Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:1655

2026-02-18 Civiel recht; Verbintenissenrecht 764454
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-02-18
Publicatiedatum
2026-02-16
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
764454
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Eindvonnis na tussenvonnis. Vaststelling redelijk loon bemiddelingskantoor (artikel 7:411 lid 1 BW).

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.786 tekens)
RECHTBANK Amsterdam


Civiel recht



Zaaknummer: C/13/764454 / HA ZA 25-379




Vonnis van 18 februari 2026




in de zaak van




FINTAG GROUP B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
eisende partij,
advocaat: mr. W.A. van Sambeek,



tegen




STEENS PROFESSIONALS B.V.,
gevestigd in Amstelveen,
gedaagde partij,
advocaat: mr. J.H.M. Spanjaard.



De rechtbank noemt partijen hierna Fintag en Steens.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 17 september 2025,- de akte na vonnis van Steens met productie,- de akte na vonnis van Fintag met producties,
- de akte uitlating producties van Steens.



1.2.
De rechtbank heeft ten slotte bepaald dat zij vandaag uitspraak doet.





2De verdere beoordeling


2.1.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis geoordeeld dat de vernietiging van de arbeidsovereenkomst van [naam] tot gevolg heeft dat de bemiddelingsovereenkomst geen rechtsgrond meer biedt voor de betaling van Fintag aan Steens. Dat betekent dat moet worden teruggevallen op de wet. Steens heeft daarom recht op een redelijk loon voor de werkzaamheden die zij in het kader van de overeenkomst heeft verricht. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over wat zij een redelijk loon vinden. Specifiek heeft de rechtbank verzocht om een opgave van de door Steens verrichte werkzaamheden, de door Steens opgevraagde referenties van [naam] , en opgave van de werkzaamheden die [naam] tijdens zijn dienstverband heeft verricht.



2.2.

In dit vonnis beantwoordt de rechtbank de vraag welk bedrag Fintag aan Steens, verschuldigd is voor de door Steens verrichte werkzaamheden.

Beoordelingskader





2.3.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat bij het vaststellen van wat een redelijk loon is onder meer rekening wordt gehouden met de door de opdrachtnemer verrichte werkzaamheden, het voordeel dat de opdrachtgever daarvan heeft en de grond waarop de overeenkomst is geëindigd (artikel 7:411 lid 1 BW). Van belang is dat een redelijk loon vaak niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. De rechter zal in het algemeen niet anders kunnen dan te volstaan met te vermelden welke omstandigheden zijn meegewogen en hoe dat tot de bepaling van het redelijke loon heeft geleid. Op Steens als opdrachtnemer rust de stelplicht en de bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit volgt wat een redelijk loon zou zijn voor haar werkzaamheden, waarbij geldt dat aan die stelplicht en bewijslast geen hoge eisen worden gesteld.



Standpunten partijen ten opzichte van redelijk loon





5.14
Steens stelt zich primair op het standpunt dat het redelijk loon gelijkstaat aan het reeds geïncasseerde bedrag van € 39.683,77, omdat partijen hebben afgesproken dat bij ondertekening van de arbeidsovereenkomst door [naam] deze vergoeding verschuldigd is. Volgens Steens moet de redelijke vergoeding worden vastgesteld aan de hand van een lumpsumvergoeding. In de branche is een vergoeding van 25-33% van het brutosalaris van de bemiddelde werknemer gebruikelijk. Volgens Steens heeft zij meer dan 90 uur aan werkzaamheden met betrekking tot [naam] verricht, waaronder:
- 25 uur voor marktanalyse en targetlist;
- 20 uur voor benadering en screening;
- 15 uur voor interviews en referentieonderzoek;
- 10 uur voor intake en profielopbouw;
- 5 uur voor begeleiding van [naam] ; en
- 5 uur voor onderhandeling en afronding.
Volgens Steens is zij een gerenommeerd bureau, waardoor voor de vaststelling van redelijk loon een uurtarief van € 400,- (exclusief btw) moet worden gehanteerd, aldus tot hier Steens.



