Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:11533
Inhoudsindicatie
Aanvrager en ontvanger kinderbijslag en overige tegemoetkomingen. Partijen verschillen van mening welke ouder de verblijfsoverstijgende kosten dient te betalen en daarmee de fiscale tegemoetkoming ontvangt. De rechtbank houdt vast aan het uitgangspunt van het Tremarapport 2025 en gaat er dan ook van uit dat de man alle verblijfsoverstijgende kosten voldoet, nu door de meervoudige kamer van deze rechtbank is bepaald dat de minderjarigen hun hoofdverblijf bij de man hebben, en de man daarom ook de gehele kinderbijslag, het kindgebonden budget en eventuele overige toeslagen zal ontvangen. Het is echter niet aan de rechtbank om te bepalen aan wie de SVB de kinderbijslag uitkeert. Hierover moet de man in contact met de SVB treden. Tenaamstelling contract BSO. De man heeft in onvoldoende mate aangegeven op welke rechtsgrond zijn verzoek is gebaseerd. Bovendien valt een dergelijk verzoek niet binnen de reikwijdte van een alimentatieprocedure (Titel 17 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek). Ook is het aan partijen zelf om wijzigingen die betrekking hebben op de gezinssamenstelling en eventuele daaruit volgende contractwijzigingen aan de kinderopvang door te geven. Kinderalimentatie. Netto opvangkosten. Meestal wordt kinderalimentatie betaald aan de ouder bij wie het kind woont. In dit geval is de vrouw echter niet in staat om de zorgkosten van de minderjarigen te betalen, terwijl de man juist een hoge draagkracht heeft en er een co-ouderschapsregeling geldt. Dit vindt de rechtbank een reden om te bepalen dat de man een bedrag aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen, zodat de vrouw de zorgkosten kan betalen als de kinderen bij haar verblijven. Geen draagkracht voor partneralimentatie.
Citeert (1)
- ECLI:NL:GHARL:2021:10504 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-11-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (125.438 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
Team Familie & Jeugd
zaaknummers / rekestnummers: C/13/760502 / FA RK 24/8321
Beschikking van 20 november 2025 betreffende vaststelling kinderalimentatie en partneralimentatie
in de zaak van:
[de man] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. C.L. Verhoeven te Haarlem,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. M.B. Winthagen te Woerden,
hierna gezamenlijk te noemen: partijen.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank heeft onder meer kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift, ingediend als F9-formulier, van de man, ingediend op 4 november 2024;
het F9-formulier met bijlagen van de vrouw, ingediend op 18 november 2024;
het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoekschrift, van de vrouw, ingediend op 30 januari 2025;
het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoekschrift, van de man, ingediend op 3 maart 2025;
het F9-formulier met bijlagen van de man, ingediend op 29 september 2025;
het F9-formulier met bijlagen van de vrouw, ingediend op 2 oktober 2025;
het F9-formulier met bijlagen van de man, ingediend op 13 oktober 2025;
de aanvullende e-mail, ter toelichting van het F9-formulier, van de man, ingediend op 14 oktober 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2025. Verschenen zijn: partijen, bijgestaan door hun advocaten.
1.3.
Van de zijde van de man zijn pleitnotities voorgedragen en overgelegd.
2De feiten
2.1.
Partijen zijn gehuwd op 11 juni 2015 te [plaats 1] . Hun huwelijk is op 17 juni 2024 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 15 maart 2024 in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Uit het huwelijk zijn geboren:
[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2016;
[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2018,
hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen.
2.3.
Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit.
2.4.
Partijen hebben diverse procedures gevoerd. Dit volgt onder meer uit de gewezen beschikkingen van rechtbank Amsterdam van 19 december 2022, 20 maart 2023, 15 maart 2024, 4 juli 2024, 13 december 2024 en 25 april 2025 en het proces-verbaal van 6 mei 2025.
2.5.
Bij beschikking van 15 maart 2024 heeft de rechtbank – voor zover hier van belang:
de Raad opgedragen om advies aan de rechtbank uit te brengen over de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en de zorgregeling;
de door de man te betalen kinderalimentatie bepaald op € 323,50 per kind per maand;
de door de man te betalen partneralimentatie bepaald op € 262,- per maand;
2.6.
