaagschrift behandeld en de vertegenwoordigers van klager, de raadslieden, mr. R. Jeronimus, mr. J.R. de Jong en mr. M. Verschoor, advocaten te Amsterdam, en de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes, in openbare raadkamer gehoord.





2Feiten en omstandigheden


De Portugese autoriteiten hebben door middel van een Europees bevriezingsbevel (EBB) van 3 december 2025 verzocht om bevriezing van (de tegoeden tot een bedrag van € 18.340,- op) de Nederlandse bankrekening op naam van klager in verband met een strafrechtelijk onderzoek tegen [bedrijf] ter zake van de verdenking dat laatstgenoemde zich schuldig heeft gemaakt aan zoals omschreven in het EBB.



Op 10 december 2025 is ter uitvoering van het EBB – op grond van artikel 5.5.15 in verbinding met artikel 94 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering – in beslag genomen onder klager:



- het saldo/tegoed van de bankrekening met nummer [rekeningnummer] tot een bedrag van € 18.340,-.





3Inhoud klaagschrift en standpunt klager


De raadslieden hebben de rechtbank allereerst verzocht om vast te stellen dat de formaliteiten niet correct zijn nageleefd nu klager na de tenuitvoerlegging van het EBB niet onverwijld op de hoogte is gesteld van de tenuitvoerlegging en ook niet op de hoogte is gebracht van de rechtsmiddelen die ter beschikking staan. Hierdoor zijn de verplichtingen uit artikel 32 van de Verordening (EU) 2018/1805 inzake de wederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen (hierna: EBB-Verordening) niet nageleefd. Het klaagschrift strekt verder tot opheffing van het beslag. Namens klager is hiertoe aangevoerd dat de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EBB niet rechtmatig is toegepast, omdat klager te goeder trouw is ten opzichte van de ontvangen gelden van € 18.340,-. Het klaagschrift moet daarom gegrond worden verklaard.





4Standpunt van het Openbaar Ministerie


De officier van justitie heeft erkend dat het onverwijld in kennis stellen in dit geval niet heeft plaatsgevonden. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om hier geen gevolgen aan te verbinden, nu zij zich niet verzet tegen het ontvankelijk verklaren van klager in zijn beklag, dat eigenlijk te laat is gedaan.



De officier van justitie heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het beklag ongegrond moet worden verklaard, omdat de inbeslagname op grond van artikel 94 Sv niet onrechtmatig is en de weigeringsgronden zoals beschreven in artikel 8, eerste lid, van de EBB-Verordening niet van toepassing zijn.



De inbeslagname heeft plaatsgevonden overeenkomstig het Nederlandse recht en het beginsel van wederzijdse erkenning staat aan een beoordeling van de rechtmatigheid, de proportionaliteit en de subsidiariteit van het uitgevaardigde EBB in de weg. De beoordeling of klager te kwader trouw is geweest, is voorbehouden aan de Portugese autoriteiten en valt daarmee buiten deze procedure.





5Het oordeel van de rechtbank



Toetsingskader

Het systeem van het EBB is gestoeld op het beginsel van wederzijdse erkenning. Dat brengt met zich dat de ruimte om af te zien van erkenning en tenuitvoerlegging van een EBB beperkt is. Met de EBB-Verordening worden regels gesteld op grond waarvan een lidstaat een door een rechterlijke autoriteit van een andere lidstaat in een strafprocedure gegeven beslissing tot bevriezing op zijn grondgebied erkent en ten uitvoer legt. Ook hiervoor geldt het beginsel van wederzijdse erkenning.



De EBB-Verordening is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de artikelen 5.5.14 Sv tot en met 5.5.19 Sv.



In het arrest van 21 december 2021 heeft de Hoge Raad het toetsingskader in beklagzaken ex artikel 5.4.10 Sv in verbinding met artikel 552a Sv uiteengezet. De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat dit toetsingskader van overeenkomstige toepassing is bij de beoordeling van het beklag tegen een uitgevaardigd EBB. Dit betekent dat bij de behandeling van een dergelijk klaagschrift geen onderzoek wordt gedaan naar de gronden voor het uitvaardigen van het EBB. Evenmin wordt de proportionaliteit van de inbeslagneming van de voorwerpen getoetst. Wel moet worden beoordeeld of zich – gelet op de artikelen 5.5.16 Sv jo. artikel 8, eerste lid, EBB-Verordening – een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EBB. Daarnaast kan, indien aan de orde, ook worden beoordeeld of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EBB rechtmatig is toegepast, welke beoordeling overigens is beperkt tot een onderzoek naar de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen. Bij de beoordeling van een klaagschrift dat betrekking heeft op inbeslagneming op grond van een EBB is ten slotte niet de vraag aan de orde of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Aan het systeem van het EBB ligt immers ten grondslag dat met de uitvaardiging van een EBB het belang van strafvordering in de uitvaardigende staat wordt verondersteld aanwezig te zijn.