2.4.
Volgens Fintag heeft Steens niet voldaan aan de opdracht van de rechtbank, omdat zij geen gedetailleerde opgave van haar werkzaamheden heeft gedaan, maar slechts een algemene opsomming die niet concreet en niet controleerbaar is. Daarom moet iedere aanspraak op loon worden afgewezen. Subsidiair betwist Fintag de urenspecificatie. De door Steens aan bemiddeling bestede tijd moet worden geschat op circa 10 uur. Het uurtarief moet worden vastgesteld aan de hand van het gemiddelde uurtarief voor een zzp-recruiter, zijnde € 86,-. In het kader van de door [naam] verrichte werkzaamheden stelt Fintag dat hij enkele introductiegesprekken heeft gehad, toegang heeft verkregen tot systemen en basisinformatie en -rapportages heeft opgevraagd. [naam] heeft geen bijdrage geleverd aan rapportage, compliance, risk, audit of finance-aansturing, wat mede aanleiding gaf voor zijn op non-actiefstelling. Zij heeft dus geen enkel voordeel gehad van het werk van [naam] , aldus Fintag.







Vaststelling redelijk loon





2.5.
De rechtbank stelt voorop dat, hoewel de urenopgave van Steens niet gedetailleerd is, zij Fintag niet volgt in haar standpunt dat Steens niet aan de opdracht van de rechtbank heeft voldaan. Aan de urenregistratie van een bemiddelingskantoor kunnen immers, anders dan bijvoorbeeld bij een advocatenkantoor, geen hoge eisen worden gesteld.



2.6.
De rechtbank verwerpt het standpunt van Steens dat het redelijk loon moet worden vastgesteld aan de hand van de volledige overeengekomen vergoeding, dan wel dat het redelijk loon moet worden bepaald aan de hand van een percentage van het salaris van [naam] . Het redelijk loon hangt immers volgens vaste rechtspraak met name af van de omvang van de werkzaamheden door de opdrachtnemer en het genoten voordeel door de opdrachtgever. De door Steens gehanteerde berekeningsmethode geeft te weinig mogelijkheden om daarmee rekening te houden. Het genoten voordeel in de zin van de door [naam] voor Steens verrichtte werkzaamheden kan niet positief worden meegewogen, omdat [naam] slechts een aanvang van de werkzaamheden had gemaakt in de vorm van kennismaking, toen reeds bleek dat hij niet geschikt was voor de functie.



2.7.
De rechtbank zal het redelijk loon vaststellen aan de hand van een uurtarief en een schatting van het aantal uren dat Steens redelijkerwijs aan deze opdracht heeft kunnen besteden. Partijen verschillen van mening over de hoogte van zowel het uurtarief als het aantal uren.



2.8.
De rechtbank baseert het redelijk loon op een uurtarief van gemiddeld € 150,-. Dit bedrag komt de rechtbank redelijk voor, omdat het gaat om een opdracht over het aandragen van een CFO voor een financiële instelling, waarvoor deels hoger gekwalificeerde recruiters benodigd zullen zijn en deels lager gekwalificeerd personeel. Het door Fintag aangedragen uurtarief van € 86,- geldt voor een gemiddelde recruiter in loondienst en is derhalve niet representatief voor het werven van een leidinggevende professional door een gespecialiseerd bureau zoals Steens. Steens heeft geen inzicht gegeven in het aantal, de identiteit en de functie van de medewerkers die in het kader van de opdracht werkzaamheden hebben verricht, zodat de rechtbank die verhouding eveneens slechts kan schatten. Verder ziet de rechtbank aanleiding om het door Steens gestelde uurtarief van € 400,- te matigen, aangezien Steens dit bedrag onvoldoende als in de branche gebruikelijk heeft onderbouwd. Een dergelijk bedrag valt mogelijk te rechtvaardigen als een in de branche gebruikelijke vergoeding indien de bemiddeling heeft geleid tot een substantieel voordeel. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij succesvolle integratie van de aangedragen leidinggevende in het bedrijf. Daar is in dit geval echter geen sprake van. Reeds kort na indiensttreding bleek immers dat [naam] niet geschikt was voor de functie en dat de arbeidsovereenkomst vernietigbaar was op grond van dwaling. In het licht daarvan is een uurtarief van € 400,- voor alle bestede uren niet te rechtvaardigen.






