Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:432
2025-01-24
Bestuursrecht
25/372
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vovo. Afwijzing toelating tot de noodopvang voor gezin omdat verzoekster niet voldoet aan de bindingseis. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college de bindingseis mocht tegenwerpen. Het onderzoek van het college naar de belangen van de zoon en het ongeboren kind van verzoekers voldoet aan de minimale vereisten zoals die voortvloeien uit het IVRK. Belang van verweerder weegt op dit moment zwaarder. Vovo afgewezen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2022:1154 Centrale Raad van Beroep 16-05-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.845 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/372
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 januari 2025 in de zaak tussen
[verzoekers] , uit Amsterdam, verzoekers
(gemachtigde: mr. R.M. Vaalburg),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder, hierna: het college
(gemachtigde: mr. H. Kras).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor de toelating tot de noodopvang voor gezinnen.
1.2.
De GGD heeft (namens het college) in een e-mail van 2 januari 2025 (het bestreden besluit) de aanvraag van verzoekers voor maatschappelijke opvang en plaatsing in de noodopvang afgewezen. Plaatsing in de noodopvang is afgewezen omdat verzoekster sinds 2022 staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) en daardoor niet voldoet aan de voorwaarde van regiobinding voor de toelating tot de noodopvang voor gezinnen. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en daarnaast verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekers, A. Touzani als tolk en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2.
2.1.
Verzoekers verzoeken een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt met hun gezin toegelaten te worden tot de noodopvang.
2.2.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?
3.
3.1.
De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen.
3.2.
Verzoekers hebben een minderjarige zoon van één jaar, genaamd [naam] , en verzoekster is momenteel zwanger. Het gezin woonde tot juli 2024 op de [adres] [huisnummer] in Amsterdam. Deze woning moesten zij volgens verzoekster verlaten, omdat op dat adres te veel mensen illegaal stonden ingeschreven. Het gezin is dakloos geraakt en zij hebben sindsdien op wisselende adressen geslapen. De laatste weken verbleef het gezin bij een Syrische man waarmee zij via-via in contact mee zijn gekomen. Het gezin moest deze woning verlaten van de eigenaar omdat het huis te klein is. Sindsdien overnachten verzoekers op wisselende adressen bij zowel bekenden als onbekenden of in de auto.
Regiobindingseis
4.
4.1.
Verzoekers voeren aan dat zij geen verblijfsalternatief hebben. Zij kunnen niet langer bij hun netwerk terecht of op andere wijze in onderdak voorzien. Het college houdt ten onrechte vast aan de eis dat zij vier jaar in de BRP ingeschreven moeten staan. In het bestuursrecht geldt de vrije bewijsleer en het college heeft de plicht om de feitelijke situatie en de persoonlijke omstandigheden in dit kader te betrekken. Verzoekster woont sinds maart 2021 in Amsterdam. Dit onderbouwt verzoekster met haar Schengenvisum dat dateert van maart 2021, waaruit volgt dat zij rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Haar verblijf vanaf 2021 onderbouwt verzoekster verder met een aantal foto’s die dateren van mei 2021 die zijn genomen in Amsterdam. Het voorgaande betekent dat verzoeksters over twee maanden aan de regiobindingseis zal voldoen. Het is volgens verzoekers onevenredig om op dit moment de regiobindingseis nog tegen te werpen gelet op de spoedeisendheid van de situatie.
4.2.
Noodopvang voor dakloze gezinnen is geen algemene voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, maar buitenwettelijk begunstigend beleid. Dit betekent dat de voorzieningenrechter moet toetsen of het college het beleid consistent heeft toegepast en of de fundamentele rechten van verzoekers niet zijn geschonden. Het college heeft in het beleid de toegang tot noodopvang beperkt tot Amsterdamse gezinnen die feitelijk acuut dak- en thuisloos zijn geworden. Het doel van de noodopvang is om deze Amsterdamse gezinnen een plek te geven van waaruit zij mogelijkheden voor een meer structurele oplossing kunnen zoeken. Zij krijgen opvang voor de maximale duur van drie maanden, indien zij aan de regiobindingseis voldoen en actief op zoek zijn naar woningen in of buiten Amsterdam. De regiobindingseis houdt in dat ieder lid van het gezin minstens vier jaar in Amsterdam moet wonen, dat wil zeggen ingeschreven zijn in de BRP. De achtergrond van de regiobindingseis is dat de noodopvang beschikbaar blijft voor mensen die een binding hebben met Amsterdam. Zo wordt voorkomen dat gezinnen de noodopvang gebruiken als een manier om zich te vestigen in Amsterdam.
