Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:11534

2025-09-11 Civiel recht; Personen- en familierecht C/13/766016 / FA RK 25-1863
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2025-09-11
Publicatiedatum
2026-08-05
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/13/766016 / FA RK 25-1863
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Definitieve zorgregeling. Co-ouderschap. Het lukt partijen niet om op een fijne manier afspraken met elkaar te maken. Uit het kindgesprek is gebleken dat de discussies tussen partijen bij de minderjarigen terecht komen. Dit is kwalijk en dient voorkomen te worden. Vervangende toestemming vakanties. Beheer paspoorten. Wijziging kinderalimentatie. Verzoek is beperkt tot € 299,- per kind. Dit bedrag wordt toegewezen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (111.550 tekens)
beschikking




RECHTBANK AMSTERDAM




Afdeling privaatrecht



zaaknummer / rekestnummer: C/13/766016 / FA RK 25-1863




Beschikking van 11 september 2025 betreffende wijziging alimentatie en zorgregeling




in de zaak van:




[de man] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. I.E. van der Bijl,



tegen




[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat, eerst mr. M. Weening, thans mr. F.C. Bouwmeester.






1De procedure


1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:


het verzoek van de man, ingekomen op 11 maart 2025;


het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op 6 mei 2025;


het F9-formulier met bijlagen van de man, ingekomen op 15 augustus 2025;


de aanvulling zelfstandige verzoeken met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 18 augustus 2025;


het F9-formulier met bijlage van de vrouw, ingekomen op 20 augustus 2025.





1.2.

De zaak is behandeld tijdens de mondelinge behandeling achter gesloten deuren op
26 augustus 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
- partijen, bijgestaan door hun advocaten.




1.3.

[minderjarige 1] is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken. Zij heeft een gesprek met de rechter gehad.



1.4.
Van de zijde van de zowel de man als de vrouw zijn pleitnotities voorgedragen en overgelegd.





2De feiten


2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij zijn in november 2011 een samenlevingsovereenkomst aangegaan. In juni 2023 hebben partijen hun relatie beëindigd.



2.2.
De minderjarige kinderen van partijen zijn:



[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats] ,



[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2019 te [geboorteplaats] .





2.3.
De man heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over beide minderjarigen.



2.4.
Partijen hebben meerdere procedures bij de voorzieningenrechter gevoerd. Tijdens de mondelinge behandeling van 17 april 2024 hebben zij onderling afspraken gemaakt, onder meer ten behoeve van een voorlopige zorgregeling en een voorlopige kinderbijdrage. Op 3 september 2024 heeft de rechtbank een kort geding vonnis inzake het onroerend goed afgegeven. Hierbij is, kort gezegd, bepaald dat alleen aan de vrouw, met uitsluiting van de man, het gebruik van de echtelijke woning en de studio is toegekend. Op 18 september 2024 heeft de rechtbank een vonnis inzake een voorlopige zorgregeling en voorlopige kinderalimentatie afgegeven.





3Het verzoek van de man en het verweer van de vrouw


3.1.

De man verzoekt de rechtbank bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen:
I. dat de minderjarigen elke maandag en dinsdag bij de vrouw verblijven, elke woensdag en donderdag bij de man, in de even weekenden bij de man en in de oneven weekenden bij de vrouw;
II. dat de volgende vakantie- en feestdagenregeling geldt waarbij de verdeling 50/50 is, dan wel een regeling zoals door de rechtbank in goede justitie te bepalen:
o vakanties worden op jaarbasis bij helfte verdeeld;
o jaarlijks wisselt de eerste keuze voor de vakantieweken. In de even jaren is de keuze aan de vrouw, en in de oneven jaren is de keuze aan de man;
o vakanties van 1 week zijn óf voor de man óf voor de vrouw;
o vakanties van 2 weken worden bij helfte verdeeld. In de even jaren mag de vrouw kiezen welke week zij wenst en in de oneven jaren de man;
o de zomervakantie van 6 weken wordt verdeeld op basis van het 2-2-1-1 principe, waarbij de vrouw in de even jaren de keuze heeft voor welke weeknummers, en de man in de oneven jaren;
o een vakantie start op maandag 12:00 uur en eindigt op vrijdag 12:00 uur, de aangesloten weekenden blijven verdeeld conform de reguliere verdeling (even weekenden man, oneven weekenden vrouw);
o het kiezen van vakanties gebeurt uiterlijk op 31 januari om 12:00 uur van het betreffende jaar. Met uitzondering van de vakanties vóór de zomervakantie, deze keuze moet uiterlijk 9 maanden van tevoren worden doorgegeven. Te laat de voorkeur doorgeven betekent dat de keuze overgaat naar de ander;
o voor overige feestdagen/studiedagen geldt het reguliere schema;
o voor Vaderdag en Moederdag geldt dat de minderjarigen de dag voorafgaand vanaf 17:30 uur naar de betreffende ouder gaan tot 17:30 uur op de dag zelf;
o voor de verjaardagen van de minderjarigen geldt het reguliere schema, waarbij de minderjarigen indien gewenst op de dag zelf naar de andere ouder mogen. Valt de verjaardag in een weekend dan wisselen de minderjarigen van ouder om 17:30 uur op de dag zelf en wisselen ze weer terug om 12:00 uur de dag erna;
o de minderjarigen vieren de verjaardagen van de ouders bij de betreffende ouder inclusief de nacht ervoor. De wissel vindt plaats om 17:30 uur de dag ervoor en om 17:30 uur op de dag zelf;
o indien een ouder oppas nodig heeft wordt eerst de andere ouder gevraagd. De andere ouder dient binnen 24 uur te reageren op het verzoek. Gebeurt dit niet, of kan de andere ouder niet, dan moet de verantwoordelijke ouder zelf een andere oplossing vinden. Het staat de ouders vrij om opa's en oma’s om hulp te vragen;
III. te bepalen dat de kinderbijdrage van de man per 26 februari 2025, dan wel per datum indiening verzoekschrift, dan wel per datum zoals door de rechtbank in goede justitie te bepalen, op nihil wordt gesteld, dan wel op een bedrag zoals door de rechtbank in goede justitie te bepalen;
IV. te bepalen dat de vrouw de door de man te veel betaalde alimentatie aan hem terug moet betalen.




