Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:4645
Inhoudsindicatie
Tussenbeschikking met inleidende overwegingen. Ots heeft tot op heden niet geleid tot noemenswaardige verbetering van de situatie. Er is geen zicht op wat de situatie met de minderjarige doet, hoe de verhouding tussen zijn ouders concreet effect heeft op zijn ontwikkeling en hoe hij gedijt bij de huidige zorgregeling. Rechtbank is onvoldoende geïnformeerd zodat een definitieve beslissing op de verzoeken niet mogelijk is. De huidige situatie biedt voor de minderjarige geen veilig opvoedklimaat. Tijdelijke zorgregeling wordt vastgesteld waarbij de wisselmomenten worden beperkt. Veiligheidsafspraken vanuit de GI maken deel uit van de zorgregeling. De vader is uit hoofde van zijn onderhoudsplicht gehouden om de door hem ontvangen kinderbijslag in de periode waarin hij geen kosten voor de minderjarige had aan de moeder te voldoen. Pro forma aanhouding zorgregeling, hoofdverblijf en gezag.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2007:BA0288 Centrale Raad van Beroep 09-03-2007
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (38.001 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken
zaaknummer / rekestnummer: C/13/743797 / FA RK 23-8408
Beschikking van 2 juli 2025 betreffende de wijziging van het gezag en een geschil gezamenlijke gezagsuitoefening als bedoeld in artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek
In de zaak van:
[de moeder]
,wonende te [woonplaats] ,hierna te noemen de moeder,
advocaat: mr. L.C. Fuijkschot, gevestigd te Alkmaar,
tegen
[de vader]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vader,
advocaat mr. R.P.M. Duijndam, gevestigd te Lisse.
De kinderrechter merkt als informant aan:
Jeugdbescherming Regio Amsterdam,
hierna te noemen JBRA.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,regio Amsterdam,locatie [locatie] ,hierna te noemen: de Raad.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
De inhoud van de beschikking van 21 mei 2024 wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.
1.2.
De rechtbank heeft vervolgens kennisgenomen van:
een F9-formulier met brief van de zijde van de vader, van 9 januari 2025;
een F9-formulier met akte tevens houdende wijziging c.q. vermeerdering verzoeken van de zijde van de moeder, ingekomen op 13 januari 2025;
een F9-formulier met bijlagen van de zijde van de vader, ingekomen op 10 februari 2025;
een F9-formulier met bijlagen van de zijde van de vader, van 9 mei 2025;
een F9-formulier met bijlagen van de zijde van de moeder, van 9 mei 2025;
een F9-formulier met bijlagen van de zijde van de vader, van op 16 mei 2025;
een F9-formulier met bijlage van de zijde van de moeder, van 20 mei 2025.
1.3.
De mondelinge behandeling is achter gesloten deuren voortgezet op 21 mei 2025.
Verschenen zijn:
de ouders, bijgestaan door hun advocaten;
mevrouw [naam 1] , vertegenwoordiger van de Raad;
de heer [naam 2] , vertegenwoordiger van JBRA.
1.4.
Van de zijde van de vader zijn pleitnotities voorgedragen.
2De verdere feiten
2.1.
Voor de vaststaande feiten wordt verwezen naar de beschikking van 21 mei 2024.
2.2.
De vader is bij vonnis van deze rechtbank d.d. 26 april 2024 strafrechtelijk veroordeeld vanwege bedreiging van de heer [naam 3] (de ex-partner van de moeder) met enig misdrijf tegen het leven gericht.
2.3.
De ondertoezichtstelling van [minderjarige] is bij beschikking van 11 februari 2025 met de duur van negen maanden verlengd, te weten tot 21 november 2025. De ouders hebben tijdens de zitting aan de rechtbank toestemming gegeven van deze beschikking om kennis te nemen.
3Het (gewijzigde) verzoek, het verweer en het zelfstandig verzoek
3.1.
De navolgende verzoeken liggen nog ter beoordeling voor aan de rechtbank.
3.2.
Het (gewijzigde) verzoek van de moeder strekt tot:
het bepalen van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder;
een wijziging van de zorgregeling naar een contactregeling waarbij [minderjarige] om de week van woensdag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijft;
beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag en het bepalen van eenhoofdig gezag van de moeder;
voldoening door vader van de door hem ontvangen kinderbijslag over de periode 31 oktober 2023 tot en met 21 februari 2025, subsidiair van 21 mei 2024 tot en met 21 februari 2025, aan de moeder;
een proceskostenveroordeling;
e.e.a. voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
3.3.
