Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2026:3051
2026-03-12
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
C/13/784250 / HA RK 26-68
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wrakingsverzoek is te laat gedaan en is daarom niet-ontvankelijk.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.065 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Wrakingskamer
Beslissing op het op 3 maart 2026 ingekomen verzoek tot wraking en onder zaaknummer C/13/784250 / HA RK 26-68 ingeschreven van:
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , verzoekers,
wonende te [woonplaats] ,
gemachtigde mr. C. Ravesteijn,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. M.E.M. James-Pater, handelsrechter, hierna: de rechter.
Verloop van de procedure
De Wrakingskamer heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:
het wrakingsverzoek van 3 maart 2026;
de schriftelijke reactie van de rechter ingekomen op 3 maart 2026.
De secretaris van de Wrakingskamer heeft deze reactie op 4 maart 2026 doorgezonden aan mr. Ravesteijn met het verzoek uiterlijk 11 maart 2026 te reageren en daarbij met name in te gaan op het aspect van de ontvankelijkheid. Van mr. Ravesteijn is niets vernomen.
De rechter heeft niet berust in het wrakingsverzoek.
1. De ontvankelijkheid van het verzoek
1.1.
Verzoekers zijn eisende partij in conventie, gedaagde partij in reconventie in een zaak die bij de rechter in behandeling is met zaaknummer C/13/771079 / HA ZA 25/1185. Op 18 februari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden.
1.2.
Ingevolge artikel 37, eerste lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) dient een verzoek tot wraking te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden die grond geven voor de wraking aan de verzoek(st)er bekend zijn geworden. Het is vaste jurisprudentie dat de zinsnede “zodra de feiten en omstandigheden bekend zijn” betekent dat een wrakingsverzoek moet worden gedaan onmiddellijk nadat de feitelijke grond tot wraking bekend is geworden, waarbij een korte tijd voor beraad acceptabel is.
1.3.
De Wrakingskamer is van oordeel dat het wrakingsverzoek te laat is gedaan, omdat het ziet op uitlatingen en gedragingen van de rechter op de zitting van 18 februari 2026 en van verzoekers bovendien geen toelichting is ontvangen waarom het wrakingsverzoek pas bijna twee weken na afloop van de mondelinge behandeling is ingediend. Deze termijnoverschrijding is dan ook niet verschoonbaar.
1.4.
Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Een mondelinge behandeling kan achterwege blijven.
1.5.
Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De rechtbank:
- verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek.
Aldus gegeven door mrs. P.B. Martens, voorzitter, en N.C.H. Blankevoort en I.M. Bilderbeek, leden, en uitgesproken op 12 maart 2026.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39 lid 5 Rv geen voorziening open.
Wrakingskamer
Beslissing op het op 3 maart 2026 ingekomen verzoek tot wraking en onder zaaknummer C/13/784250 / HA RK 26-68 ingeschreven van:
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , verzoekers,
wonende te [woonplaats] ,
gemachtigde mr. C. Ravesteijn,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. M.E.M. James-Pater, handelsrechter, hierna: de rechter.
Verloop van de procedure
De Wrakingskamer heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:
het wrakingsverzoek van 3 maart 2026;
de schriftelijke reactie van de rechter ingekomen op 3 maart 2026.
De secretaris van de Wrakingskamer heeft deze reactie op 4 maart 2026 doorgezonden aan mr. Ravesteijn met het verzoek uiterlijk 11 maart 2026 te reageren en daarbij met name in te gaan op het aspect van de ontvankelijkheid. Van mr. Ravesteijn is niets vernomen.
De rechter heeft niet berust in het wrakingsverzoek.
1. De ontvankelijkheid van het verzoek
1.1.
Verzoekers zijn eisende partij in conventie, gedaagde partij in reconventie in een zaak die bij de rechter in behandeling is met zaaknummer C/13/771079 / HA ZA 25/1185. Op 18 februari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden.
1.2.
Ingevolge artikel 37, eerste lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) dient een verzoek tot wraking te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden die grond geven voor de wraking aan de verzoek(st)er bekend zijn geworden. Het is vaste jurisprudentie dat de zinsnede “zodra de feiten en omstandigheden bekend zijn” betekent dat een wrakingsverzoek moet worden gedaan onmiddellijk nadat de feitelijke grond tot wraking bekend is geworden, waarbij een korte tijd voor beraad acceptabel is.
1.3.
De Wrakingskamer is van oordeel dat het wrakingsverzoek te laat is gedaan, omdat het ziet op uitlatingen en gedragingen van de rechter op de zitting van 18 februari 2026 en van verzoekers bovendien geen toelichting is ontvangen waarom het wrakingsverzoek pas bijna twee weken na afloop van de mondelinge behandeling is ingediend. Deze termijnoverschrijding is dan ook niet verschoonbaar.
1.4.
Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Een mondelinge behandeling kan achterwege blijven.
1.5.
Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De rechtbank:
- verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek.
Aldus gegeven door mrs. P.B. Martens, voorzitter, en N.C.H. Blankevoort en I.M. Bilderbeek, leden, en uitgesproken op 12 maart 2026.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39 lid 5 Rv geen voorziening open.