Bij beschikking van 13 december 2024 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank – voor zover hier van belang:
het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming te verlenen voor verhuizing met de minderjarigen naar [plaats 2] en inschrijving van hen op scholen in [plaats 2] afgewezen;
de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de man bepaald;
een zorgregeling vastgesteld waarbij de minderjarigen in de oneven weken van woensdag uit school tot en met maandag naar school en in de even weken van woensdag uit school tot vrijdag naar school bij de vrouw verblijven;
de vakanties en feestdagen bij helfte verdeeld;
de nieuwe verzoeken met betrekking tot de kinder- en partnetalimentatie naar de enkelvoudige kamer verwezen, en de zaak pro forma aangehouden voor uitlating royement dan wel verweer van de vrouw;
3De verzoeken, verweren en zelfstandige verzoeken
3.1.
De man verzoekt – na wijziging en vermeerdering van zijn verzoek – bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar:
I. de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure;
primair:
I. te verklaren voor recht dat de man met ingang van 1 januari 2025 gerechtigd is tot het
aanvragen en ontvangen van de volledige kinderbijslag;
II. te bepalen dat deze te wijzen beschikking, in de situatie dat de hiervoor verzochte verklaring voor recht daartoe niet voldoende is, in de plaats treedt voor de handtekening van de vrouw op de formulieren van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) benodigd voor het aanvragen en ontvangen van de volledige kinderbijslag op naam van de man (dit zolang de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats bij hem hebben);
III. te verklaren voor recht dat met ingang van 1 januari 2025 alleen de man gerechtigd is tot het aanvragen en ontvangen van de fiscale tegemoetkomingen voor het alleenstaande ouderschap;
IV. te bepalen dat de vrouw er binnen 2 dagen na betekening van deze te wijzen beschikking aan meewerkt dat de tenaamstelling op het contract van de BSO van de minderjarigen wordt gewijzigd, in die zin dat de man eerste cont(r)actouder wordt, dit op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag of gedeelte daarvan dat de vrouw weigert hieraan mee te werken;
V. te bepalen dat de beschikking van 15 maart 2024 wordt gewijzigd in die zin dat de man met ingang van 1 januari 2025 een bijdrage voldoet van € 49,- per kind per maand aan de vrouw, waarbij alle verblijfsoverstijgende kosten komen voor rekening van de man;
VI. te bepalen dat de beschikking van 15 maart 2024 wordt gewijzigd in die zin dat de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van 1 januari 2025 nihil wordt gesteld;
subsidiair:
I. te bepalen dat de beschikking van 15 maart 2024 wordt gewijzigd in die zin dat de man met ingang van 1 januari 2025 een bijdrage voldoet van € 49,- per kind per maand aan de vrouw;
II. te bepalen dat de beschikking van 15 maart 2024 wordt gewijzigd in die zin dat de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van 1 januari 2025 nihil wordt gesteld;
III. te bepalen dat de vrouw alle door haar ontvangen toeslagen, waaronder maar niet uitsluitend: kinderbijslag, kindgebonden budget en kinderopvangtoeslag, aan de man doorbetaalt binnen 2 werkdagen na ontvangst van dit bedrag, dit op straffe van een dwangsom van € 250,- per keer dat de vrouw dit niet, niet volledig of te laat doet.
3.2.