De moeder heeft, zoals de rechtbank begrijpt, haar verzoek ten aanzien van de kinderbijslag tijdens de mondelinge behandeling gewijzigd, zodanig dat zij subsidiair een verklaring voor recht verzoekt waarin wordt bepaald dat de moeder gerechtigd was tot het ontvangen van de kinderbijslag over de periode dat de moeder de volledige zorg over [minderjarige] had.
3.4.
De vader voert verweer tegen de verzoeken van de moeder en verzoekt zelfstandig de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader te bepalen en te bepalen dat de zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader herleeft, waarbij de moeder een dwangsom van €250,- per dag wordt opgelegd indien zij de zorgregeling niet nakomt, e.e.a. voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
3.5.
Op de stellingen van de ouders wordt hierna, samengevat en voor zover nodig, nader ingegaan.
4Standpunten de ouders, Raad en JBRA
4.1.
Moeder
Hoofdverblijf en zorgregeling
4.1.1.
De moeder wenst dat de door de rechtbank in 2023 vastgestelde co-ouderschapsregeling wordt gewijzigd in die zin dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar zal worden bepaald en het verblijf van [minderjarige] bij vader in duur wordt beperkt en ook anders wordt ingericht. De moeder stelt dat het niet (meer) mogelijk is om een co-ouderschapsregeling uit te voeren met de vader. Er is sprake van gevaarzitting – in het leven geroepen door de vader – die dient te worden opgeheven. JBRA heeft zonder haar instemming de co-ouderschapsregeling na de detentie van de vader in september 2024 laten herleven. Sindsdien zijn de zorgen over [minderjarige] toegenomen vanwege zorgelijke signalen over zijn gedrag. Zo laat [minderjarige] volgens de school regelgedrag zien, is hij betrokken bij ruzies en opstootjes en gebruikt hij geweld naar andere kinderen. Daarnaast ervaart de moeder de huidige overdrachtsmomenten als belastend zodat de regeling ook op dit punt moet worden aangepast. Er zijn nu teveel overdrachtsmomenten, die blijvend bron van conflict zijn en praktisch moeilijk vorm te geven omdat de overdracht regelmatig door een derde moet worden gedaan om spanningsvol en onveilig contact tussen de moeder en de vader te voorkomen, in haar belang en in het belang van [minderjarige] . De voorkeur van de moeder gaat ernaar uit om de overdracht nog meer via school te laten lopen, conform haar verzoek. De door de vader verzochte dwangsom met betrekking tot de naleving van de zorgregeling moet volgens de moeder worden afgewezen nu er geen reden dan wel noodzaak bestaat voor het opleggen daarvan. Moeder heeft de zorgregeling nimmer gestagneerd en is de contactmomenten altijd nagekomen.
Eenhoofdig gezag
4.1.2.
De moeder stelt samengevat dat voortzetting van het gezamenlijk gezag niet in het belang van [minderjarige] is en dat hij klem en/of verloren is in de huidige situatie. Volgens de moeder sluit de vader onvoldoende aan bij de behoeften en leefwereld van [minderjarige] en heeft hij onvoldoende zicht op wat [minderjarige] nodig heeft. Daarbij komt dat, door de onveilige situatie die de vader heeft gecreëerd, het voor de ouders niet mogelijk is om de minimaal benodigde mate van communicatie te hebben noodzakelijk voor de uitoefening van het gezamenlijk gezag. Van de moeder kan niet worden verlangd dat zij het overleg en de samenwerking met de vader opzoekt. Er is sprake van een ernstig verstoorde verstandhouding en het valt niet te verwachten dat er binnen afzienbare tijd verbetering komt. Er loopt namelijk al lange tijd een ondertoezichtstelling waarin van alles is geprobeerd maar die niet leidt tot verandering. Er is door JBRA een veiligheidsplan opgesteld, maar de gemaakte afspraken worden telkens door de vader niet nagekomen. De moeder noemt in dit verband als voorbeelden de afspraken die zien op het paspoort, de aanwezigheid van de ouders tijdens de voetbal en de inlichting per e-mail wanneer [minderjarige] ziek is. Aan de hand van deze voorbeelden dient te worden geconcludeerd dat het gezamenlijk gezag niet kan worden voortgezet. Bij het niet-nakomen van de afspraken wordt er niet door JBRA ingegrepen, wat voor de moeder leidt tot stress. De moeder probeert haar stress te relativeren, echter [minderjarige] krijgt het nodige mee. Volgens de moeder bestaat het gevaar dat beslissingen over [minderjarige] niet genomen kunnen worden aangezien de nodige toestemming van de vader ontbreekt. De moeder acht eenhoofdig gezag dan ook noodzakelijk.