Oordeel van de rechtbank




In het licht van het hiervoor geschetste toetsingskader overweegt de rechtbank als volgt.



Allereerst heeft de rechtbank ambtshalve beoordeeld of zich een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EBB. Het bevel bevat de vereiste informatie en is dus in overeenstemming met de eisen die artikel 5.5.15, eerste lid, Sv jo. artikel 4, eerste lid, EBB-Verordening stelt. Van een van de in artikel 5.5.16 Sv jo. artikel 8 EBB-Verordening genoemde weigeringsgronden is daarnaast geen sprake.



De rechtbank stelt vast dat in dit geval niet is voldaan aan de verplichting uit artikel 32 EBB-Verordening nu door het openbaar ministerie is nagelaten klager in kennis te stellen van het gelegde beslag en te informeren over de rechtsmiddelen die daartegen ter beschikking staan. De rechtbank zal, mede gelet op wat door partijen naar voren is gebracht, hier echter geen gevolgen aan verbinden nu niet tot de niet-ontvankelijkheid is geoordeeld wegens het niet tijdig instellen van het beklag.



Ten aanzien van de inbeslagname is wel voldaan aan de (overige) daarvoor in Nederland geldende formaliteiten ex artikel 5.5.15, tweede lid, Sv jo. artikel 94 Sv. Op basis van een bevel van de officier van justitie, gedateerd op 9 december 2025, is beslag gelegd op de zakelijke bankrekening van klager. Gelet op het bevel dat zich in het dossier bevindt, ziet de rechtbank niet dat zich bij de uitvoering van het EBB onrechtmatigheden hebben voorgedaan.



Verder stelt de rechtbank vast dat het EBB strekt tot verbeurdverklaring of door de Portugese rechter op te leggen maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De handhaving van dit beslag is daarmee in lijn met het in het EBB beschreven doel van de beslaglegging.



In het voorgaande ziet de rechtbank geen reden om het beslag ten laste van klager op te heffen.



De rechtbank stelt verder vast dat sprake is van derdenbeslag en dat de onderneming dus als derde op de voet van artikel 552a Sv om opheffing van het beslag verzoekt. Dit betekent dat bij de beoordeling van deze inbeslagname als maatstaf moet worden aangelegd of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel vaststaat dat die derde persoon als eigenaar van dat in beslag genomen voorwerp moet worden aangemerkt. Als dat laatste het geval is, dan dient de rechtbank – in een Nederlandse strafzaak – ook te onderzoeken, en daarvan blijk te geven, of zich de situatie van artikel 94a, vierde of vijfde lid, Sv voordoet. De rechtbank moet bij dit onderzoek – met inachtneming van het summiere karakter dat het onderzoek in raadkamer in een beklagprocedure kenmerkt – beoordelen of feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die voldoende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat het in beslag genomen voorwerp aan de beslagene is gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van dat voorwerp te frustreren (verhaalsfrustratie) en dat de beslagene dat wist of redelijkerwijze kon vermoeden.



Het staat niet ter discussie dat (de tegoeden op) de bankrekening op naam van klager aan de onderneming toebehoren. De vervolgvraag, of sprake is van verhaalsfrustratie – zoals artikel 94a, vierde lid, Sv vereist – is naar het oordeel van de rechtbank een inhoudelijke en materiële toets die ziet op de rechtmatigheid van het uitgevaardigde EBB. Zoals uit het hierboven weergegeven toetsingskader volgt, is deze toets voorbehouden aan de Portugese rechter en valt het daarmee buiten de beoordelingsmarge van de uitvoerende autoriteit. Gelet hierop zal de rechtbank het beklag ongegrond verklaren.





6Beslissing


De rechtbank verklaart het beklag ONGEGROND.












Deze beslissing is op 24 maart 2026 gegeven en in het openbaar uitgesproken door:



mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland en E. Mulder, griffiers.



ECLI:NL:HR:2021:1940.


Rechtbank Amsterdam, 2 mei 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:2793.


HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rechtsoverweging 2.15.


HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2746.