Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:5525
2025-05-01
Strafrecht; Internationaal strafrecht
13-034652-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Arrestatiebevel Verenigd Koninkrijk. Artikel 5 Uitvoeringswet Handels en Samenwerkingsovereenkomst EU - VK. Terugkeergarantie aangevuld met garantie dat een eventueel op te leggen straf mag worden aangepast in lijn met artikel 11 van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen. Overlevering toegestaan.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RBAMS:2025:2433 Rechtbank Amsterdam 15-04-2025
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:RBAMS:2025:5845 Rechtbank Amsterdam 31-07-2025
Volledige tekst
Volledige tekst (8.831 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-034652-25
Datum uitspraak: 1 mei 2025
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 3 Uitvoeringswet Handels- en Samenwerkingsovereenkomst EU – VK Justitie en Veiligheid (Uitvoeringswet) juncto artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank.
Deze vordering dateert van 6 februari 2025 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Aanhoudingsbevel (AB) als bedoeld in artikel 598 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (HSO).
Dit AB is uitgevaardigd op 3 december 2024 door the District Judge at Chester Magistrates Court in het Verenigd Koninkrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Verenigd Koninkrijk) op [geboortedag] 1942,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1Procesgang
De zitting van 1 april 2025
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 1 april 2025. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. A.L Wagenaar. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.J. van ’t Hoff, advocaat in Tilburg.
Op grond van artikel 3 Uitvoeringswet jo. artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
De tussenuitspraak van 15 april 2025
In de tussenuitspraak van 15 april 2025 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en direct geschorst om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de vraag te laten stellen of een na overlevering eventueel aan de opgeëiste persoon op te leggen vrijheidsbenemende straf in het licht van artikel 1, aanhef en onderdeel b, en artikel 5 Uitvoeringswet jo. artikel 6, eerste lid, OLW na terugkeer in Nederland naar Nederlandse maatstaven mag worden omgezet.
De zitting van 29 april 2025
De behandeling van het EAB is hervat op de zitting van 29 april 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. J.J. van ’t Hoff, advocaat in Tilburg, zijn – met voorafgaande instemming van de rechtbank – niet verschenen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.
3De tussenuitspraak van 15 april 2025
De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 15 april 2025, waarin zij heeft geoordeeld over de grondslag en inhoud van het AB (rubriek 3), de dubbele strafbaarheid van het in het AB vermelde feit (rubriek 4), de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 2 Uitvoeringswet (rubriek 6), de detentieomstandigheden in het Verenigd Koninkrijk in het licht van artikel 604, aanhef en onder c, HSO (rubriek 7) en de evenredigheid van de uitvaardiging van het AB (rubriek 8). Deze overwegingen dienen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
4. De garantie als bedoeld in artikel 5 Uitvoeringswet jo. artikel 6, eerste lid, OLW
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen in rubriek 5 van haar tussenuitspraak van 15 april 2025. De overwegingen in deze rubriek dienen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
In het bijzonder brengt de rechtbank in herinnering dat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen dat de Europese Unie, overeenkomstig artikel 690, eerste lid, HSO, namens Nederland de volgende verklaring als bedoeld in artikel 603, tweede lid, HSO heeft gedaan:
Overlevering na een aanhoudingsbevel met het oog op strafvervolging is niet toegestaan in geval van een verzoek om overlevering van een Nederlander.
Nederlandse onderdanen kunnen worden overgeleverd ten behoeve van strafvervolging voor zover de verzoekende staat een garantie afgeeft dat de gezochte persoon, met inachtneming van het op 21 maart 1983 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (VOGP), weer aan Nederland worden overgedragen teneinde daar na toepassing van de procedure als bedoeld in artikel 11 van dat verdrag zijn straf te ondergaan, indien hem na overlevering een vrijheidsstraf, anders dan een voorwaardelijke straf, of een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd.
Omdat uit de on behalf of the Secretary of State door de UK Central Authority bij brief van 27 februari 2025 verstrekte garantie niet bleek dat ook wordt gegarandeerd dat de na overlevering eventueel aan de opgeëiste persoon op te leggen vrijheidsbenemende straf en/of maatregel na terugkeer naar Nederland op grond van artikel 11 VOGP naar Nederlandse maatstaven mag worden omgezet, heeft de rechtbank de officier van justitie verzocht om de volgende vraag aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen:
Is gegarandeerd dat Nederland de straf mag omzetten naar Nederlandse maatstaven?
Op 29 april 2025 is on behalf of the Secretary of State door de UK Central Authority opnieuw een terugkeergarantie verstrekt. Deze garantie komt overeen met de garantie die in de tussenuitspraak van 15 april 2025 is weergegeven en is aangevuld met de volgende passage:
It is considered that a transfer under the 1983 European Convention on the Transfer
of Sentenced Persons and its Additional Protocol, allows the Netherlands to alter the
duration of any sentence imposed by a UK court only within the strict conditions set
out in Article 11 of that Convention.
Volgens de officier van justitie staat artikel 5 Uitvoeringswet jo. artikel 6, eerste lid, OLW gelet op deze aanvulling niet langer aan de overlevering van de opgeëiste persoon in de weg. De raadsman heeft – na sluiting van het onderzoek ter zitting – per e-mail aangegeven zich aan het oordeel van de rechtbank te refereren.
De rechtbank is van oordeel dat de in de tussenuitspraak geformuleerde bezwaren door de aanvullende garantie zijn weggenomen. De terugkeergarantie is daarmee voldoende.
5Slotsom
Nu is vastgesteld dat het AB voldoet aan de eisen van artikel 606 HSO en er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.
6Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 251 Wetboek van Strafrecht, 1, 3 en 5 Uitvoeringswet, 603 en 606 HSO.
7Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Judge at Chester Magistrates Court in het Verenigd Koninkrijk.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. E. Biçer en H.P. Kijlstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. J.M. Esschendal en M.J. Gauneau, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 mei 2025.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, Uitvoeringswet juncto artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Rb. Amsterdam 15 april 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:2433.
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-034652-25
Datum uitspraak: 1 mei 2025
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 3 Uitvoeringswet Handels- en Samenwerkingsovereenkomst EU – VK Justitie en Veiligheid (Uitvoeringswet) juncto artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank.
Deze vordering dateert van 6 februari 2025 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Aanhoudingsbevel (AB) als bedoeld in artikel 598 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (HSO).
Dit AB is uitgevaardigd op 3 december 2024 door the District Judge at Chester Magistrates Court in het Verenigd Koninkrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Verenigd Koninkrijk) op [geboortedag] 1942,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1Procesgang
De zitting van 1 april 2025
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 1 april 2025. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. A.L Wagenaar. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.J. van ’t Hoff, advocaat in Tilburg.
Op grond van artikel 3 Uitvoeringswet jo. artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
De tussenuitspraak van 15 april 2025
In de tussenuitspraak van 15 april 2025 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en direct geschorst om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de vraag te laten stellen of een na overlevering eventueel aan de opgeëiste persoon op te leggen vrijheidsbenemende straf in het licht van artikel 1, aanhef en onderdeel b, en artikel 5 Uitvoeringswet jo. artikel 6, eerste lid, OLW na terugkeer in Nederland naar Nederlandse maatstaven mag worden omgezet.
De zitting van 29 april 2025
De behandeling van het EAB is hervat op de zitting van 29 april 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. J.J. van ’t Hoff, advocaat in Tilburg, zijn – met voorafgaande instemming van de rechtbank – niet verschenen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.
3De tussenuitspraak van 15 april 2025
De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 15 april 2025, waarin zij heeft geoordeeld over de grondslag en inhoud van het AB (rubriek 3), de dubbele strafbaarheid van het in het AB vermelde feit (rubriek 4), de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 2 Uitvoeringswet (rubriek 6), de detentieomstandigheden in het Verenigd Koninkrijk in het licht van artikel 604, aanhef en onder c, HSO (rubriek 7) en de evenredigheid van de uitvaardiging van het AB (rubriek 8). Deze overwegingen dienen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
4. De garantie als bedoeld in artikel 5 Uitvoeringswet jo. artikel 6, eerste lid, OLW
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen in rubriek 5 van haar tussenuitspraak van 15 april 2025. De overwegingen in deze rubriek dienen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
In het bijzonder brengt de rechtbank in herinnering dat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen dat de Europese Unie, overeenkomstig artikel 690, eerste lid, HSO, namens Nederland de volgende verklaring als bedoeld in artikel 603, tweede lid, HSO heeft gedaan:
Overlevering na een aanhoudingsbevel met het oog op strafvervolging is niet toegestaan in geval van een verzoek om overlevering van een Nederlander.
Nederlandse onderdanen kunnen worden overgeleverd ten behoeve van strafvervolging voor zover de verzoekende staat een garantie afgeeft dat de gezochte persoon, met inachtneming van het op 21 maart 1983 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (VOGP), weer aan Nederland worden overgedragen teneinde daar na toepassing van de procedure als bedoeld in artikel 11 van dat verdrag zijn straf te ondergaan, indien hem na overlevering een vrijheidsstraf, anders dan een voorwaardelijke straf, of een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd.
Omdat uit de on behalf of the Secretary of State door de UK Central Authority bij brief van 27 februari 2025 verstrekte garantie niet bleek dat ook wordt gegarandeerd dat de na overlevering eventueel aan de opgeëiste persoon op te leggen vrijheidsbenemende straf en/of maatregel na terugkeer naar Nederland op grond van artikel 11 VOGP naar Nederlandse maatstaven mag worden omgezet, heeft de rechtbank de officier van justitie verzocht om de volgende vraag aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen:
Is gegarandeerd dat Nederland de straf mag omzetten naar Nederlandse maatstaven?
Op 29 april 2025 is on behalf of the Secretary of State door de UK Central Authority opnieuw een terugkeergarantie verstrekt. Deze garantie komt overeen met de garantie die in de tussenuitspraak van 15 april 2025 is weergegeven en is aangevuld met de volgende passage:
It is considered that a transfer under the 1983 European Convention on the Transfer
of Sentenced Persons and its Additional Protocol, allows the Netherlands to alter the
duration of any sentence imposed by a UK court only within the strict conditions set
out in Article 11 of that Convention.
Volgens de officier van justitie staat artikel 5 Uitvoeringswet jo. artikel 6, eerste lid, OLW gelet op deze aanvulling niet langer aan de overlevering van de opgeëiste persoon in de weg. De raadsman heeft – na sluiting van het onderzoek ter zitting – per e-mail aangegeven zich aan het oordeel van de rechtbank te refereren.
De rechtbank is van oordeel dat de in de tussenuitspraak geformuleerde bezwaren door de aanvullende garantie zijn weggenomen. De terugkeergarantie is daarmee voldoende.
5Slotsom
Nu is vastgesteld dat het AB voldoet aan de eisen van artikel 606 HSO en er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.
6Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 251 Wetboek van Strafrecht, 1, 3 en 5 Uitvoeringswet, 603 en 606 HSO.
7Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Judge at Chester Magistrates Court in het Verenigd Koninkrijk.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. E. Biçer en H.P. Kijlstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. J.M. Esschendal en M.J. Gauneau, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 mei 2025.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, Uitvoeringswet juncto artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Rb. Amsterdam 15 april 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:2433.