Kinderbijslag
4.1.3.
De moeder heeft in de periode dat de vader in voorlopige hechtenis zat de volledige verzorging voor [minderjarige] op zich genomen. Daarmee heeft de moeder ook alle kosten voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] gedragen. Alhoewel de moeder deze kosten met liefde op zich neemt en er bewust voor kiest om geen geschil te maken over een bijdrage van de vader aan de moeder in de kosten van verzorging en opvoeding, acht de moeder het niet meer dan redelijk dat de kinderbijslag voor [minderjarige] van het afgelopen jaar aan haar toekomt.
4.2.
Vader
Hoofdverblijf en zorgregeling
4.2.1.
De vader heeft gesteld dat hij het in het belang van [minderjarige] acht dat de co-ouderschapsregeling wordt hervat en zal worden nageleefd door de moeder. Wat de vader betreft zijn er geen contra-indicaties die aan de uitvoering van de co-ouderschapsregeling in de weg staan. In de ondertoezichtstellingsbeschikking is volgens de vader een ‘spoorboekje’ uiteengezet dat gevolgd dient te worden. Dit houdt in dat de zorgen over [minderjarige] in beeld gebracht en geadresseerd moeten worden. Ook moet er gekeken worden naar de hulpvraag van de moeder zodat onbelaste omgang tussen [minderjarige] en de vader kan plaatsvinden. De vader is bereid om te kijken naar een aanpassing van de wisselmomenten, echter vindt de vader het te ver gaan om hierover een beslissing te vragen. De vader acht het in het belang van [minderjarige] dat hij zijn hoofdverblijfplaats bij hem houdt. De vader denkt dat een beslissing waarbij het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem wordt bepaald en van waaruit een omgangsregeling met de moeder verder wordt vormgegeven een betere basis zal bieden van waaruit via de hulpverlening toegewerkt kan worden naar het herstellen van vertrouwen tussen de ouders zonder dat [minderjarige] daarbij het contact met één van de ouders wordt onthouden.
Gezag
4.2.2.
De vader meent dat het verzoek van de moeder moet worden afgewezen. Wat betreft de vader is er geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 1:251a lid 1 BW. Het risico dat [minderjarige] klem of verloren zou raken tussen de ouders is volgens de vader nog niet onaanvaardbaar groot en te verwachten is dat hier binnen afzienbare tijd voldoende verbetering in komt. De vader meent dat het wel noodzakelijk is dat de moeder zich over haar weerstand jegens de vader zal zetten, dat zij niet langer het contact tussen de vader en [minderjarige] zal belemmeren en dat zij zich actief inzet bij de hulpverlening. De misstap die de vader in de zomer van 2023 heeft begaan en het plaatsen van een tracker onder de auto van moeder, rechtvaardigt wat hem betreft niet dat hem het gezag wordt ontnomen. De vader werkt aan alles mee maar hij vraagt zich af wat de moeder doet om tot verbetering van de situatie te komen. De vader meent dat de ouders en [minderjarige] erbij gebaat zijn als moeder haar eigen problemen adresseert.
Kinderbijslag
De vader voert verweer tegen het verzoek van de moeder en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring. De vordering van een geldsom, in dit geval de kinderbijslag, hoort niet in een verzoekschriftprocedure thuis en voor een verklaring voor recht ziet de vader geen grondslag. De vader heeft geen invloed uitkering van de kinderbijslag door de SVB, die de uitbetaling op basis van het co-ouderschap inmiddels heeft gesplitst.
4.3.
JBRA
4.3.1.
JBRA heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat een gezinsmanager was verbonden maar dat zij van de zaak is afgehaald in verband met signalen van de vader over stroeve samenwerking. Daarna is de zaak weer op de wachtlijst gezet omdat er geen andere gezinsmanager beschikbaar was. Sinds kort is die er wel. Voor [minderjarige] is op dit moment nog enkel een intern begeleider (hierna: IB’er) van school betrokken met wie hij wekelijks gesprekken heeft. Het advies van iHUB was om voor de ouders en [minderjarige] het traject ‘kinderen uit de knel’ in te zetten. Deze hulpverlening zou wat betreft interventies voor [minderjarige] het beste zijn. De gezinsmanager heeft dit met ouders besproken, waarop de moeder heeft aangegeven dat zij niet achter deze vorm van hulpverlening kan staan omdat dit traject op dit moment zo is vormgegeven dat ook hulpverlening voor ouders wordt ingezet, waarvoor zij met elkaar in één ruimte moeten zitten. In het licht van de gebeurtenissen in het verleden is dit voor haar te belastend. Moeder acht het van belang dat zij belastbaar blijft voor [minderjarige] , en daaraan draagt deze hulpverlening niet bij. Om die reden heeft JBRA het traject ‘kinderen uit de knel’ niet ingezet. Het plan is dat JBRA samen met de IB’er zal uitzoeken of verdere hulpverlening voor [minderjarige] nodig is. Ten aanzien van de hulpverlening voor [minderjarige] is het op dat punt tot nu toe blijven steken.