3.2.

De vrouw voert verweer en verzoekt de rechtbank – na aanvulling en wijziging van haar verzoeken – bij zelfstandig verzoek, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. een zorgregeling te bepalen op grond waarvan de minderjarigen:
o bij de vrouw verblijven: op maandag en dinsdag en in de weekenden die aanvangen in de even weken;
o bij de man verblijven: op woensdag en donderdag en in weekenden die aanvangen in de oneven weken,
waarbij de wisseling op woensdag- en vrijdagmiddag plaatsvindt na schooltijd (of om
14:30 uur indien er geen school is) en op maandagochtend bij aanvang school (of om
8:30 uur indien er geen school is);
alsmede om een vakantie- en feestdagenregeling te bepalen op grond waarvan de minderjarigen bij de vrouw respectievelijk de man verblijven;
o in de zomervakantie: volgens een 2-2-1-1 schema, waarbij de minderjarigen:
 in de oneven jaren de eerste twee weken bij de vrouw verblijven;
 in de even jaren de eerste twee weken bij de man;
 in de oneven jaren de vijfde week bij de vrouw en de zesde week bij de man;
 in de even jaren de vijfde week bij de man en de zesde week bij de vrouw;
o in de herfstvakantie: in de oneven jaren bij de man, in de even jaren bij de vrouw;
o in de kerstvakantie:
 in even jaren: in de eerste week bij de vrouw en in de tweede week bij de man;
 in oneven jaren: in de tweede week bij de vrouw en in de eerste week bij de man;
met dien verstande dat de minderjarigen op de Tweede Kerstdag van 12:00 uur tot de volgende dag om 12:00 uur bij de ouder verblijven waar zij in de tweede vakantieweek zijn;
o in de voorjaarsvakantie: in de oneven jaren bij de vrouw, in de even jaren bij de man;
o in de meivakantie:
 in oneven jaren: in de eerste week bij de vrouw, in de tweede week bij de man;
 in even jaren: in de eerste week bij de man, in de tweede week bij de vrouw;
o op 5 december: in de even jaren bij de man, in de oneven jaren bij de vrouw, vanaf 14:30 uur, tot de ochtend erna om 9:30 uur (tenzij 6 december een vrije dag is, dan is de wissel om 12:00 uur);
o op Koningsdag: in de even jaren bij de man, in de oneven jaren bij de vrouw vanaf 8:30 uur tot de ochtend erna om 12:00 uur;
o op Vaderdag: bij de man vanaf de avond ervoor om 17:30 uur, tot de ochtend erna om 8:30 uur;
o op Moederdag: bij de vrouw vanaf de avond ervoor om 17:30 uur, tot de ochtend erna om 8:30 uur;
o op de verjaardag van de minderjarigen: in de oneven jaren bij de man, in de even jaren bij de vrouw, in beide gevallen vanaf de avond ervoor om 17:30 uur, tot de ochtend erna om 8:30 uur, waarbij de mogelijkheid bestaat om op de dag zelf ook de andere ouder te zien;
o op verjaardag van de man en de vrouw: bij de jarige ouder, inclusief de nacht ervoor vanaf 17:30 uur tot de ochtend erna om 08:30 uur;
o op studiedagen school en overige feestdagen: volgens de reguliere regeling, tenzij deze aansluit op een schoolvakantie, dan zijn de minderjarigen die dag bij de ouder waar zij in de desbetreffende vakantieweek zijn;
waarbij wordt bepaald dat:
o verjaardagen voorgaan op de vakantieregeling;
o de vakantieregeling voorgaat op een hiervoor genoemde feestdag, indien die feestdag in een schoolvakantieweek valt;
o de vakanties van een enkele week starten op vrijdag uit school en duren tot maan- dag naar school (8:30 uur);
o vakanties van twee of meer weken starten op vrijdag uit school en duren tot maandag naar school, waarbij het wisselmoment tussen de vakantieweken in plaatsvindt op zaterdag om 10:00 uur;
althans subsidiair, conform een in goede justitie te bepalen andere regeling, zoveel mogelijk aansluitend bij de wensen van de vrouw;
II. primair: vervangende toestemming aan beide ouders te verlenen om met hun kind(eren) in periodes waarin de zorg voor de minderjarigen conform de geldende zorgregeling aan de betreffende ouder is toevertrouwd, binnen Europa te reizen;

subsidiair: te bepalen dat partijen elkaar uiterlijk één week nadat de ouder daarom heeft verzocht toestemming dienen te verlenen (door ondertekening van het toestemmingsformulier en toezending van een kopie van het paspoort) voor het maken van een buitenlandse reis naar een land waarvoor op dat moment een positief (lees: groen of geel) reisadvies geldt;
III. te bepalen dat de vrouw de paspoorten van de minderjarigen beheert en deze uiterlijk twee weken voor vertrek aan de man overhandigt als hij met de minderjarigen op vakantie gaat, en door de man teruggegeven worden aan de vrouw op het eerste wisselmoment na afloop van iedere buitenlandse vakantie met de minderjarigen. Indien sprake is van opeenvolgende vakanties met iedere ouder (waardoor een overdracht twee weken voor vertrek niet mogelijk is), worden de paspoorten aan de ouder die als tweede met de minderjarigen op vakantie gaat overhandigd op het eerste wisselmoment na terugkomst van de eerste vakantie;
IV. te bepalen dat de man per 26 februari 2025, dan wel per een door de rechtbank in goede justitie te bepalen andere datum, zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen met € 299,- per kind per maand, maandelijks bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
V. te bepalen dat de netto kinderopvangkosten door partijen naar rato van hun draagkracht worden gedragen.




3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna ingegaan.





4De beoordeling


4.1.

Zorgregeling




Regulier, schoolvrije dagen en oppas



4.1.1.