4.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college de regiobindingseis voor toelating tot de noodopvang voor gezinnen in beginsel aan verzoekers mocht tegenwerpen. Verzoekster voldoet niet aan vereiste van regiobinding, omdat zij pas sinds 26 januari 2022 in Amsterdam in de BRP staat ingeschreven. De stelling dat uit het Schengenvisum daterend van 18 maart 2021 en de overgelegde foto’s volgt dat verzoekster al langere tijd in Amsterdam verbleef, volgt de voorzieningenrechter niet. De afgifte van een Schengenvisum zegt namelijk niets over iemands woonplaats of feitelijke verblijfplaats. Dat verzoekster vanaf maart 2021 enkele foto’s heeft genomen in Amsterdam onderbouwt evenmin dat zij verbleef in Amsterdam. Nog daargelaten dat sinds maart 2021 hoe dan ook nog geen vier jaar zijn verstreken.
Belangen van het kind
5.
5.1.
Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of de fundamentele rechten van verzoekers zijn geschonden. Verzoekers voeren in dit verband aan dat de afweging van de belangen van [naam] en hun ongeboren kind niet in het bestreden besluit is terug te vinden. Verzoekers verwijzen hierbij onder andere naar de artikelen 3 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).
5.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de motivering van het bestreden besluit summier is en dat daarin de belangen van [naam] en het ongeboren kind van verzoekers niet kenbaar zijn betrokken, terwijl dit op grond van het IVRK wel had gemoeten. De besluitvorming bevat op dit punt een gebrek.
5.3.
De gemachtigde van het college heeft tijdens de zitting toegelicht dat de beslissing over toelating tot de noodopvang vaak snel genomen wordt en daardoor van een beperkte motivering wordt voorzien, zeker in gevallen waarin al meteen duidelijk is dat niet aan de regiobindingseis wordt voldaan. Dat betekent echter niet dat (hangende bezwaar) niet naar de belangen van de zoon en het ongeboren kind van verzoekers wordt gekeken. Tijdens de GGD screening van 13 december 2024 in het kader van de aanvraag voor maatschappelijke opvang is de situatie van [naam] en het ongeboren kind uitvoerig aan de orde gekomen. Verder heeft het college een melding gedaan bij Veilig Thuis en daarnaast is de Raad voor de Kinderbescherming op de hoogte gesteld van de situatie van verzoekers. Veilig Thuis heeft de melding afgesloten omdat zij op dit moment geen urgente situatie ziet. Mochten verzoekers daadwerkelijk met hun zoon op straat belanden, dan zal de Raad voor de Kinderbescherming in actie komen aldus het college.
5.4.
Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter voldoet het onderzoek van het college naar de belangen van de zoon en het ongeboren kind van verzoekers aan de minimale vereisten zoals die voortvloeien uit het IVRK. Dat betekent dat het geconstateerde motiveringsgebrek mogelijk in de beslissing op bezwaar zal worden hersteld, zodat niet geconcludeerd kan worden dat het bezwaar op dit punt een redelijke kans van slagen heeft. De gestelde onrechtmatigheid van het bestreden besluit is dus geen reden voor toewijzing van de gevraagde voorziening.
Belangenafweging
6.
6.1.
De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoekster die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van het college die pleiten tegen het treffen daarvan. De voorzieningenrechter weegt de betrokken belangen als volgt af.
6.2.
De voorzieningenrechter stelt daarbij voorop dat het invoelbaar is dat het voor verzoekers verre van ideaal is om steeds op wisselende plaatsen te verblijven met hun zoon. Dat gegeven is echter onvoldoende om verzoekers toch toe te laten tot de noodopvang. Verzoekster heeft op zitting toegelicht dat zij voor de afgelopen nachten een slaapplek bij een vriendin heeft kunnen vinden voor haar en [naam] . Verzoeker heeft afgelopen nachten elders geslapen. Niet is gebleken dat er op dit moment concrete aanwijzingen zijn dat het verzoekers niet meer gaat lukken om ook de komende tijd een slaapplek te vinden, al dan niet buiten Amsterdam. Verzoekers hebben ook nog aangevoerd dat hun zoon door medische kwetsbaarheid belang heeft bij een vaste en schone woonomgeving. Dit standpunt is echter onvoldoende onderbouwd. Daar staat tegenover het zwaarwegende belang van het college bij het stellen en toepassen van de regiobindingseis. De plekken in de noodopvang zijn zeer schaars en het loslaten van de regiobinding zou kunnen leiden tot een aanzuigende werking, terwijl Amsterdam nu al onvoldoende plekken in de noodopvang heeft.