De vrouw voert verweer en verzoekt – na wijziging en vermeerdering van haar zelfstandig verzoek – de rechtbank bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
I. te bepalen dat de beschikking van 15 maart 2024 wordt gewijzigd in die zin dat de partneralimentatie wordt vastgesteld op een bedrag van € 165,- bruto per maand,
althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen hoger of lager bedrag met
ingang van de in deze te wijzen beschikking;
II. te bepalen dat de beschikking van 15 maart 2024 wordt gewijzigd in die zin dat de kinderalimentatie wordt vastgesteld op een bedrag van € 523,- in totaal per maand
althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen hoger of lager bedrag met
ingang van de in deze te wijzen beschikking;
III. de proceskosten tussen partijen te compenseren;
subsidiair:
I. te bepalen dat de beschikking van 15 maart 2024 wordt gewijzigd in die zin dat de partneralimentatie wordt vastgesteld op een bedrag van €44,- bruto per maand,
althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen hoger of lager bedrag met
ingang van de in deze te wijzen beschikking;
II. te bepalen dat de beschikking van 15 maart 2024 wordt gewijzigd in die zin dat de kinderalimentatie wordt vastgesteld op een bedrag van € 252,- in totaal per maand
althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen hoger of lager bedrag met
ingang van de in deze te wijzen beschikking;
III. de proceskosten tussen partijen te compenseren;
meer subsidiair:
I. te bepalen dat de beschikking van 15 maart 2024 wordt gewijzigd in die zin dat de partneralimentatie op nihil wordt gesteld;
II. te bepalen dat de beschikking van 15 maart 2024 wordt gewijzigd in die zin dat de kinderalimentatie vast te stellen op een bedrag van €49,- per kind per maand
althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen hoger of lager bedrag met
ingang van de in deze te wijzen beschikking;
III. de proceskosten tussen partijen te compenseren.
4De verdere beoordeling
4.1.
Aanvrager en ontvanger kinderbijslag en overige tegemoetkomingen
4.1.1.
De man stelt dat de SVB weigert de man als enige aanvrager te erkennen. De SVB heeft daarom de kinderbijslag voor de helft aan de man en voor de helft aan de vrouw toebedeeld. Zolang de man niet de volledige kinderbijslag ontvangt, kan hij geen kindgebonden budget aanvragen. Ondertussen voldoet de man het merendeel van de verblijfsoverstijgende kosten, waarvan de grootste post de kinderopvang. Nu het hoofdverblijf van de minderjarigen bij de man is bepaald en hij alle verblijfsoverstijgende kosten voor zijn rekening neemt, is de man gerechtigd tot de volledige kinderbijslag en overige toeslagen.
Volgens de man is het aan de civiele rechter om te bepalen wie de aanvrager bij de SVB wordt, zodat de ontstane impasse, waarbij de vrouw weigert mee te werken om de man als aanvrager en ontvanger van de toeslagen op te geven, kan worden doorbroken. Bovendien acht de man het van belang dat er een einde komt aan de vele en lange procedures. Er dient daarom met een praktisch oog naar het verzoek te worden gekeken.
4.1.2.
De vrouw voert aan dat de man niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoeken. Deze verzoeken kunnen niet worden ingediend middels een verzoekschriftprocedure. Bovendien loopt deze zaak al bij de bestuursrechter van deze rechtbank, zorgt toewijzing van de verzoeken voor complicaties en onoverzienbare financiële gevolgen en zijn de verzoeken onbepaald.
Primair wenst de vrouw alle kosten voor de minderjarigen te betalen en alle kinderbijslag te ontvangen. Deze situatie doet volgens de vrouw recht aan de belangen van de minderjarigen. Het inkomen van de vrouw is immers aanmerkelijk lager dan dat van de man, waardoor het kindgebonden budget hoger zal zijn wanneer zij het ontvangt.
De vrouw stelt zich subsidiair op het standpunt dat zij graag de kosten van de minderjarigen en de kinderbijslag met de man deelt. Beide partijen ontvangen dan kindgebonden budget.
4.1.3.
Bij de berekening van de kinderalimentatie volgt de rechtbank de uitgangspunten van het Tremarapport 2025. Daaruit blijkt dat de kinderbijslag in de regel toekomt aan de ouder bij wie de kinderen het hoofdverblijf hebben. Het is immers ook aan die ouder om alle verblijfsoverstijgende kosten te voldoen. Partijen kunnen in onderling overleg afwijken van dit uitgangspunt. In onderhavige zaak is het partijen echter niet gelukt om afspraken hieromtrent te maken. De rechtbank zal daarom een beslissing nemen. Het is daarbij niet aan de rechtbank om uit te zoeken welke fiscaalrechtelijke varianten het meest optimaal voor partijen zijn. Dat hadden partijen dan gezamenlijk moeten overeenkomen. In dit geval verschillen partijen van mening welke ouder de verblijfsoverstijgende kosten dient te betalen en daarmee de fiscale tegemoetkomingen ontvangt. Daarom houdt de rechtbank bij de berekening van de kinderalimentatie vast aan het uitgangspunt van het Tremarapport 2025. De rechtbank gaat er bij de berekening van de kinderalimentatie dan ook van uit dat de man alle verblijfsoverstijgende kosten voldoet, nu door de meervoudige kamer van deze rechtbank is bepaald dat de minderjarigen hun hoofdverblijf bij de man hebben, en de man daarom ook de gehele kinderbijslag, het kindgebonden budget en eventuele overige toeslagen zal ontvangen.
