Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:303
2025-01-17
Bestuursrecht
24/4949
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Terugvordering van bijstandsuitkering. Gezin heeft te veel uitkering ontvangen omdat partner van eiseres inkomsten uit werk ontving die niet bij het college bekend waren. Uit artikel 58 PW volgt dat het college bevoegd is om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Eiser heeft niet aangevoerd dat sprake is van onaanvaardbare gevolgen dat van terugvordering moet worden afgezien. Beroep op het vertrouwensbeginsel is onvoldoende onderbouwd. Beroep ongegrond.
Citeert (2)
- ECLI:NL:CRVB:2024:1330 Centrale Raad van Beroep 25-06-2024
- ECLI:NL:CRVB:2023:1297 Centrale Raad van Beroep 11-07-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.328 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/4949
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser
(gemachtigde: mr. P.J. Stronks),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder, hierna: het college
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de terugvordering van zijn bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw).
1.2.
Met het primaire besluit van 14 december 2023 heeft het college de uitkering van eiser met ingang van 1 december 2023 beëindigd en vordert het te veel ontvangen bedrag van € 1691,32 terug. Van 1 mei 2023 tot en met 30 november 2023 hebben eiser en zijn gezin te veel uitkering ontvangen. Mevrouw [naam] , de partner van eiser, ontving namelijk inkomsten uit werk die niet bij het college bekend waren. Met het bestreden besluit van 18 juli 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.
1.3.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2.
2.1.
De rechtbank beoordeelt of het college de bijstandsuitkering van eiser kon terugvorderen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Mocht het college het te veel ontvangen bedrag terugvorderen?
3.
3.1.
Uit artikel 58, tweede lid, onder a, van de Pw volgt dat het college bevoegd is om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand, anders dan door schending van de inlichtingenverplichting, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Uit artikel 58, achtste lid, van de Pw volgt dat het college geheel of gedeeltelijk van terugvordering kan afzien, als daarvoor een dringende reden aanwezig is. Zo’n dringende reden doet zich alleen voor als de terugvordering tot onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene leidt.
3.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft aangevoerd dat sprake is van dergelijke onaanvaardbare gevolgen waardoor het college van terugvordering moest afzien. De rechtbank is van oordeel dat het college daarom bevoegd was om de te veel ontvangen bijstand van eiser terug te vorderen.
Kan eiser een geslaagd beroep doen op het vertrouwensbeginsel?
4.
4.1.
Eiser voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Eiser heeft telefonisch aan het college doorgegeven dat hij – en zijn gezin – geen recht meer hadden op een bijstandsuitkering vanwege inkomsten uit andere bron. De medewerker van de gemeente Amsterdam deelde daarop mede dat naar zijn/haar oordeel het gezin nog recht had op bepaalde bedragen en dat eiser zich geen zorgde hoefde te maken. Eiser meent dat hij op deze door de gemeente verstrekte informatie mocht vertrouwen en dat hem een toezegging is gedaan dat hij niet geconfronteerd zou worden met een terugvordering.
4.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Volgens het college is er op 31 juli 2023 telefonisch contact is geweest tussen de partner van eiser en een inkomensconsulent van de gemeente Amsterdam en verwijst daartoe naar een telefoonnotitie van die datum waarin staat “klant komt nog steeds niet boven de norm van een gezin met haar inkomen”. Volgens het college heeft de inkomensconsulent op basis van de op dat moment in het persoonsdossier beschikbare gegevens de vraag van de partner van eiser ontkennend beantwoord. In december 2023 bleek na inzage in SUWI-net dat de inkomsten van de partner van eiser vanaf mei 2023 gelijk en/of hoger waren dan de geldende bijstandsnorm voor een gezin. Aangezien eiser de salarisspecificaties vanaf de maand mei 2023 niet had opgestuurd naar het college kon bij het college niet bekend zijn dat de hoogte van het inkomen van de partner van eiser vanaf mei 2023 was gewijzigd.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat eiser – in het licht van het voorgaande – zijn beroep op het vertrouwensbeginsel onvoldoende heeft onderbouwd. Eiser heeft niet onderbouwd welke informatie zijn partner tijdens het telefoongesprek heeft verstrekt aan de inkomensconsulent van de gemeente Amsterdam. Evenmin heeft hij onderbouwd dat hem een toezegging is gedaan dat er geen terugvordering zou volgen. Dat de inkomensconsulent op 31 juli 2023 kennelijk heeft gezegd dat het gezin niet boven de inkomensnorm uitkwam – zoals ook staat vermeld in de gespreksnotitie van die datum – kan dus niet als een toezegging worden opgevat. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van
mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
17 januari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Raad van 25 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1330.
