Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:2826

2025-04-03 Strafrecht; Europees strafrecht 1303256225
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2025-04-03
Publicatiedatum
2025-04-30
Rechtsgebied
Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure
Eerste en enige aanleg
Zaaknummer
1303256225
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Pools executie-EAB, artikel 12 sub b OLW, verweer art. 11 OLW verworpen. Overlevering toestaan.

Citeert (7)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.756 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER



Parketnummer: 13-032562-25




Datum uitspraak: 3 april 2025







UITSPRAAK





op de vordering van 31 januari 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 23 augustus 2022 door the Circuit Court in Sieradz – II Criminal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:




[opgeëiste persoon] ,

geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1987,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieplaats] ,



hierna ‘de opgeëiste persoon’.






1Procesgang


De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 maart 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda en door een tolk in de Poolse taal.



De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.



Tevens heeft de rechtbank voor de sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.





2Identiteit van de opgeëiste persoon


Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.





3Grondslag en inhoud van het EAB


Het EAB vermeldt een judgment of the District Court in Zduńska Wola van 30 maart 2021, met kenmerk II K 16/21 (final and enforceable from 06.04.2021).



De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en twee maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, één maand en 29 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.



Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.



3.1

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW



De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid.



In de toelichting onder rubriek d.2. van het EAB is het volgende vermeld:




“(…) The sentenced person did not appear at the hearing. A legal counsel of his choice appeared at the hearing. The sentenced person' s defence lawyer declared that the sentenced person knew about the date and time of the hearing. (…)”




Voorts heeft de opgeëiste persoon bij het verhoor tijdens zijn voorgeleiding aan de rechtbank op 31 januari 2025 verklaard dat hij in Polen een gemachtigd advocaat had die hem ter zitting heeft verdedigd.



De rechtbank is, gelet op deze informatie, van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is derhalve niet van toepassing.






4Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist


De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.



De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.



De feiten leveren naar Nederlands recht op:




opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;





opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;





overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.






5Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU


De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.



Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.





6Artikel 11 OLW: Poolse detentieomstandigheden



Standpunt van de raadsman




De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank de beslissing over de overlevering van de opgeëiste persoon dient aan te houden om de ontwikkelingen ten aanzien van de detentieomstandigheden in Barczewo en Potulice af te wachten. Weliswaar heeft de rechtbank recent geoordeeld dat geen algemeen reëel gevaar wordt aangenomen voor de gevangenis in Barczewo, maar niet dat daardoor geen sprake meer is van zorgelijke omstandigheden. In de gevangenis van Potulice speelt vergelijkbare geweldsproblematiek. Het is prematuur om nu al de conclusie te trekken dat de genomen maatregelen afdoende zijn. De situatie in Potulice is van belang omdat niet is gebleken in welke gevangenis de opgeëiste persoon zijn gevangenisstraf moet uitzitten.




Standpunt van de officier van justitie




De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat, nu de rechtbank recentelijk heeft geoordeeld dat op dit moment geen algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling bestaat voor opgeëiste personen die – in het kader van de executie van vrijheidsstraffen – in Polen worden gedetineerd.




Oordeel van de rechtbank




De rechtbank heeft in een andere zaak vragen gesteld over de detentieomstandigheden in de gevangenis in Barczewo. De rechtbank heeft in die zaak op 14 februari 2025 uitspraak gedaan, waarin zij tot het oordeel komt dat er geen algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in die gevangenis worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Met betrekking tot de gevangenis in Potulice heeft de rechtbank recentelijk geoordeeld dat evenmin sprake is van een algemeen gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel, nu dit niet met objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens is onderbouwd.





7Slotsom


De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2. Verder staan er geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is er geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.





8Toepasselijke wetsbepalingen


De artikelen 2, 3, 10 en 11 Opiumwet, 8 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 OLW.





9Beslissing



STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Sieradz - II Criminal Division, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.




Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter,
mrs. M.E.M. James - Pater en E. de Rooij, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp en G. Riedijk, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 april 2025.








































Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.




Zie artikel 23 Overleveringswet.


Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.


Zie onderdeel e) van het EAB.


Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.


Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).


ECLI:NL:RBAMS:2025:326.


ECLI:NL:RBAMS:2025:909.


ECLI:NL:RBAMS:2025:1833.