4.3.2.
Wat betreft de hulpverlening voor de ouders is het plan van JBRA om een parallel solo ouderschap (hierna: PSO) traject in te zetten. Voor deze hulpverlening is het van belang dat de basisafspraken tussen ouders goed op papier staan in een veiligheidsplan. JBRA zal hiermee opnieuw aan de slag gaan. Zo kunnen in de toekomst onduidelijkheden en spanningen voorkomen worden.
4.3.3.
JBRA heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij een meerwaarde zien in het vaststellen van een (tijdelijke) zorgregeling omdat dit het PSO traject zal helpen. JBRA geeft voorts aan dat zij geen advies kunnen geven ten aanzien van de vast te stellen zorgregeling omdat zij te weinig zicht hebben op dit punt. Alle aandacht van JBRA is tot nu toe uitgegaan naar de gesprekken met de ouders en het maken van goede basisafspraken. JBRA acht het wel van groot belang dat er meer zicht komt op de vraag welke zorgregeling in het belang van [minderjarige] is.
4.4.
De Raad
4.4.1.
De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat het betreurenswaardig is dat de ondertoezichtstelling pas zo laat van de grond is gekomen. De Raad vraagt zich daarbij ook af of er wel vanuit het juiste uitgangspunt hulpverlening is ingezet. In het raadsrapport worden er namelijk rode vlaggen gesignaleerd die kunnen duiden op intieme terreur. Hulpverleningtrajecten als ‘kinderen uit de knel’ kunnen niet worden ingezet wanneer één van de ouders onveilig is. Gelet op de rode vlaggen is ten aanzien van de ouders voorzichtigheid geboden en kan niet van moeder worden gevraagd in één ruimte met de vader te verblijven. De Raad vindt het positief dat het PSO-traject zal starten. De Raad merkt echter ook op dat het nu aan JBRA is om aan de slag te gaan met de zorgen die er zijn. De Raad geeft aan dat het geheel de indruk geeft van een onveilig opvoedklimaat waarbij [minderjarige] wordt belast met de angst van de moeder ten opzichte van de vader, welke angst de vader ontkent. Dat maakt de angst echter niet minder groot. Wat betreft het verzoek van de moeder tot het verkrijgen van eenhoofdig gezag adviseert de Raad om dit verzoek aan te houden, nu er op dit moment nog onvoldoende zicht is op de vraag hoe het met [minderjarige] gaat.
4.4.2.
De Raad kan geen advies over een mogelijke zorgregeling omdat er geen objectief beeld is van hoe [minderjarige] het nu doet. De moeder zegt dat er zorgen vanuit school worden geuit over het gedrag van [minderjarige] maar de vader ontkent dat. Het is steeds het ene woord tegen het andere. De Raad stelt dat het duidelijk is dat [minderjarige] behoefte heeft aan zijn vader en dat contact belangrijk is. Ook de overnachtingen maken daar een deel van uit. De onveiligheid zit in de relatie tussen de ouders, hetgeen een ernstige ontwikkelingsbedreiging met zich meebrengt. Een 50/50 zorgregeling is in een dergelijke situatie ambitieus want het vereist communicatie en frequente overdrachten. Om dat te bereiken, is het noodzakelijk dat er minder spanningen zijn tussen de ouders.
5De verdere beoordeling
5.1.
Inleidende overwegingen
5.1.1.
Voordat de rechtbank ingaat op de verschillende verzoeken van de ouders, zal eerst kort worden stilgestaan bij het beeld dat uit de stukken en de mondelinge behandeling blijkt, dat leidend is bij de verdere beoordeling.
5.1.2.
Sinds de ouders in 2022 uit elkaar zijn gegaan, wordt hun verhouding gekenmerkt door conflicten over alle beslissingen die samenhangen met hun ouderschap van [minderjarige] . Zij wijzen daarvoor ieder verschillende oorzaken aan.
5.1.3.
