Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:1743

2026-02-10 Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht 26/516
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-02-10
Publicatiedatum
2026-02-18
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zaaknummer
26/516
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Is de beslissing van het college van de gemeente van Amsterdam om verzoeker te verbieden namen van ambtenaren te noemen tijdens de raadsvergadering een besluit in de zin van de Awb? Nee, de beslissing heeft een zuiver intern karakter en is gericht op feitelijk handelen.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.759 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM


Bestuursrecht


zaaknummer: AMS 26/516


uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 februari 2026 in de zaak tussen



[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker


en




het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder.




Inleiding


1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.



1.2.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting.




Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Verzoeker voert aan dat zijn inspreekrecht tijdens de raadsvergadering van12 februari 2026 zal worden beperkt omdat hij geen namen van ambtenaren mag noemen of tot personen herleidbare functies. Deze beslissing is verzoeker meegedeeld door de voorzitter tijdens het inspreken op de raadsvergadering op 15 januari 2026 en schriftelijk vastgelegd in het verslag van de raadscommissie. Verzoeker vindt deze inperking onrechtmatig. Hij heeft hiertegen bezwaar gemaakt en hij verzoekt de voorzieningenrechter te bepalen dat hij tijdens de raadsvergadering op 12 februari 2026 namen en functies van ambtenaren mag noemen die vanuit hun functie naar buiten treden.

3. Uit artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb vloeit voort dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van (formele en materiële) connexiteit. Iemand die een verzoek om een voorlopige voorziening indient, moet een afschrift van het bezwaar- of beroepschrift en een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft overleggen. Als dat niet gebeurt, kan de voorzieningenrechter – na een herstelmogelijkheid – het verzoek op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.

4. De vraag die bij de voorzieningenrechter voorligt, is of de beslissing van verweerder om verzoeker te verbieden namen van ambtenaren te noemen tijdens de raadsvergadering te kwalificeren is als een besluit in de zin van de Awb.

5. In artikel 1:3 van de Awb is bepaald dat onder besluit verstaan moet worden een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

6. De beslissing van verweerder om verzoeker te verbieden namen van ambtenaren te noemen, is aan te merken als een beslissing gericht op feitelijk handelen. De beslissing heeft namelijk een zuiver intern karakter. Dit betekent dat zowel de mondelinge beslissing van de voorzitter van de raadsvergadering als het verslag van die vergadering niet kunnen worden aangemerkt als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Ook de e-mail van 5 februari 2026 van de raadsgriffie waarin verzoeker wordt meegedeeld dat hij niet kan inspreken, kan daarom niet worden aangemerkt een besluit in de zin van de Awb. Het vonnis waar verzoeker in zijn verzoekschrift naar verwijst, maakt dit oordeel niet anders. Dit betrof een vonnis van een civiele rechter over de vraag of de eiser in die zaak werd beperkt in zijn vrijheid van meningsuiting. Wat daarvan ook zij, de voorzieningenrechter kan pas tot een inhoudelijk oordeel komen als er een besluit in de zin van de Awb voorligt.

7. Nu er geen sprake is van een besluit in de zin van de Awb, is het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.



Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.L. van der Pijl, griffier.



Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2026.









griffier


voorzieningenrechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:



Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.


Verzoeker verwijst daarbij naar een vonnis van de civiele kamer van de rechtbank Amsterdam van 24 december 2025, gepubliceerd onder ECLI:NL:RBAMS:2025:10341.


Dit staat in artikel 8:81, vierde lid, van de Awb in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, van de Awb.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 15 februari 2002, ECLI:NL:RBMAA:2002:AD9812