De man stelt dat de door de rechtbank vastgestelde voorlopige regeling als definitieve regeling vastgelegd dient te worden. Deze regeling werkt goed en de minderjarigen zijn eraan gewend. Daarnaast acht de man het wenselijk dat het wisselmoment op schoolvrije dagen gelijk blijft aan het starttijdstip van de vakantieregeling, te weten 12:00 uur. Dit is namelijk hoe de regeling feitelijk verloopt. Volgens de man is dit duidelijk voor de minderjarigen.
Op de dagen dat een ouder verhinderd is en een oppas nodig heeft, dient eerst de andere ouder gevraagd te worden. Indien de andere ouder niet kan, staat het partijen vrij om opa’s en oma’s om hulp te vragen. De man stelt een goede band te hebben met de ouders van de vrouw. Hij heeft geen indicatie van hen gekregen dat zij niet meer kunnen oppassen.




4.1.2.

De vrouw acht het wenselijk dat er een definitieve zorgregeling inclusief vaste wisselmomenten wordt vastgelegd, zodat discussies hierover tussen partijen voorkomen kunnen worden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw haar verzoek tot wijziging van de weekenden ingetrokken. Zij kan zich echter niet geheel vinden in hetgeen de man verder verzoekt. Volgens de vrouw is het logisch en in het belang van de minderjarigen om het wisselmoment op schoolvrije dagen gelijk te laten lopen aan de tijdstippen van schooldagen. Het is onhandig om 12:00 uur, het voorgestelde tijdstip van de man, aan te houden. Dit tijdstip zou er namelijk toe kunnen leiden dat een oppas slechts voor een ochtend geregeld moet worden of dat er geen dagactiviteiten gepland kunnen worden.
Daarnaast verzoekt de vrouw het verzoek van de man, voor zover het gaat om het inschakelen van opa’s en oma’s van de zijde van de andere ouder als oppas, af te wijzen. Gelet op de verhoudingen tussen partijen, acht de vrouw het van belang dat opa en oma aan moederszijde enkel oppassen op verzoek van de vrouw, en opa en oma vaderszijde op verzoek van de man. Bovendien zijn de ouders van de vrouw al op leeftijd en komt het voor dat zij overbelast worden door het oppassen.




Vakanties




4.1.3.
De man verzoekt de rechtbank een definitieve 50/50-vakantieregeling vast te stellen, zodat daar tussen partijen geen onduidelijkheid en discussie meer over hoeft te bestaan. Een vakantie start op maandag om 12:00 uur en eindigt op vrijdag om 12:00 uur. De aangesloten weekenden blijven verdeeld conform de reguliere verdeling. Volgens de man komt dit overeen met de feitelijke situatie. Bovendien sluit dit aan bij de momenten waarop de man zijn vakanties boekt en van start laat gaan.



4.1.4.

De vrouw is het met de man eens dat de vakantieweken op jaarbasis bij helfte verdeeld dienen te worden. De vrouw kan zich echter niet vinden in het verzoek van de man dat de vakanties starten op maandag om 12:00 uur en eindigen op vrijdag 12:00 uur, en dat de weekenden derhalve verdeeld blijven conform de reguliere regeling. Het verzoek van de man wijkt ten eerste af van wat gebruikelijk is. Volgens de Rijksoverheid beginnen schoolvakanties namelijk op zaterdag en duren deze tot en met de zondag in de week erna. Het is dus praktisch en gangbaar om die periode aan te houden. Bovendien biedt dat partijen de mogelijkheid om een week op een vakantiebestemming door te brengen en zorgt het voor meer flexibiliteit. Aangezien de minderjarigen op vrijdagmiddag uit school komen en zij dan net enkele dagen bij de man hebben verbleven, acht de vrouw het per saldo nog praktischer en
rustiger voor de minderjarigen, wanneer zij op de vrijdagmiddag direct voorafgaand aan een schoolvakantie – in afwijking van de regeling die de overheid hanteert en de reguliere zorgregeling – na schooltijd al naar de ouder toegaan met wie zij de daarop volgende vakantieweek zullen doorbrengen. Dat scheelt een overdracht bij partijen thuis en dus potentiële onrust voor de minderjarigen. Daarnaast geeft het de ouder die met de minderjarigen op vakantie gaat de mogelijkheid om al op vrijdagmiddag te vertrekken.




Feestdagen




4.1.5.
De man stelt dat de feestdagen volgens de reguliere regeling dienen te lopen. Dit zorgt voor regelmaat en duidelijkheid bij de minderjarigen. Een uitzondering hierop zijn de verjaardagen van partijen en Vader- en Moederdag. Voor die feestdagen dienen concrete afspraken gemaakt te worden zoals voorgesteld in het verzoekschrift. Ten aanzien van de verjaardagen van de minderjarigen dient het reguliere schema te gelden, waarbij de minderjarigen indien gewenst op de dag zelf naar de andere ouder mogen.



4.1.6.
De vrouw is akkoord met het verzoek van de man omtrent de verjaardagen van partijen. Voorts stemt de vrouw gedeeltelijk in met het verzoek van de man met betrekking tot Vader- en Moederdag. Zij deelt zijn mening dat de minderjarigen Vader- en Moederdag bij de man respectievelijk de vrouw doorbrengen, vanaf 17:30 uur de avond ervoor. Aangezien Vader- en Moederdag altijd op zondag vallen, acht de vrouw het echter rustiger voor de minderjarigen als zij tot maandag naar school bij de betreffende ouder blijven. Dat scheelt een extra wisselmoment. Daarnaast acht de vrouw het wenselijk dat de verjaardagen van de minderjarigen per jaar tussen partijen verdeeld worden. Het is in het belang van de minderjarigen dat per jaar wordt afgewisseld waar zij wakker worden op hun verjaardag. Dit is namelijk een belangrijk moment voor hen.



Inhoudelijke beoordeling definitieve zorgregeling




4.1.7.
Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kunnen bij gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen daarover op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd.



4.1.8.

De rechtbank neemt vervolgens een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind
wenselijk voorkomt. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt is dat het van belang is voor een
evenwichtige ontwikkeling van de minderjarigen dat zij een relatie onderhouden met beide ouders.