Volgens de moeder is bij de vader sinds hun uiteengaan sprake van een patroon van controle en dwang, onder andere resulterend in de strafbare feiten waarvoor hij is vervolgd en deels veroordeeld (een gevangenisstraf van een maand voor de bedreiging met de dood van haar ex-partner door middel van het sturen van rouwkransen). Ook het plaatsen van de tracker onder haar auto en het trackingssysteem dat door de politie bij de vader is aangetroffen, wat de vader erkent, valt te plaatsen in dat kader. Zij stelt dat de vader onverkort iedere mogelijkheid aangrijpt om dwang en controle uit te oefenen. De conflicten over kwesties als overdracht, vakanties, het paspoort en de ID-kaart van [minderjarige] , de kinderbijslag en de aanwezigheid van de ouders op de voetbalclub moeten in dat kader worden gezien. Veiligheidsafspraken vanuit de GI om dit te voorkomen helpen niet omdat deze door hem niet worden nagekomen.
5.1.4.
De vader stelt op zijn beurt dat er sprake is van een patroon van ongegronde beschuldigingen tegen hem door de moeder, resulterend in onterechte voorlopige hechtenis en een onterechte strafrechtelijke veroordeling; dat laatste is ook reden voor hem geweest om in hoger beroep te gaan. De uitkomst daarvan is nog niet bekend. Zijn voorlopige hechtenis was voor hem traumatiserend, hij heeft daarvoor trauma-behandeling moeten ondergaan. Hij stelt dat de moeder vanuit persoonlijke problematiek resulterend uit haar jeugd probeert om hem uit het leven van [minderjarige] te weren, en dat die problematiek de oorzaak is voor de conflicten tussen hen. De moeder fingeert angst wanneer het haar uitkomt. Volgens vader heeft de moeder dit ook gedaan bij de vader van haar oudere kinderen, en is de thuissituatie bij de moeder onveilig voor [minderjarige] . Volgens hem heeft Veilig Thuis destijds ten onrechte niets gedaan met zijn meldingen over drugs(gebruik) in de woning van moeder in het bijzijn van [minderjarige] .
5.1.5.
De rechtbank stelt vast dat de ondertoezichtstelling tot op heden niet heeft geleid tot een noemenswaardige verbetering van de situatie zoals die hiervoor is beschreven. Daarbij speelt een rol dat de aangewezen gezinsmanager als gevolg van signalen van vader door de GI van de zaak is gehaald zonder dat een andere vaste gezinsmanager beschikbaar was om regie te voeren. Uit de stukken is op te maken dat de ouders sinds het uitspreken van de ondertoezichtstelling beiden herhaaldelijk een beroep hebben gedaan op de GI om voor hen knopen door te hakken over concrete geschilpunten, maar dat de vereiste duidelijkheid en regie vooralsnog niet tijdig en onvoldoende worden gegeven. Veiligheidsafspraken worden wel opgesteld maar door vader maar deels geaccepteerd, waarna aan de ouders niet duidelijk (genoeg) wordt gemaakt wat in deze situatie van hen wordt verwacht en wat de consequentie is als zij zich daar niet aan houden. Daardoor blijven de conflicten voortduren en zich steeds herhalen.
5.1.6.
Een ander belangrijk probleem is dat de ondertoezichtstelling tot op heden niet heeft geleid tot enig zicht op wat deze situatie voor [minderjarige] betekent, hoe deze verhouding tussen zijn ouders concreet effect heeft op zijn ontwikkeling en hoe hij gedijt bij de huidige zorgregeling. De rechtbank deelt de verbazing van de Raad over het voorgestelde hulpverleningstraject “kinderen uit de knel”, nu gezamenlijk overleg tussen ouders van dat traject deel uitmaakt. Het had voor de GI en iHUB op basis van het onderliggende dossier zonder meer duidelijk moeten zijn dat in deze specifieke situatie evidente contra-indicaties bestaan tegen enig gezamenlijk overleg tussen ouders, in de vorm van de door de Raad in het onderzoeksrapport benoemde rode vlaggen ten aanzien van dwingende controle en de daarmee samenhangende strafrechtelijke vervolging van de vader. Dit heeft tot vertraging in de inzet van passende hulpverlening voor [minderjarige] geleid, met als gevolg dat die hulpverlening ten tijde van de mondelinge behandeling nog steeds niet was ingezet. Door het ontbreken van voldoende zicht op [minderjarige] is de Raad niet in staat is geweest te adviseren over de voorliggende verzoeken.
5.1.7.