6.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat gelet op het voorgaande en het ontbreken van regiobinding, het belang van verzoekers op dit moment niet zwaarder weegt dan het belang van het college voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Conclusie en gevolgen
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2025.
de griffier is buiten
staat om te tekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1154.
Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Amsterdam, juli 2024.
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/372
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 januari 2025 in de zaak tussen
[verzoekers] , uit Amsterdam, verzoekers
(gemachtigde: mr. R.M. Vaalburg),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder, hierna: het college
(gemachtigde: mr. H. Kras).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor de toelating tot de noodopvang voor gezinnen.
1.2.
De GGD heeft (namens het college) in een e-mail van 2 januari 2025 (het bestreden besluit) de aanvraag van verzoekers voor maatschappelijke opvang en plaatsing in de noodopvang afgewezen. Plaatsing in de noodopvang is afgewezen omdat verzoekster sinds 2022 staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) en daardoor niet voldoet aan de voorwaarde van regiobinding voor de toelating tot de noodopvang voor gezinnen. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en daarnaast verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekers, A. Touzani als tolk en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2.
2.1.
Verzoekers verzoeken een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt met hun gezin toegelaten te worden tot de noodopvang.
2.2.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?
3.
3.1.
De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen.
3.2.
Verzoekers hebben een minderjarige zoon van één jaar, genaamd [naam] , en verzoekster is momenteel zwanger. Het gezin woonde tot juli 2024 op de [adres] [huisnummer] in Amsterdam. Deze woning moesten zij volgens verzoekster verlaten, omdat op dat adres te veel mensen illegaal stonden ingeschreven. Het gezin is dakloos geraakt en zij hebben sindsdien op wisselende adressen geslapen. De laatste weken verbleef het gezin bij een Syrische man waarmee zij via-via in contact mee zijn gekomen. Het gezin moest deze woning verlaten van de eigenaar omdat het huis te klein is. Sindsdien overnachten verzoekers op wisselende adressen bij zowel bekenden als onbekenden of in de auto.
Regiobindingseis
4.
4.1.
Verzoekers voeren aan dat zij geen verblijfsalternatief hebben. Zij kunnen niet langer bij hun netwerk terecht of op andere wijze in onderdak voorzien. Het college houdt ten onrechte vast aan de eis dat zij vier jaar in de BRP ingeschreven moeten staan. In het bestuursrecht geldt de vrije bewijsleer en het college heeft de plicht om de feitelijke situatie en de persoonlijke omstandigheden in dit kader te betrekken. Verzoekster woont sinds maart 2021 in Amsterdam. Dit onderbouwt verzoekster met haar Schengenvisum dat dateert van maart 2021, waaruit volgt dat zij rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Haar verblijf vanaf 2021 onderbouwt verzoekster verder met een aantal foto’s die dateren van mei 2021 die zijn genomen in Amsterdam. Het voorgaande betekent dat verzoeksters over twee maanden aan de regiobindingseis zal voldoen. Het is volgens verzoekers onevenredig om op dit moment de regiobindingseis nog tegen te werpen gelet op de spoedeisendheid van de situatie.
4.2.
Noodopvang voor dakloze gezinnen is geen algemene voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, maar buitenwettelijk begunstigend beleid. Dit betekent dat de voorzieningenrechter moet toetsen of het college het beleid consistent heeft toegepast en of de fundamentele rechten van verzoekers niet zijn geschonden. Het college heeft in het beleid de toegang tot noodopvang beperkt tot Amsterdamse gezinnen die feitelijk acuut dak- en thuisloos zijn geworden. Het doel van de noodopvang is om deze Amsterdamse gezinnen een plek te geven van waaruit zij mogelijkheden voor een meer structurele oplossing kunnen zoeken. Zij krijgen opvang voor de maximale duur van drie maanden, indien zij aan de regiobindingseis voldoen en actief op zoek zijn naar woningen in of buiten Amsterdam. De regiobindingseis houdt in dat ieder lid van het gezin minstens vier jaar in Amsterdam moet wonen, dat wil zeggen ingeschreven zijn in de BRP. De achtergrond van de regiobindingseis is dat de noodopvang beschikbaar blijft voor mensen die een binding hebben met Amsterdam. Zo wordt voorkomen dat gezinnen de noodopvang gebruiken als een manier om zich te vestigen in Amsterdam.