4.1.4.
Het is echter, zoals volgt uit de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 november 2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:10504, r.o. 5.29.), niet aan de rechtbank om te bepalen aan wie de SVB de kinderbijslag uitkeert. Indien de man alsnog wil realiseren dat hij de volledige kinderbijslag gaat ontvangen, zodat hij, zo hij stelt, dan pas in aanmerking zal komen voor het gehele kindgebonden budget, waarmee rekening is gehouden bij de berekening van de kinderalimentatie, dan zal hij hierover opnieuw in contact met de SVB moeten treden.
4.1.5.
De rechtbank wijst deze verzoeken van de man dan ook af.
4.2.
Tenaamstelling contract BSO
4.2.1.
De man stelt dat het wijzigen van de naam op het contract van de kinderopvang nodig is om de facturen op zijn naam te krijgen. Hierdoor worden eventuele problemen rondom de kinderopvangtoeslag met de Belastingdienst vermeden. Bovendien komen de kinderopvangkosten voor zijn rekening, waardoor een wijziging van het contract passend is.
4.2.2.
De vrouw voert aan dat de man niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn verzoek. Volgens de vrouw kan dit verzoek niet binnen een verzoekschriftprocedure worden verzocht.
Subsidiair dient, volgens de vrouw, het verzoek van de man afgewezen te worden. De vrouw stelt dat het contract van de BSO op naam dient te staan van de ouder die de kosten daarvan voldoet. Partijen zijn het echter niet eens over de vraag wie deze kosten op zich dient te nemen. Beide partijen willen namelijk in deze kosten voorzien. De vrouw is evenwel bereid mee te werken aan het wijzigen van het contract, indien de rechtbank dit van oordeel is. Zij heeft zich immers altijd gehouden aan de uitspraken van de rechtbank en het hof. Daarom is er ook geen enkele reden om een dwangsom te bepalen. Daarnaast is de door de man voorgestelde termijn van twee dagen na de beschikking onredelijk kort, niet haalbaar en is de vrouw afhankelijk van de kinderopvangorganisatie. Hier heeft de vrouw geen invloed op, zodat een dwangsom in dit kader onredelijk is.
4.2.3.
De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft in onvoldoende mate aangegeven op welke rechtsgrond zijn verzoek is gebaseerd. Bovendien valt een dergelijk verzoek niet binnen de reikwijdte van een alimentatieprocedure (Titel 17 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek). Ook is het aan partijen zelf om wijzigingen die betrekking hebben op de gezinssamenstelling en eventuele daaruit volgende contractwijzigingen aan de kinderopvang door te geven. De rechtbank merkt hierbij wederom op dat de man verantwoordelijk is voor alle verblijfsoverstijgende kosten en dus ook voor de kinderopvangkosten.
Gelet op het voorgaande verwacht de rechtbank dat het partijen gezamenlijk lukt om benodigde wijzigingen door te geven aan de kinderopvang.
4.2.4.
Het verzoek van de man ligt dan ook voor afwijzing gereed.
4.3.
Kinder- en partneralimentatie
4.3.1.
De rechtbank beslist dat de man een bedrag van € 14,- per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen, per datum van deze beschikking. Daarnaast beslist de rechtbank dat de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van heden nihil wordt gesteld. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissingen neemt. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.
De reden voor wijziging
4.3.2.
De rechtbank kan de alimentatie opnieuw berekenen als de omstandigheden zijn gewijzigd. Daarvan is hier wel sprake, nu bij beschikking van 13 december 2024 de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen is gewijzigd en er een definitieve zorgregeling is vastgesteld.
De ingangsdatum
4.3.3.
Voordat de rechtbank opnieuw kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de nieuwe kinder- en partneralimentatie gaan gelden.