4.1.9.
Het is de rechtbank gebleken dat partijen in grote lijnen dezelfde wensen hebben, maar niet in staat zijn om de zorgregeling gezamenlijk verder op details te concretiseren. De rechtbank merkt hierbij op dat dergelijke discussies voor veel onrust zorgen. Zo is ook gebleken uit het gesprek met [minderjarige 1] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank daarom partijen meegegeven zich aan te melden bij bijvoorbeeld [hulpinstantie] om begeleiding te krijgen bij het vormgeven van Parallel Ouderschap. Partijen hebben aangegeven hiervoor open te staan en dit verder te willen onderzoeken. De rechtbank acht dit in het belang van de minderjarigen.



4.1.10.
Ten aanzien van de definitieve zorgregeling overweegt de rechtbank het volgende. De voorlopige zorgregeling werkt in grote lijnen goed. Deze regeling zorgt voor structuur, regelmaat en duidelijkheid en is daarmee in het belang van de minderjarigen. De rechtbank zal de voorlopige zorgregeling dan ook definitief maken en op de voormelde discussiepunten aanvullen. Hierbij houdt de rechtbank rekening met de belangen van de minderjarigen. Indien in de loop der tijd blijkt dat op onderdelen andere keuzes de voorkeur hebben, kunnen ouders een wijziging overeenkomen indien zij daarover in goed overleg overeenstemming kunnen bereiken. In feite is nu aan de rechter verzocht om te beslissen over details die in een ouderschapsplan thuishoren of bij co-ouderschap in gezamenlijkheid worden beslist.



4.1.11.
Hoewel de man enige vrijheid wil laten in de te verdelen vakanties, is duidelijk geworden dat het partijen niet lukt om op een fijne manier afspraken met elkaar te maken. De rechtbank zal dan ook de vakantieregeling volledig vastleggen, zodat hier geen discussie over mogelijk is. Uit het gesprek met [minderjarige 1] is gebleken dat de discussies tussen partijen terecht komen bij de minderjarigen. Dit is kwalijk en dient voorkomen te worden. De rechtbank verwacht dat een volledig vastgelegde zorgregeling, inclusief vakanties en feestdagen, dit in grote mate kan tegengaan. Ten aanzien van het wisselmoment in vakanties, sluit de rechtbank aan bij hetgeen de vrouw heeft gesteld. Vakanties starten op zaterdagochtend en eindigen op zondagmiddag. Bovendien acht de rechtbank het verdere voorstel van de vrouw redelijk, zodat het weekend kan worden gebruikt voor het afreizen naar een vakantiebestemming en de minderjarigen minder overbodige wisselmomenten hebben.



4.1.12.
Een ander punt van discussie tussen partijen ziet op een aantal specifieke feestdagen, zoals de verjaardagen van minderjarigen, de verjaardagen van partijen en Vader- en Moederdag. Hoewel het dictum van de vrouw een andere regeling hanteert ten aanzien van de verjaardagen van partijen, stelt zij in het verweerschrift akkoord te gaan met het voorstel van de man. De rechtbank acht deze regeling ten aanzien van de verjaardag van partijen passend en in het belang van de minderjarigen. Met betrekking tot de verjaardagen van de minderjarigen en Vader- en Moederdag, gaat de rechtbank mee in het voorstel van de vrouw. Deze regeling is immers redelijk en zorgt voor minder onnodige wisselmomenten.



4.1.13.
Gelet op het voorgaande, stelt de rechtbank de volgende definitieve zorgregeling vast:


de minderjarigen verblijven op maandag en dinsdag en in de oneven weekenden bij de vrouw;


de minderjarigen verblijven op woensdag en donderdag en in de even weekenden bij de man;



o waarbij het wisselmoment op woensdag- en vrijdagmiddag plaatsvindt na schooltijd, en op maandagochtend voor school, te weten 08:30 uur;
o op schoolvrije dagen, zoals een studiedag, is het wisselmoment gelijk aan de reguliere regeling, te weten op woensdag- en vrijdagmiddag na schooltijd en op maandagochtend voor school om 08:30 uur;
 indien deze schoolvrije dag aansluit op een schoolvakantie, zijn de minderjarigen die dag bij de ouder bij wie zij in de desbetreffende vakantieweek zijn;
o indien een ouder oppas nodig heeft, wordt eerst de andere ouder gevraagd. De andere ouder dient binnen 24 uur op dit verzoek te reageren. Indien de andere ouder niet reageert of verhinderd is, dient de verantwoordelijke ouder zelf een andere oplossing te vinden. De verantwoordelijke ouder dient hierbij gebruik te maken van het eigen netwerk. Het is niet toegestaan om het netwerk van de andere ouder, voor zover het gaat om de opa’s en oma’s, in te schakelen;

 de zomervakantie wordt volgens een 2-2-1-1- schema verdeeld, waarbij de minderjarigen:

o in de oneven jaren de eerste twee weken bij de vrouw verblijven;
o in de even jaren de eerste twee weken bij de man verblijven;
o in de oneven jaren de vijfde week bij de vrouw en de zesde week bij de man verblijven;
o in de even jaren de vijfde week bij de man en de zesde week bij de vrouw verblijven;




de herfstvakantie: de minderjarigen verblijven in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;



de kerstvakantie: de minderjarigen verblijven:



o in de even jaren de eerste week bij de vrouw en in de tweede week bij de man;
o in de oneven jaren de eerste week bij de man en in de tweede week bij de vrouw;
 met dien verstande dat de minderjarigen op de Tweede Kerstdag van 12:00 uur tot de volgende dag om 12:00 uur bij de ouder verblijven waar zij in de tweede vakantieweek zijn;




de voorjaarsvakantie: de minderjarigen verblijven in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man;



de meivakantie: de minderjarigen verblijven:



o in de oneven jaren de eerste week bij de vrouw en in de tweede week bij de man;
o in de even jaren de eerste week bij de man en in de tweede week bij de vrouw;


5 december: de minderjarigen verblijven in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man, vanaf 14:30 uur, tot de ochtend erna om 09:30 uur;
o tenzij 6 december een vrije dag is, dan is het wisselmoment om 12:00 uur;