4.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college de regiobindingseis voor toelating tot de noodopvang voor gezinnen in beginsel aan verzoekers mocht tegenwerpen. Verzoekster voldoet niet aan vereiste van regiobinding, omdat zij pas sinds 26 januari 2022 in Amsterdam in de BRP staat ingeschreven. De stelling dat uit het Schengenvisum daterend van 18 maart 2021 en de overgelegde foto’s volgt dat verzoekster al langere tijd in Amsterdam verbleef, volgt de voorzieningenrechter niet. De afgifte van een Schengenvisum zegt namelijk niets over iemands woonplaats of feitelijke verblijfplaats. Dat verzoekster vanaf maart 2021 enkele foto’s heeft genomen in Amsterdam onderbouwt evenmin dat zij verbleef in Amsterdam. Nog daargelaten dat sinds maart 2021 hoe dan ook nog geen vier jaar zijn verstreken.
Belangen van het kind
5.
5.1.
Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of de fundamentele rechten van verzoekers zijn geschonden. Verzoekers voeren in dit verband aan dat de afweging van de belangen van [naam] en hun ongeboren kind niet in het bestreden besluit is terug te vinden. Verzoekers verwijzen hierbij onder andere naar de artikelen 3 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).
5.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de motivering van het bestreden besluit summier is en dat daarin de belangen van [naam] en het ongeboren kind van verzoekers niet kenbaar zijn betrokken, terwijl dit op grond van het IVRK wel had gemoeten. De besluitvorming bevat op dit punt een gebrek.
5.3.
De gemachtigde van het college heeft tijdens de zitting toegelicht dat de beslissing over toelating tot de noodopvang vaak snel genomen wordt en daardoor van een beperkte motivering wordt voorzien, zeker in gevallen waarin al meteen duidelijk is dat niet aan de regiobindingseis wordt voldaan. Dat betekent echter niet dat (hangende bezwaar) niet naar de belangen van de zoon en het ongeboren kind van verzoekers wordt gekeken. Tijdens de GGD screening van 13 december 2024 in het kader van de aanvraag voor maatschappelijke opvang is de situatie van [naam] en het ongeboren kind uitvoerig aan de orde gekomen. Verder heeft het college een melding gedaan bij Veilig Thuis en daarnaast is de Raad voor de Kinderbescherming op de hoogte gesteld van de situatie van verzoekers. Veilig Thuis heeft de melding afgesloten omdat zij op dit moment geen urgente situatie ziet. Mochten verzoekers daadwerkelijk met hun zoon op straat belanden, dan zal de Raad voor de Kinderbescherming in actie komen aldus het college.
5.4.
Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter voldoet het onderzoek van het college naar de belangen van de zoon en het ongeboren kind van verzoekers aan de minimale vereisten zoals die voortvloeien uit het IVRK. Dat betekent dat het geconstateerde motiveringsgebrek mogelijk in de beslissing op bezwaar zal worden hersteld, zodat niet geconcludeerd kan worden dat het bezwaar op dit punt een redelijke kans van slagen heeft. De gestelde onrechtmatigheid van het bestreden besluit is dus geen reden voor toewijzing van de gevraagde voorziening.
Belangenafweging
6.
6.1.
De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoekster die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van het college die pleiten tegen het treffen daarvan. De voorzieningenrechter weegt de betrokken belangen als volgt af.
6.2.
De voorzieningenrechter stelt daarbij voorop dat het invoelbaar is dat het voor verzoekers verre van ideaal is om steeds op wisselende plaatsen te verblijven met hun zoon. Dat gegeven is echter onvoldoende om verzoekers toch toe te laten tot de noodopvang. Verzoekster heeft op zitting toegelicht dat zij voor de afgelopen nachten een slaapplek bij een vriendin heeft kunnen vinden voor haar en [naam] . Verzoeker heeft afgelopen nachten elders geslapen. Niet is gebleken dat er op dit moment concrete aanwijzingen zijn dat het verzoekers niet meer gaat lukken om ook de komende tijd een slaapplek te vinden, al dan niet buiten Amsterdam. Verzoekers hebben ook nog aangevoerd dat hun zoon door medische kwetsbaarheid belang heeft bij een vaste en schone woonomgeving. Dit standpunt is echter onvoldoende onderbouwd. Daar staat tegenover het zwaarwegende belang van het college bij het stellen en toepassen van de regiobindingseis. De plekken in de noodopvang zijn zeer schaars en het loslaten van de regiobinding zou kunnen leiden tot een aanzuigende werking, terwijl Amsterdam nu al onvoldoende plekken in de noodopvang heeft.
6.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat gelet op het voorgaande en het ontbreken van regiobinding, het belang van verzoekers op dit moment niet zwaarder weegt dan het belang van het college voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Conclusie en gevolgen
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2025.
de griffier is buiten
staat om te tekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1154.
Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Amsterdam, juli 2024.