2.9.
De rechtbank schat in dat Steens in redelijkheid in totaal 40 uur aan deze opdracht heeft kunnen besteden. Voor wat betreft de bepaling van de omvang van de door Steens verrichte werkzaamheden is het volgende van belang. De rechtbank acht het aannemelijk dat het aandragen van een CFO bij een financiële instelling een specialistische voorbereiding vereiste, waarbij meerdere kandidaten zijn gescreend en benaderd. Anderzijds ziet de rechtbank aanleiding om de door Steens gestelde 90 uur aanzienlijk te beperken, omdat Steens niet heeft betwist dat [naam] al in de database van Steens was opgenomen en hij dus niet opnieuw hoefde te worden geworven. Voorts staat vast dat Steens niet of nauwelijks betrokken is geweest bij het sollicitatieproces en Steens daarin dus ook amper arbeid heeft verricht. De rechtbank neemt ook in aanmerking dat de door Steens gegeven summiere toelichting op de tijdsbesteding niet is onderbouwd met stukken zoals correspondentie, analyses, wervingsprofielen, longlists of referenties.



2.10.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat Steens in redelijkheid 40 uur aan deze opdracht heeft besteed. Dit aantal uren, vermenigvuldigd met het uurtarief van gemiddeld € 150,- (exclusief btw), leidt tot een redelijk loon van € 6.000,- exclusief btw, oftewel € 7.260,- inclusief btw.



2.11.
Fintag heeft een bedrag van € 39.683,77 (inclusief btw) aan Steens betaald. Dat betekent dat Fintag € 32.423,77 onverschuldigd aan Steens heeft betaald. De rechtbank wijst daarom de vordering van Fintag toe tot een bedrag van € 32.423,77.



Wettelijke (handels)rente





2.12.
Zoals de rechtbank in het tussenvonnis heeft geoordeeld is de door Fintag gevorderde wettelijke handelsrente niet toewijsbaar, omdat de vordering is gegrond op onverschuldigde betaling en niet op een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a lid 1 BW. De wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW is wel toewijsbaar. In het tussenvonnis is vastgesteld dat het verzuim van Steens op 24 juni 2024 is ingetreden, zodat de rechtbank de wettelijke rente vanaf die datum toewijst.



Buitengerechtelijke incassokosten





2.13.
Fintag vordert € 1.417,92 aan vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat Fintag voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. Het toegewezen bedrag van € 32.423,77 levert volgens het Besluit een vergoeding op van € 1.099,24, zodat dit lagere bedrag zal worden toegewezen. De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten toe vanaf de datum van dagvaarding, omdat daartegen geen verweer wordt gevoerd.



Proceskosten





2.14.
Steens is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De rechtbank begroot de proceskosten van Fintag op:










- kosten van de dagvaarding


€


122,35







- griffierecht


€


2.995,00







- salaris advocaat


€


2.090,00


(2,5 punt × € 836)




- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


5.396,35











2.15.
Ten slotte wijst de rechtbank ook de gevorderde rente over de proceskosten toe.





3De beslissing


De rechtbank



3.1.
veroordeelt Steens om aan Fintag te betalen een bedrag van € 32.423,77, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 24 juni 2024, tot de dag van volledige betaling,



3.2.
veroordeelt Steens om aan Fintag te betalen een bedrag van € 1.099,24 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,



3.3.
veroordeelt Steens in de proceskosten van € 5.396,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Steens niet op tijd aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



3.4.
veroordeelt Steens in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



3.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.



Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, rechter, bijgestaan door mr. N.T. Weessies, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.




HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1680.