Moederdag: de minderjarigen verblijven bij de vrouw vanaf de avond ervoor om 17:30 uur tot de ochtend erna om 08:30 uur;



Vaderdag: de minderjarigen verblijven bij de man vanaf de avond ervoor om 17:30 uur tot de ochtend erna om 08:30 uur;



Verjaardag vrouw: de minderjarigen verblijven bij de vrouw vanaf de avond ervoor om 17:30 uur tot 17:30 uur op de dag zelf;



Verjaardag man: de minderjarigen verblijven bij de man vanaf de avond ervoor om 17:30 uur tot 17:30 uur op de dag zelf;



Verjaardag van de minderjarigen: de minderjarigen verblijven in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man, in beide gevallen vanaf de avond ervoor om 17:30 uur tot de ochtend erna om 08:30 uur, waarbij de mogelijkheid bestaat om op de dag zelf ook de andere ouder te zien;



Overige regelingen:



o verjaardagen gaan voor op de vakantieregeling;
o de vakantieregeling gaat voor op een feestdag, indien die feestdag in een schoolvakantieweek valt;
o vakanties van één week starten op vrijdag uit school en duren tot maandag naar school;
o vakanties van twee of meer weken starten op vrijdag uit school en duren tot maandag naar school, waarbij het wisselmoment tussen de vakantieweken plaatsvindt op zaterdag om 10:00 uur.





4.2.

Vervangende toestemming vakanties



4.2.1.
Tijdens mondelinge behandeling zijn partijen de volgende afspraak overeengekomen:


partijen dienen elkaar binnen één week nadat de ouder daarom heeft verzocht toestemming te verlenen, door ondertekening van het toestemmingsformulier en toezending van een kopie van het paspoort, voor het maken van een buitenlandse reis naar een land waarvoor op dat moment een positief, te weten groen of geel, reisadvies geldt;


het verzoek dient duidelijkheid te verschaffen over zowel de bestemming als de reisperiode.


De rechtbank verwacht dan ook dat partijen zich aan deze afspraak zullen houden. Het primaire verzoek van de vrouw onder II tot vervangende toestemming wordt geacht te zijn ingetrokken, nog daargelaten dat dit ook te onbepaald was om te kunnen worden toegewezen.




4.3.

Paspoorten



4.3.1.
De vrouw stelt dat de paspoorten van de minderjarigen door de man als chantagemiddel worden gebruikt. Indien de vrouw niet aan bepaalde door de man gestelde eisen voldoet, weigert de man de paspoorten van de minderjarigen aan haar te overhandigen, en doet hij dit pas op het allerlaatste moment. Om die reden wil de vrouw de paspoorten van de minderjarigen in beheer. Zij heeft er geen bezwaar tegen dat de man zelf Europese identiteitskaarten voor de minderjarigen aanschaft, waarmee hij binnen Europa kan reizen.



4.3.2.
De man voert aan dat hij sneller op e-mails en verzoeken reageert. Daarom is het logisch en gemakkelijker dat de paspoorten van de minderjarigen in zijn beheer blijven.



4.3.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Nu de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben, ligt het voor de hand dat de vrouw de paspoorten van de minderjarigen in beheer heeft. De paspoorten worden uiterlijk twee weken voor vertrek aan de man overhandigd als hij met de minderjarigen op vakantie gaat en worden door de man teruggegeven aan de vrouw op het eerste wisselmoment na afloop van iedere buitenlandse vakantie met de minderjarigen. Indien er sprake is van opeenvolgende vakanties met iedere ouder, waardoor een overdracht twee weken voor vertrek niet mogelijk is, worden de paspoorten van de minderjarigen overhandigd op het eerste wisselmoment na de vakantie van de eerste ouder.




4.4.

Wijziging kinderalimentatie



4.4.1.
De man verzoekt de rechtbank om de kinderbijdrage per 26 februari 2025, dan wel per datum indiening verzoekschrift, op nihil te stellen. De arbeidsovereenkomst van de man is per 25 februari 2025 beëindigd. Zijn inkomen is sinds 25 februari 2025 verminderd, omdat hij een WW-uitkering heeft. Van 26 februari 2025 tot 26 april 2025 ontving de man € 3.123,- netto per maand en vanaf 26 april 2025 ontvangt hij € 2.945,- netto per maand.



4.4.2.
De vrouw verweert zich tegen het verzoek van de man. Daartoe voert de vrouw aan dat het inkomen van de man voor herstel vatbaar is. De man heeft immers jarenlang een hoog inkomen genoten. Bovendien is het gerechtvaardigd dat de man inteert op zijn vermogen om bij te dragen in de kosten van de minderjarigen. De vrouw heeft in het zelfstandige verzoek de rechtbank verzocht de kinderbijdrage vast te stellen op € 299,- per kind per maand, maandelijks bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen.



4.4.3.
De rechtbank kan de kinderalimentatie opnieuw berekenen als de omstandigheden zijn gewijzigd. Daarvan is hier wel sprake, nu de omstandigheden van de man, sinds het moment dat hij heeft ingestemd met een door hem te betalen kinderbijdrage, zijn gewijzigd. Het is namelijk gebleken dat de arbeidsovereenkomst van de man per 26 februari 2025 is beëindigd en zijn inkomen over de afgelopen periode is afgenomen.



De ingangsdatum




4.4.4.
Voordat de rechtbank opnieuw kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de nieuwe kinderalimentatie gaat gelden. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding de ingangsdatum te bepalen op de datum van deze beschikking, nu in de provisionele voorzieningenprocedure al een kinderbijdrage is vastgesteld.



Behoefte




4.4.5.
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van de minderjarigen, geïndexeerd naar 2025, € 1.652,- bedraagt.



De draagkracht van de ouders




4.4.6.
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van het kind voorzien.



4.4.7.
Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Het netto besteedbaar inkomen van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van de minderjarigen.



4.4.8.

Daarvoor maakt de rechtbank bij een netto besteedbaar inkomen dat hoger is dan € 1.875,- per maand in 2025 gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’. In die formule wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen per maand. De ouders worden geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij hun inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een vast bedrag aan lasten, dat ieder jaar wordt bijgesteld. In 2025 is dat een bedrag van € 1.310,- per maand.
Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het netto besteedbaar inkomen blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. De berekening van de draagkracht ziet er dan in 2025 als volgt uit: 70% [NBI – (0,3 x NBI + 1.310)].