Zie de uitspraak van de Raad van 11 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1297.
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/4949
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser
(gemachtigde: mr. P.J. Stronks),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder, hierna: het college
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de terugvordering van zijn bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw).
1.2.
Met het primaire besluit van 14 december 2023 heeft het college de uitkering van eiser met ingang van 1 december 2023 beëindigd en vordert het te veel ontvangen bedrag van € 1691,32 terug. Van 1 mei 2023 tot en met 30 november 2023 hebben eiser en zijn gezin te veel uitkering ontvangen. Mevrouw [naam] , de partner van eiser, ontving namelijk inkomsten uit werk die niet bij het college bekend waren. Met het bestreden besluit van 18 juli 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.
1.3.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2.
2.1.
De rechtbank beoordeelt of het college de bijstandsuitkering van eiser kon terugvorderen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Mocht het college het te veel ontvangen bedrag terugvorderen?
3.
3.1.
Uit artikel 58, tweede lid, onder a, van de Pw volgt dat het college bevoegd is om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand, anders dan door schending van de inlichtingenverplichting, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Uit artikel 58, achtste lid, van de Pw volgt dat het college geheel of gedeeltelijk van terugvordering kan afzien, als daarvoor een dringende reden aanwezig is. Zo’n dringende reden doet zich alleen voor als de terugvordering tot onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene leidt.
3.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft aangevoerd dat sprake is van dergelijke onaanvaardbare gevolgen waardoor het college van terugvordering moest afzien. De rechtbank is van oordeel dat het college daarom bevoegd was om de te veel ontvangen bijstand van eiser terug te vorderen.
Kan eiser een geslaagd beroep doen op het vertrouwensbeginsel?
4.
4.1.
Eiser voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Eiser heeft telefonisch aan het college doorgegeven dat hij – en zijn gezin – geen recht meer hadden op een bijstandsuitkering vanwege inkomsten uit andere bron. De medewerker van de gemeente Amsterdam deelde daarop mede dat naar zijn/haar oordeel het gezin nog recht had op bepaalde bedragen en dat eiser zich geen zorgde hoefde te maken. Eiser meent dat hij op deze door de gemeente verstrekte informatie mocht vertrouwen en dat hem een toezegging is gedaan dat hij niet geconfronteerd zou worden met een terugvordering.
4.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Volgens het college is er op 31 juli 2023 telefonisch contact is geweest tussen de partner van eiser en een inkomensconsulent van de gemeente Amsterdam en verwijst daartoe naar een telefoonnotitie van die datum waarin staat “klant komt nog steeds niet boven de norm van een gezin met haar inkomen”. Volgens het college heeft de inkomensconsulent op basis van de op dat moment in het persoonsdossier beschikbare gegevens de vraag van de partner van eiser ontkennend beantwoord. In december 2023 bleek na inzage in SUWI-net dat de inkomsten van de partner van eiser vanaf mei 2023 gelijk en/of hoger waren dan de geldende bijstandsnorm voor een gezin. Aangezien eiser de salarisspecificaties vanaf de maand mei 2023 niet had opgestuurd naar het college kon bij het college niet bekend zijn dat de hoogte van het inkomen van de partner van eiser vanaf mei 2023 was gewijzigd.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat eiser – in het licht van het voorgaande – zijn beroep op het vertrouwensbeginsel onvoldoende heeft onderbouwd. Eiser heeft niet onderbouwd welke informatie zijn partner tijdens het telefoongesprek heeft verstrekt aan de inkomensconsulent van de gemeente Amsterdam. Evenmin heeft hij onderbouwd dat hem een toezegging is gedaan dat er geen terugvordering zou volgen. Dat de inkomensconsulent op 31 juli 2023 kennelijk heeft gezegd dat het gezin niet boven de inkomensnorm uitkwam – zoals ook staat vermeld in de gespreksnotitie van die datum – kan dus niet als een toezegging worden opgevat. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van
mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
17 januari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Raad van 25 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1330.
Zie de uitspraak van de Raad van 11 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1297.