Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:6184
2025-08-22
Bestuursrecht
24/5845 T
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Woo. Tussenuitspraak. Zoekslag onvoldoende inzichtelijk.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2024:367 Raad van State 31-01-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.897 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/5845 T
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 augustus 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
de burgemeester van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Kaptein-van der Dong).
Procesverloop
1. Eiser heeft op 25 oktober 2023 een Woo-verzoek ingediend bij de Woo-coördinator van de gemeente Amsterdam. Eiser heeft gevraagd om alle informatie die zich bij de gemeente Amsterdam bevindt met betrekking tot de slogan “From the river to the sea, Palestine will be free”. Vervolgens is dit verzoek afgebakend tot de periode van 7 oktober 2023 tot 25 oktober 2023. Op 26 april 2024 heeft verweerder eiser geïnformeerd dat er 16 documenten zijn aangetroffen, die (gedeeltelijk) openbaar zouden worden gemaakt. Met een aanvullend besluit van 22 juli 2024 heeft verweerder de zoekslag nader gemotiveerd.
1.2.
Eiser is hier tegen in bezwaar gegaan en met het bestreden besluit van 22 augustus 2024 heeft verweerder aan eiser laten weten dat er niet meer documenten zijn.
1.3.
Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. M. Kaptein-van der Dong en mr. S. Johannes.
Overwegingen
2. De rechtbank beoordeelt of verweerder de zoekslag naar documenten zorgvuldig heeft verricht en voldoende inzichtelijk heeft gemaakt.
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat dit niet zo is. Hij heeft in beroep vier e-mails overgelegd, die hij op verschillende momenten in bovengenoemde periode aan in elk geval de burgemeester heeft gestuurd. In deze e-mails staat de leus letterlijk vermeld, dus zouden deze e-mails bij een Woo-verzoek naar boven moeten komen. Dat is tot twee keer toe niet gebeurd.
3.2.
Verweerder heeft in het verweerschrift over deze vier e-mails gesteld dat die niet aangetroffen zijn na een nieuwe zoekslag. Bij aanvang van de zitting heeft verweerder deze vier ontbrekende e-mails echter alsnog overgelegd. Verweerder heeft een derde zoekslag laten uitvoeren en toen kwamen deze vier e-mails (uiteindelijk) wel naar boven. Verweerder stelt dat er niet meer documenten zijn. Hij heeft zijn zoekslag in het aanvullende besluit van 22 juli 2024 nader toegelicht en inzichtelijk proberen te maken voor eiser.
4. De rechtbank gaat niet mee met het standpunt van verweerder dat de zoekslag zorgvuldig en voldoende inzichtelijk is. Verweerder heeft niet kunnen uitleggen waarom hij pas bij de derde zoekslag de door eiser naar de gemeente Amsterdam gestuurde e-mails heeft gevonden, e-mails waar de leus letterlijk in staat. Verder begrijpt de rechtbank dat als er een Woo-verzoek binnenkomt vervolgens uitvraag bij functionarissen wordt gedaan. De rechtbank leest in de door verweerder overlegde stukken echter niet terug wat er is gevraagd en aan welke functionaris. Eiser heeft aannemelijk heeft gemaakt dat de e-mails over de uitgezette zoekslag en de reply's daarop van functionarissen van belang zijn voor de beoordeling van de uitgevoerde zoekslag. Daarbij overweegt de rechtbank dat uit rechtspraak volgt dat het van belang kan zijn bij wie een zoekslag is uitgezet en welke vragen daarbij zijn meegegeven. De rechtbank merkt deze e-mails dan ook aan als op de zaak betrekking hebbende stukken, die verweerder moet overleggen. Het standpunt van verweerder dat het overleggen van e-mails over de uitvraag geen volledig beeld zou geven omdat dit soms ook telefonisch gaat, laat onverlet dat het om op de zaak betrekking hebbende stukken gaat en gaat er bovendien aan voorbij dat verweerder het ‘incomplete’ beeld nader kan toelichten.
5. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Om het gebrek te herstellen moet verweerder de e-mail(s) over de uitgezette zoekslag en de reply's daarop van functionarissen van verweerder overleggen en aan de hand daarvan nader motiveren op welke wijze de zoekslag is uitgevoerd.
6. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen zes weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
7. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van
mr. F. van der Maas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Wet open overheid.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:367, r.o. 5.1 en 5.2.
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/5845 T
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 augustus 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
de burgemeester van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Kaptein-van der Dong).
Procesverloop
1. Eiser heeft op 25 oktober 2023 een Woo-verzoek ingediend bij de Woo-coördinator van de gemeente Amsterdam. Eiser heeft gevraagd om alle informatie die zich bij de gemeente Amsterdam bevindt met betrekking tot de slogan “From the river to the sea, Palestine will be free”. Vervolgens is dit verzoek afgebakend tot de periode van 7 oktober 2023 tot 25 oktober 2023. Op 26 april 2024 heeft verweerder eiser geïnformeerd dat er 16 documenten zijn aangetroffen, die (gedeeltelijk) openbaar zouden worden gemaakt. Met een aanvullend besluit van 22 juli 2024 heeft verweerder de zoekslag nader gemotiveerd.
1.2.
Eiser is hier tegen in bezwaar gegaan en met het bestreden besluit van 22 augustus 2024 heeft verweerder aan eiser laten weten dat er niet meer documenten zijn.
1.3.
Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. M. Kaptein-van der Dong en mr. S. Johannes.
Overwegingen
2. De rechtbank beoordeelt of verweerder de zoekslag naar documenten zorgvuldig heeft verricht en voldoende inzichtelijk heeft gemaakt.
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat dit niet zo is. Hij heeft in beroep vier e-mails overgelegd, die hij op verschillende momenten in bovengenoemde periode aan in elk geval de burgemeester heeft gestuurd. In deze e-mails staat de leus letterlijk vermeld, dus zouden deze e-mails bij een Woo-verzoek naar boven moeten komen. Dat is tot twee keer toe niet gebeurd.
3.2.
Verweerder heeft in het verweerschrift over deze vier e-mails gesteld dat die niet aangetroffen zijn na een nieuwe zoekslag. Bij aanvang van de zitting heeft verweerder deze vier ontbrekende e-mails echter alsnog overgelegd. Verweerder heeft een derde zoekslag laten uitvoeren en toen kwamen deze vier e-mails (uiteindelijk) wel naar boven. Verweerder stelt dat er niet meer documenten zijn. Hij heeft zijn zoekslag in het aanvullende besluit van 22 juli 2024 nader toegelicht en inzichtelijk proberen te maken voor eiser.
4. De rechtbank gaat niet mee met het standpunt van verweerder dat de zoekslag zorgvuldig en voldoende inzichtelijk is. Verweerder heeft niet kunnen uitleggen waarom hij pas bij de derde zoekslag de door eiser naar de gemeente Amsterdam gestuurde e-mails heeft gevonden, e-mails waar de leus letterlijk in staat. Verder begrijpt de rechtbank dat als er een Woo-verzoek binnenkomt vervolgens uitvraag bij functionarissen wordt gedaan. De rechtbank leest in de door verweerder overlegde stukken echter niet terug wat er is gevraagd en aan welke functionaris. Eiser heeft aannemelijk heeft gemaakt dat de e-mails over de uitgezette zoekslag en de reply's daarop van functionarissen van belang zijn voor de beoordeling van de uitgevoerde zoekslag. Daarbij overweegt de rechtbank dat uit rechtspraak volgt dat het van belang kan zijn bij wie een zoekslag is uitgezet en welke vragen daarbij zijn meegegeven. De rechtbank merkt deze e-mails dan ook aan als op de zaak betrekking hebbende stukken, die verweerder moet overleggen. Het standpunt van verweerder dat het overleggen van e-mails over de uitvraag geen volledig beeld zou geven omdat dit soms ook telefonisch gaat, laat onverlet dat het om op de zaak betrekking hebbende stukken gaat en gaat er bovendien aan voorbij dat verweerder het ‘incomplete’ beeld nader kan toelichten.
5. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Om het gebrek te herstellen moet verweerder de e-mail(s) over de uitgezette zoekslag en de reply's daarop van functionarissen van verweerder overleggen en aan de hand daarvan nader motiveren op welke wijze de zoekslag is uitgevoerd.
6. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen zes weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
7. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van
mr. F. van der Maas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Wet open overheid.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:367, r.o. 5.1 en 5.2.