De draagkracht van de man




4.4.9.
De draagkracht van de man berekent de rechtbank op € 3.089,- per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.



4.4.10.
De man stelt dat zijn arbeidsovereenkomst bij [bedrijf 1] niet is verlengd. Van 26 februari 2025 tot 26 april 2025 heeft de man een WW-uitkering ontvangen van € 4,741,55 bruto per maand. Vanaf 26 april 2025 is dit bedrag verlaagd naar € 4.425,45 bruto per maand. Bovendien betaalt de man, bovenop zijn eigen huurlasten, de helft van de maandelijkse aflossing van de woning. Ook zijn de huurlasten van de man verhoogd. De man verzoekt daarom rekening te houden met de werkelijke woonlasten en niet met het woonforfait. Vanaf 1 september 2025 gaat de man bij [bedrijf 2] werken, waar hij een bruto jaarsalaris van € 110.000,- ontvangt. Indien 100% van de jaarlijkse quota wordt gehaald, ontvangt de man een bonus waarbij zijn bruto jaarsalaris kan oplopen tot € 220.000,-.



4.4.11.

De vrouw voert aan dat de man tot februari 2025 een inkomen ontving van € 157.500,- per jaar. Indien wordt aangenomen dat de draagkracht van de man € 0,- is, is er tussen partijen onvoldoende draagkracht om in de behoefte van de minderjarigen te voorzien. Toewijzing van het verzoek van de man zou derhalve met zich meebrengen dat dit tekort geheel voor rekening van de vrouw komt. Daarnaast kan van de man, in dergelijke kwesties, verlangd worden dat hij op zijn vermogen inteert. Gelet op het hoge inkomen dat de man de laatste jaren heeft genoten, gaat de vrouw ervan uit dat hij veel heeft kunnen sparen.
Bovendien stelt de vrouw dat het inkomen van de man voor herstel vatbaar is. De man heeft immers per 1 september 2025 weer een nieuwe baan met een basissalaris van € 110.000,- per jaar, waarbij het uiteindelijke inkomen bonus gerelateerd is. Er dient daarom van uit worden gegaan dat de man een vergelijkbaar inkomen kan genereren als bij zijn vorige baan.
Volgens de vrouw is er ook geen reden om af te wijken van het woonlastenforfait aan de zijde van de man. Een deel van de woonlasten zijn hypotheekaflossingen en dus vermogensopbouw.




4.4.12.
De rechtbank overweegt als volgt. Ten aanzien van het verzoek strekkende tot nihilstelling van de kinderbijdrage per 26 februari 2025, baseert de man zijn verzoek op het wegvallen van zijn arbeidsinkomen en zijn hogere woonlasten. De rechtbank is van oordeel dat, naast het inkomen van de man, ook de omvang van zijn vermogen relevant is. Vermogen is immers ook bedoeld om, in tijden dat het tegenzit, op terug te kunnen vallen. Afhankelijk van de grootte van het vermogen kan daarom van een alimentatieplichtige worden verlangd dat hij op zijn vermogen inteert. Nu de man stelt dat hij in een financiële noodsituatie komt te verkeren als hij de bijdrage van € 306,- per kind per maand moet blijven voldoen, is het aan de man om door middel van het indienen van bewijsstukken aan te tonen dat hiervan sprake is. De man heeft in de procedure verwezen naar de aangifte IB 2024, maar heeft nagelaten om inzicht te geven in zijn vermogen per 2025. De rechtbank beschikt over geen enkel stuk waaruit blijkt wat het vermogen van de man bedraagt en in hoeverre hij op dit moment inteert. Gelet op de huidige omstandigheden, acht de rechtbank het redelijk dat de man per 26 februari 2025 inteert op zijn vermogen.



4.4.13.
Voor het vaststellen van de kinderbijdrage, gaat de rechtbank uit van het basisinkomen dat de man vanaf september 2025 zal gaan verdienen, zijnde € 110.000,- bruto per jaar, vermeerderd met een bonus. De man heeft gesteld dat hij een bonus ontvangt die maximaal 100% is van zijn inkomen. Dit blijkt ook uit zijn aanstellingsbrief. De rechtbank gaat er niet van uit dat de man jaarlijks een bonus van 100% ontvangt, maar acht het wel redelijk om te rekenen met een geschatte gemiddelde bonus. De rechtbank schat deze op een bedrag van € 50.000,-. Verder houdt de rechtbank rekening met 8% vakantietoeslag. De man heeft immers niet aangetoond dat zijn bruto inkomen inclusief vakantietoeslag is. Verder wordt rekening gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Daarnaast rekent de rechtbank, anders dan de man, met het woonforfait. Een deel van de woonlasten waar de man mee rekent, zijn immers hypotheekaflossingen. Dit is dan ook een vermogensopbouw aan de zijde van de man. Het netto besteedbaar inkomen is dan € 8.175,- per maand.



4.4.14.
Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2025 heeft de man een draagkracht van € 3.089,- per maand.



De draagkracht van de vrouw




4.4.15.
De draagkracht van de vrouw berekent de rechtbank op € 1.096,- per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.



4.4.16.
De man stelt dat de vrouw marginaal inzage heeft gegevens in haar inkomensgegevens. Er ontbreken stukken zoals de aangifte IB 2024 en jaaropgaven. Ook laat de vrouw na inzage te geven in haar inkomsten die zij verwerft uit het organiseren en begeleiden van [bedrijf 3] en andere projecten. Dit dient voor rekening en risico van de vrouw te komen. Het is dan ook reëel om uit te gaan van een inkomen van € 68.250,- bruto jaarinkomen in 2025 van het UWV en ABP en daarnaast nog een geschat inkomen van € 550,- netto per maand vanuit [bedrijf 3] . Bovendien dient rekening te worden gehouden met de daadwerkelijke woonlasten van de vrouw, nu deze een stuk lager uitkomen dan het woonforfait.