Al het voorgaande heeft tot gevolg dat ook de rechtbank onvoldoende is geïnformeerd over hoe het met [minderjarige] gaat en wat precies de effecten van de situatie tussen zijn ouders op zijn actuele ontwikkeling zijn. Dat maakt dat een definitieve beslissing op de verzoeken niet mogelijk is. Nu inmiddels weer een vaste gezinsmanager is aangesteld, gaat de rechtbank ervan uit dat alsnog met grote spoed een voor [minderjarige] passend hulpverleningstraject wordt ingezet, met inachtneming van de specifieke problematiek tussen de ouders. Ook gaat de rechtbank er vanuit dat de GI met spoed het PSO traject zal inzetten omdat dit in de huidige situatie de enige haalbare ouderschapsvorm voor de ouders lijkt.
5.2.
Zorgregeling
5.2.1.
Ook zonder een actueel en volledig beeld van [minderjarige] is voor de rechtbank echter duidelijk dat de huidige situatie voor hem geen veilig opvoedingsklimaat biedt. De rechtbank zal op de voorliggende verzoeken in deze tussenbeschikking daarom tijdelijke beslissingen nemen over de zorgregeling, met als doel om concrete aanleiding voor de conflicten tussen de ouders zoveel mogelijk terug te dringen en daarmee hopelijk veel meer rust voor [minderjarige] te creëren.
5.2.2.
Bij de vaststelling van de zorgregeling geldt allereerst als uitgangspunt dat deze tegemoet zal moeten komen aan de gerechtvaardigde behoefte van de moeder tot bescherming tegen de door haar genoemde controle en dwang van de zijde van de vader. De rechtbank volgt de vader niet in zijn betoog dat de moeder slechts vanuit eigen persoonlijke problematiek een negatief beeld van hem neerzet. De rechtbank wijst erop dat de bedreiging waarvoor de vader is veroordeeld en het plaatsen van de tracker onder de auto van de moeder passen binnen het door haar genoemde patroon, en op zichzelf al dusdanig normoverschrijdend zijn dat bescherming tegen herhaling hiervan zonder meer geboden is. Bovendien is voor de rechtbank duidelijk dat de moeder gebukt gaat onder werkelijke angst, wat voor haarzelf en voor [minderjarige] onacceptabel is. De vader zal moeten aanvaarden dat het verleden consequenties heeft voor de zorgregeling in de toekomst en dat hij zich zal moeten houden aan de (veiligheids)voorwaarden die daarbij door de GI zullen worden vastgesteld.
5.2.3.
Verder geldt als duidelijk uitgangspunt bij de vaststelling van de zorgregeling dat [minderjarige] en de vader er recht op hebben deel uit te maken van elkaars leven, dat de vader zorg voor [minderjarige] draagt en zijn ouderrol op zich kan blijven nemen.
5.2.4.
De voorgaande uitgangspunten leiden tot de conclusie dat de zorgregeling die na overeenstemming tussen de ouders bij beschikking van 29 maart 2023 is vastgesteld, niet langer passend is. Deze regeling bevat veel overdrachten, terwijl deze overdrachten niet rechtstreeks zonder spanning kunnen verlopen en dus door een derde begeleid moeten worden op het moment dat deze niet via school kunnen lopen door bijvoorbeeld een studiedag, ziekte of een andere reden. De huidige regeling is daarmee te kwetsbaar voor conflict en spanning en niet in het belang van [minderjarige] . De rechtbank zal daarom een zorgregeling vaststellen waarbij de zorg gelijk verdeeld blijft, maar waarbij in plaats van een 5-5-2-2 regeling een week op week af regeling zal gelden met een wisseling op de woensdag, nu dit voor [minderjarige] ook in de huidige regeling al een wisseldag is. De rechtbank zal deze regeling na de zomervakantie in laten gaan om de ouders en [minderjarige] de gelegenheid te geven zich hierop aan te passen. Gelet op de leeftijd van [minderjarige] verwacht de rechtbank dat hij dit aan zal kunnen, maar het is aan de GI om dit te monitoren. Op het moment dat de GI constateert dat dit niet het geval is, zal de GI zelfstandig een weg naar de rechtbank kunnen maken om aanpassing van de zorgregeling te verzoeken in het kader van de lopende ondertoezichtstelling.
5.2.5.