4.4.17.

De vrouw voert aan dat zij een inkomen heeft dat is opgebouwd uit een WIA-uitkering en een AAOP-uitkering. De vrouw kan geen aanspraak maken op de inkomensafhankelijke combinatiekorting, omdat haar uitkering niet kwalificeert als inkomen uit arbeid.
Daarnaast stelt de vrouw € 11.000,- van de buurvrouw en € 10.000,- van haar vader te hebben geleend. In tegenstelling tot wat de man stelt, heeft de vrouw geen inkomsten uit [bedrijf 3] ontvangen. Er zijn geen aanmeldingen of andere projecten geweest. Zij is nog in de opstartfase.
Bovendien is er geen reden om aan de zijde van de vrouw af te wijken van het woonforfait. De werkelijke woonlasten zijn niet duurzaam aanmerkelijk lager en van een uitzonderlijke situatie is geen sprake.




4.4.18.
Voor het inkomen van de vrouw gaat de rechtbank uit van de WIA-uitkering van € 4.198,- bruto per maand en 8% vakantietoeslag. Daarnaast wordt het arbeidsongeschiktheidspensioen van € 1.263,- bruto per maand meegenomen. Anders dan de man houdt de rechtbank geen rekening met inkomsten uit Retreats. De vrouw heeft voldoende gemotiveerd betwist dat zij daar inkomsten uit heeft geworven. Verder wordt rekening gehouden met een kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop. Het netto besteedbaar inkomen is dan € 4.107,- per maand. De rechtbank houdt geen rekening met de door de vrouw gestelde leningen. De vrouw heeft niet inzichtelijk gemaakt wat zij zou aflossen op die leningen. Bovendien is niet duidelijk waarvoor zij dit geld zou hebben geleend.



4.4.19.
Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2025 heeft de vrouw een draagkracht van € 1.096,- per maand.



De verdeling van de kosten




4.4.20.
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kinderen, dan moet de rechtbank berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.



4.4.21.
De ouders hebben samen een draagkracht van € 4.185,- per maand. Dit is genoeg om alle kosten van de minderjarigen te betalen, want die zijn € 1.652,- per maand. Dit betekent dat de man een deel van (€ 3.089 / € 4.185 x € 1.652 =) € 1.219,- per maand moet dragen en de vrouw een deel van (€ 1.096 / € 4.185 x € 1.652 =) € 433,- per maand.



De zorgkorting




4.4.22.
De man maakt op de dagen dat de minderjarigen bij hem verblijven kosten voor eten en drinken, energielasten et cetera: de verblijfskosten. Daarmee voldoet de man – deels – de kosten van de minderjarigen (de ‘behoefte’). De rechtbank houdt daar rekening mee door de bijdrage van de man te verlagen met een percentage van de behoefte van de minderjarigen of een deel daarvan: de ‘zorgkorting’.



4.4.23.
Gelet op de huidige zorgregeling acht de rechtbank het redelijk dat de man aanspraak kan maken op een zorgkorting van 35% van de behoefte, dus € 578,- per maand. Dat betekent dat de man een bedrag van (€ 1.219 -/- € 578 =) € 641,- per maand, dus afgerond € 321,- per kind per maand, moet betalen. Nu het verzoek beperkt is tot € 299,- per kind per maand, zal dat bedrag worden toegewezen.



Alimentatie terugbetalen




4.4.24.
Omdat de rechtbank met het berekenen van de door de man te betalen alimentatie uitkomt op een hoger bedrag dan eerder is vastgesteld, komt de rechtbank niet toe aan het verzoek van de man om de te veel betaalde alimentatie terug te betalen. De man heeft immers niet te veel alimentatie betaald.




4.5.

Kinderopvang



4.5.1.
De vrouw heeft haar verzoek tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken, nadat de man heeft verklaard dat, ondanks zijn nieuwe baan, de huidige zorgregeling kan blijven doorlopen. De man zal geen gebruik gaan maken van de kinderopvang. De rechtbank hoeft op dit punt dan ook geen beslissing te nemen.




4.6.
Dit leidt tot de volgende beslissing.





5De beslissing


De rechtbank:



5.1.
bepaalt dat de man € 299,- per kind per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen, met ingang van heden, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;



5.2.
bepaalt de onder rechtsoverweging 4.1.13. vastgelegde regeling als definitieve zorgregeling;



5.3.
bepaalt dat partijen elkaar binnen één week nadat de ouder daarom heeft verzocht toestemming dienen te verlenen, door ondertekening van het toestemmingsformulier en toezending van een kopie van het paspoort, voor het maken van een buitenlandse reis naar een land waarvoor op dat moment een positief, te weten groen of geel, reisadvies geldt. Het verzoek dient duidelijkheid te verschaffen over zowel de bestemming als de reisperiode;



5.4.
bepaalt dat de paspoorten van de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 te [geboorteplaats] en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2019 te [geboorteplaats] , bij de vrouw in beheer zijn;



5.5
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;



5.6.
wijst het meer of anders verzochte af.










Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.B. Terwee, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.F. Hulskes op 11 september 2025.






























Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.
























































Partij


Alimentatieplichtige




Zaak


Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde ( [nummer] )




Berekening


Draagkracht kali




Tarieven


2025-2




Datum uitdraai


05-08-2026





























Box 1 Inkomen uit werk en woning











Loon (41-50)





41


Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking








€


110.000




44


Vakantietoeslag








€


8.800




48


Belaste gratificaties, tantièmes, eindejaarsuitkering








€


50.000
















Bruto inkomsten





















€







168.800




































Premies (51-59)











Pensioenpremie





54


Loon voor de premies werknemersverzekeringen








€


168.800



































59







Inkomsten





















€







168.800




































Belastbaar loon (61-64)










64







Belastbaar loon





















€







168.800




































Heffing box 1 (94-95)










94







Belastbaar inkomen uit werk en woning





















€







168.800







- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)








€


13.769







- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817








€


14.383







- Schijf 3, 49,5% over € 76.818 of meer








€


45.531









95







Inkomensheffing box 1





















€







73.683




































Besteedbaar inkomen (113-120)





113


Inkomen voor aftrek inkomensheffing








€


168.800









114


Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3





€


73.683







115/116


Heffingskorting en standaard heffingskorting


-


€


2.986







117


Verschuldigde inkomensheffing





-


€


70.697
















Inkomen na aftrek inkomensheffing





















€







98.103


































Specificaties voor post: 115/116














Algemene Heffingskorting





€


0


jaar










Combinatiekorting





€


2.986


jaar






































120







Besteedbaar inkomen





















€







98.103




































120a

















Netto besteedbaar inkomen (per jaar)





















€







98.103




120a


Netto besteedbaar inkomen (per maand)








€


8.175




































Draagkracht tbv kinderalimentatie











Draagkracht tbv kinderalimentatie





120a


Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie








€


8.175







Draagkracht wordt berekend op basis van








Formule







122a


Kosten van levensonderhoud





€


1.310







123a


Woonbudget





€


2.452







135a


Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie








€


3.762




136a


Draagkrachtruimte








€


4.413




137a


Draagkrachtpercentage








%


70







Beschikbaar








€


3.089




140a


Draagkracht tbv kinderalimentatie








€


3.089














Partij


Alimentatiegerechtigde




Zaak


Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde ( [nummer] )




Berekening


Draagkracht kali




Tarieven


2025-2




Datum uitdraai


05-08-2026





























Box 1 Inkomen uit werk en woning











Loon (41-50)





43


Bruto uitkering andere sociale verzekeringswetten








€


50.376




44


Vakantietoeslag








€


4.030




50


Bruto pensioen uitkering








€


15.156
















Bruto inkomsten





















€







69.562


































Notitie: 50
AAOP







































Premies (51-59)











Pensioenpremie





54


Loon voor de premies werknemersverzekeringen








€


69.562



































59







Inkomsten





















€







69.562




































Belastbaar loon (61-64)










64







Belastbaar loon





















€







69.562




































Heffing box 1 (94-95)










94







Belastbaar inkomen uit werk en woning





















€







69.562







- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)








€


13.769







- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817








€


11.664









95







Inkomensheffing box 1





















€







25.433




































Besteedbaar inkomen (113-120)





113


Inkomen voor aftrek inkomensheffing








€


69.562









114


Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3





€


25.433







115/116


Heffingskorting en standaard heffingskorting


-


€


460







117


Verschuldigde inkomensheffing





-


€


24.973
















Inkomen na aftrek inkomensheffing





















€







44.589


































Specificaties voor post: 115/116














Algemene Heffingskorting





€


460


jaar







































117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW








Bruto inkomen uit pensioen





€


15.156










Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd





€


15.156










Maximum bijdrage loon





€


75.864










Af: Bruto salaris waarover werkgever ZVW premie heeft afgedragen


-


€


54.406










Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd





€


21.458










Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd





€


15.156










Percentage Zvw





%


5,26










Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW





€


797




































Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW





-


€


797

































Bij: Kindgebonden budget





€


5.489






































120







Besteedbaar inkomen





















€







49.281




































120a

















Netto besteedbaar inkomen (per jaar)





















€







49.281




120a


Netto besteedbaar inkomen (per maand)








€


4.107




































Draagkracht tbv kinderalimentatie











Draagkracht tbv kinderalimentatie





120a


Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie








€


4.107







Draagkracht wordt berekend op basis van








Formule







122a


Kosten van levensonderhoud





€


1.310







123a


Woonbudget





€


1.232







135a


Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie








€


2.542




136a


Draagkrachtruimte








€


1.565




137a


Draagkrachtpercentage








%


70







Beschikbaar








€


1.096




140a


Draagkracht tbv kinderalimentatie








€


1.096


































Berekening en verdeling van de kosten van de kinderen









Zaak


Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde







Tarieven


2025-2







Datum uitdraai


05-08-2026








































Alimentatieplichtige





Alimentatiegerechtigde




Kindgebonden budget na scheiding


€


0


€


273




Alleenstaande ouderkop


€


0


€


184




Totaal netto besteedbaar inkomen na scheiding (NBI incl. KGB/AOK)


€


8.175


€


4.107
















Aantal kinderen


2


Kind 1


Kind 2








Leeftijd






11


6








Woont bij




AP



0


0











AG



1


1











Ex-partner



0


0








Zorgkorting Alimentatiegerechtigde




%



0


0








Zorgkorting Alimentatieplichtige




%



35


35








Zorgkorting tbv.






AP


AP






























Kind 1


Kind 2



Totaal





Bijdrage ouders in kosten kinderen


€ p/m


826


826


1.652




Netto kinderopvangkosten na scheiding


€ p/m


0


0


0




Overige kosten kinderen na scheiding


€ p/m


0


0


0





Totale kosten kinderen na scheiding




€ p/m



826


826



1.652







Zorgkorting





€ p/m





289





289





578








Draagkracht


















Alimentatieplichtige

















Draagkracht verdeeld naar rato van behoefte


€ p/m


1.545


1.545


3.089




Draagkracht Alimentatieplichtige per kind


€ p/m


1.545


1.545


3.089




Draagkracht Alimentatieplichtige


€ p/m


1.545


1.545


3.089





Alimentatiegerechtigde

















Draagkracht verdeeld naar rato van behoefte


€ p/m


548


548


1.096




Draagkracht Alimentatiegerechtigde per kind


€ p/m


548


548


1.096




Draagkracht Alimentatiegerechtigde


€ p/m


548


548


1.096





















Gezamenlijke draagkracht onderhoudsplichtige(n) per kind


€ p/m


2.093


2.093


4.185







Bijdrage kosten kinderen



















Aandeel Alimentatieplichtige




€ p/m



610



610



1.219






Af: zorgkorting




€ p/m



- 289



- 289



- 578





Ten laste van Alimentatieplichtige na aftrek zorgkorting




€ p/m




321




321




641







Aandeel Alimentatiegerechtigde




€ p/m



216



216



433






Af: zorgkorting




€ p/m



- 0



- 0



- 0





Ten laste van Alimentatiegerechtigde na aftrek zorgkorting



€ p/m



216




216




433