De rechtbank zal de door de GI vast te stellen (veiligheids)voorwaarden verder deel uit laten maken van de vast te stellen zorgregeling, zodat er niet langer onduidelijkheid bestaat over de vraag of de ouders gehouden zijn om zich aan deze voorwaarden te houden. Het is zaak dat de GI daarin voortvarend handelt en duidelijkheid biedt. Deze voorwaarden zullen voor de ouders bindend zijn totdat de GI of de rechtbank daarover anders beslist, of ze het er nu mee eens zijn of niet. De rechtbank wijst erop dat de ouders in elk geval behoefte hebben aan concrete aanwijzing over:
de aanvraag van een ID-kaart;
het beheer van het paspoort en de ID-kaart;
de wijze van overdracht wanneer deze niet via school kan verlopen;
de gang van zaken ten aanzien van het verlenen van toestemming voor een vakantie;
de informatieverschaffing rondom overdrachten en bijzondere situaties zoals ziekte van [minderjarige] en doktersbezoek;
aanwezigheid van de ouders op de voetbalclub van [minderjarige] .
5.2.6.
Het verloop van de voorlopige zorgregeling zal moeten uitwijzen of deze gelijke verdeling van de zorg haalbaar is of dat een nieuwe wijziging noodzakelijk is.
5.3.
Dwangsom
5.3.1.
De rechtbank is van oordeel dat de vader onvoldoende heeft onderbouwd dat een dwangsom noodzakelijk is om naleving van de zorgregeling te waarborgen. De moeder is consequent in haar wens dat [minderjarige] zijn vader in zijn leven heeft en geeft daar ook uitvoering aan. De rechtbank zal dit verzoek dan ook afwijzen.
5.4.
Hoofdverblijf
5.4.1.
Bij beschikking van 29 maart 2023 heeft deze rechtbank besloten om geen hoofdverblijfplaats vast te stellen. Reden daarvoor was dat de ouders een gelijkwaardige co-ouderschapsregeling waren overeengekomen, en duidelijk was dat de ouders vooral emotionele waarde hechtten aan de vraag bij wie in de BRP [minderjarige] zou worden ingeschreven. Daarom is besloten dat [minderjarige] ingeschreven zou blijven staan op het BRP adres van de vader, nu hij daar al geruime tijd stond ingeschreven en geen omstandigheden waren gebleken die het in het belang van [minderjarige] maakten om de inschrijving te wijzigen. Gelet op de handhaving van de gelijke verdeling van de zorg ziet de rechtbank geen grond om nu een wijziging in deze beslissing aan te brengen. Een wijziging van de zorgregeling zal dit echter anders kunnen maken. Nu over die zorgregeling niet definitief is beslist, zal de rechtbank ook op het verzoek ten aanzien van het hoofdverblijf niet beslissen maar deze beslissing aanhouden, zoals hieronder in de beslissing vermeld.
5.5.
Gezag
5.5.1.
Het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk met het ouderlijk gezag over hun kinderen belast zijn en blijven na het uiteengaan. Op grond van artikel 1:253n, tweede lid, BW juncto 1:251a, eerste lid, BW kan de rechter het gezamenlijk gezag beëindigen en één van beide ouders met het gezag over een kind kan belasten, indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of indien de wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.5.2.
Uit de inleidende overweging van de beoordeling volgt dat de huidige situatie tussen de ouders onhoudbaar is en dat verbetering dringend noodzakelijk is. De interventies die daarvoor nodig zijn – onder andere een traject PSO voor ouders – zijn nog niet ingezet. Het is daarom op dit moment te vroeg om conclusies te trekken over de houdbaarheid van het gezamenlijk gezag. Het is nu aan de ouders om zich te houden aan de geldende (veiligheids)voorwaarden en om hun medewerking te verlenen aan het traject PSO. Aan de hand van het verloop daarvan zal moeten worden beoordeeld of het gezamenlijk gezag kan worden gehandhaafd of dat er gronden bestaan voor eenhoofdig gezag. De rechtbank zal de beslissing op dit verzoek dan ook aanhouden, zoals hieronder in de beslissing vermeld.
5.6.
Kinderbijslag
5.6.1.
De rechtbank overweegt ten aanzien van dit verzoek als volgt. Kinderen kosten maandelijks geld. In het licht van alimentatieverplichtingen wordt dit bedrag uitgedrukt in de zogenaamde ‘behoefte’ van een kind. Gedeeltelijk wordt die behoefte van een kind voldaan door de kinderbijslag, waarbij het uitgangspunt is dat de kinderbijslag volledig wordt besteed aan de kinderen. Wat betreft het overgebleven deel van de behoefte van een kind kunnen ouders ofwel samen financiële afspraken maken dan wel kunnen zij de rechtbank vragen om kinderalimentatie vast te stellen.
5.6.2.
De kinderbijslag komt, overeenkomstig de Kinderbijslagwet, toe aan de ouder tot wiens gezin het kind behoort of die door hem wordt onderhouden. Daarvoor is de feitelijke situatie bepalend en in beginsel is doorslaggevend waar het kind het merendeel van de voor de nachtrust bestemde tijd doorbrengt (CRvB 9 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA0288). Na een echtscheiding wordt de kinderbijslag in beginsel uitbetaald aan de verzorgende ouder. Komen ouders echter een co-ouderschapsregeling overeen waarbij zij ieder 50% van de tijd voor het kind zorgen, dan wordt het kind door beide ouders in gelijke mate verzorgd en onderhouden. In dergelijke situaties wordt doorgaans aangenomen dat beide ouders recht hebben op kinderbijslag en zal de kinderbijslag door de SVB in gelijke mate over de ouders worden verdeeld, tenzij de ouders anders zijn overeengekomen.
5.6.3.
De rechtbank leidt uit de stukken en de mondelinge behandeling af dat de moeder de volledige zorg en kosten voor [minderjarige] heeft gedragen vanaf het moment dat de vader op 30 oktober 2023 in voorlopige hechtenis is genomen tot medio september 2024. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat hij in die periode geen kosten heeft gemaakt voor [minderjarige] , maar wel de kinderbijslag heeft ontvangen.
5.6.4.
De rechtbank kan in het kader van deze procedure niet treden in de werkwijze van de SVB, nu de SVB geen partij is in deze procedure. De rechtbank kan dus geen beslissing nemen over het recht op kinderbijslag. Wel kan de rechtbank vaststellen dat de vader onderhoudsplichtig is voor [minderjarige] en dat zijn financiële draagkracht in de genoemde periode is verhoogd door ontvangst van kinderbijslag zonder dat daar kosten tegenover stonden, en dat de draagkracht van de moeder in gelijke mate is verlaagd, terwijl zij alle kosten droeg. Dat betekent dat de vader uit hoofde van zijn onderhoudsplicht jegens [minderjarige] gehouden is de door hem ontvangen kinderbijslag in de betreffende periode aan de moeder te voldoen. Het verzoek van de moeder zal op die grond worden toegewezen.
5.7.
Proceskosten
5.7.1.
De rechtbank overweegt dat de rechtbank ingevolge artikel 289 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, juncto artikel 237 e.v. – al dan niet ambtshalve – een proceskostenveroordeling kan uitspreken.
5.7.2.
In familierechtzaken wordt terughoudend omgegaan met een proceskostenveroordeling, dit om te voorkomen dat de relatie tussen de ouders verder wordt belast. De ouders moeten namelijk vaak nog met elkaar door als ouders van hun kind. Als hoofdregel geldt dan ook dat de proceskosten worden gecompenseerd, aldus dat iedere partij zijn eigen kosten draagt. Slechts in uitzonderlijke gevallen wordt van deze hoofdregel afgeweken.
5.7.3.
De rechtbank zal de beslissing over de proceskosten aanhouden in afwachting van de eindbeslissing in deze procedure.
6De beslissing
De rechtbank:
6.1.
wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 29 maart 2023 in die zin dat dat met ingang van het schooljaar 2025-2026 de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen ouders voorlopig als volgt zal zijn:
[minderjarige] verblijft in de eerste schoolweek na de zomervakantie 2025 tot woensdag naar school bij de moeder en die dag uit school gaat hij naar de vader. Vanaf dat moment zal [minderjarige] volgens een week op, week af regeling bij de ouders verblijven waarbij de wissel op woensdag via school verloopt;
bij de uitvoering van de zorgregeling zullen de ouders zich houden aan de (veiligheids)voorwaarden die de GI in het kader van de ondertoezichtstelling vaststelt.
6.2.
bepaalt dat de vader de door hem ontvangen kinderbijslag over de periode van 31 oktober 2023 tot en met medio september 2024 binnen 14 dagen na heden aan de moeder dient te vergoeden;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
houdt de beslissing ten aanzien van de definitieve zorgregeling, het hoofdverblijf en het gezag aan bepaalt dat de behandeling daarvan pro forma wordt voortgezet op 1 oktober 2025, voor uitlating partijen over de door hen gewenste voortgang van de procedure, en houdt iedere verdere beslissing aan;
6.5.
bepaalt dat deze zaak vanaf heden gecombineerd wordt aangebracht met een (eventuele) verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .
Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. V. Zuiderbaan, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I.L. Mulder, griffier, op 2 juli 2025.
Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).Het beroep moet worden ingesteld:- door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;- door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.