4.3.4.
De wet geeft de rechtbank grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn gewijzigd, de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechtbank beslist. De rechtbank kan dus een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit grote gevolgen voor partijen kan hebben.
4.3.5.
De rechtbank ziet in dit geval aanleiding de ingangsdatum te bepalen op de datum van deze beschikking, omdat een wijziging per datum indiening verzoekschrift vergaande financiële gevolgen voor de vrouw (ten aanzien van inmiddels eventueel verteerde en opgebruikte ontvangen bijdragen) en ook fiscaalrechtelijke gevolgen zou kunnen hebben, waarvan de rechtbank op dit moment, bij gebrek aan voldoende informatie daarover van partijen, onvoldoende kan overzien wat voor gevolgen dit voor beide partijen heeft en wat voor medewerking dit van hen vergt.
De rechtbank kiest er daarom dus voor om de situatie zoals deze tot op heden heeft geduurd zo te laten en beide partijen (en ook naar derden toe) door deze beschikking een duidelijk verandermoment te geven.
4.3.6.
De bij beschikking van 15 maart 2024 vastgelegde kinder- en partneralimentatie loopt dus door tot 20 november 2025. Het is van belang dat de man eventuele achterstanden, voor zover die bestaan, tot deze datum inloopt.
Kinderalimentatie
4.3.7.
Kinderalimentatie gaat voor op partneralimentatie. De rechtbank bepaalt daarom eerst de hoogte van de kinderalimentatie, om daarna te beoordelen in hoeverre er nog ruimte is voor partneralimentatie.
De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
4.3.8.
Tussen partijen is niet in geschil dat de basisbehoefte van de kinderen in 2023 € 1.432,- per maand bedraagt. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte € 1.620,-.
4.3.9.
Alhoewel partijen het eens zijn dat de behoefte verhoogd dient te worden met de netto opvangkosten, zijn zij het niet eens over de hoogte van deze kosten. Zo sluit de man aan bij de beschikking van 15 maart 2024, waarbij de kinderopvangkosten op € 330,- per maand zijn vastgesteld. De vrouw houdt in haar draagkrachtberekening echter rekening met € 207,- aan extra oppaskosten.
4.3.10.
De rechtbank rekent met een bedrag van € 207,- , te weten € 104,- per kind per maand, aan netto opvangkosten. Dit is, zoals volgt uit de stellingen van partijen, het bedrag dat in ieder geval wordt betaald aan opvangkosten. De rechtbank concludeert dan ook dat de totale behoefte van de kinderen € 1.828,- per maand bedraagt.
De draagkracht van de ouders
4.3.11.
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van het kind voorzien.
4.3.12.
Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van de kinderen.
4.3.13.
Bij een NBI dat hoger is dan € 2.125,- per maand in 2025 maakt de rechtbank gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’.
In die formule wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het NBI per maand. De ouders worden geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij hun inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een forfaitair bedrag aan vaste lasten, dat ieder jaar wordt bijgesteld. In 2025 is dat een bedrag van € 1.310,- per maand.
Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het NBI blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. De berekening van de draagkracht ziet er dan als volgt uit: 70% van [NBI - (0,3 x NBI + 1.310)].
De draagkracht van de man
4.3.14.
Voor het inkomen van de man gaat de rechtbank uit van de salarisspecificaties over juli 2025, augustus 2025 en september 2025 waarop een inkomen van € 6.586,- bruto per maand is vermeld, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met € 658,- bruto per maand aan ingehouden ouderschapsverlof en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Zoals hiervoor is overwogen, volgt de rechtbank het uitgangspunt van het Tremarapport 2025 waaruit blijkt dat de kinderbijslag in beginsel toekomt aan de ouder bij wie de kinderen het hoofdverblijf hebben. De rechtbank ziet, ondanks het verweer van de vrouw, geen reden om van dit uitgangspunt af te wijken. Om in aanmerking te komen voor het kindgebonden budget, moet de ouder de kinderbijslag op zijn naam hebben. De rechtbank houdt voor de draagkracht van de man dan ook rekening met het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop waarvoor de man in aanmerking komt. Het NBI is dan € 5.003,- per maand.
4.3.15.
Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2025 heeft de man een draagkracht van € 1.534,- per maand.
De draagkracht van de vrouw
4.3.16.
Voor het inkomen van de vrouw gaat de rechtbank uit van de salarisspecificaties over juli 2025, augustus 2025 en september 2025 waarop een inkomen van € 3.429,- bruto per maand is vermeld, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met een ingehouden pensioenpremie van € 105,- per maand en de ingehouden netto WGA-premie van € 11,- per maand. Verder wordt rekening gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting, omdat partijen een co-ouderschapsregeling hebben. Het NBI is dan € 3.184,- per maand.
4.3.17.
Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2025 heeft de vrouw een draagkracht van € 643,- per maand.
De verdeling van de kosten
4.3.18.
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kinderen, dan moet de rechtbank berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
4.3.19.
De ouders hebben samen een draagkracht van € 2.177,- per maand. Dit is genoeg om alle kosten van de kinderen te betalen, want die zijn € 1.828,- per maand. Dit betekent dat de man een deel van (1.828 / 2.177 x 1.534 =) € 1.288,- per maand moet dragen en de vrouw een deel van (1.828 / 2.177 x 643 =) € 540,- per maand.
4.3.20.
Meestal wordt kinderalimentatie betaald aan de ouder bij wie het kind woont. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de niet-verzorgende ouder alleen de kosten betaalt als het kind bij hem of haar verblijft, en dat de verzorgende ouder alle andere kosten betaalt. De verzorgende ouder gebruikt daar ook de kinderalimentatie voor.
4.3.21.
In dit geval is de vrouw echter niet in staat om de zorgkosten van de minderjarigen te betalen, terwijl de man juist een hoge draagkracht heeft en er een co-ouderschapsregeling geldt. Dit vindt de rechtbank een reden om te bepalen dat de man een bedrag aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen, zodat de vrouw de zorgkosten kan betalen als de kinderen bij haar verblijven.
De zorgkorting
4.3.22.
De zorgkosten zijn een percentage van de behoefte van het kind. Aangezien de minderjarigen evenveel bij de man als bij de vrouw verblijven plus de helft van de feest- en vakantiedagen, vindt de rechtbank een zorgkorting van 35% van de behoefte, waarbij de rechtbank rekent met de basisbehoefte van € 1.620,-, passend. De zorgkorting is dan € 568,- per maand. Omdat de vrouw volgens de draagkrachtvergelijking € 540,- moet betalen, betekent dit dat zij nog € 28,- van de man nodig heeft om de zorgkosten te kunnen betalen.
Conclusie
4.3.23.
Gelet op het voorgaande becijfert de rechtbank de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen op een bedrag van € 14,- per kind per maand.
Partneralimentatie
4.3.24.
Omdat nu duidelijk is hoeveel de man voor de kinderen moet betalen, kan de rechtbank berekenen of hij nog ruimte heeft om partneralimentatie te betalen.
De huwelijkgerelateerde behoefte
4.3.25.
Bij de berekening van de partneralimentatie stelt de rechtbank eerst het bedrag vast dat de vrouw nodig heeft om haar kosten van te kunnen betalen. Dat wordt de ‘behoefte’ genoemd. Daarbij kijkt de rechtbank niet alleen naar de puur noodzakelijke kosten die de vrouw moet maken, maar ook naar de welstand waarin partijen hebben geleefd en naar wat de vrouw daardoor gewend was uit te geven. Daarom wordt dat de ‘huwelijksgerelateerde behoefte’ genoemd.
4.3.26.
De rechtbank sluit voor de berekening van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw aan bij de al vastgestelde behoefte in de beschikking van 15 maart 2024, waarbij de netto behoefte op € 3.049,- in 2023 is vastgesteld. Partijen hebben op dit punt immers geen gemotiveerd of onderbouwd verweer gevoerd. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de netto huwelijksgerelateerde behoefte € 3.449,-.
De behoeftigheid
4.3.27.
Vervolgens onderzoekt de rechtbank of de vrouw redelijkerwijs in staat is om zelf het hiervoor vermelde bedrag (€ 3.449,-) te verdienen. Als de vrouw niet in staat is om zelf het bedrag van de huwelijksgerelateerde behoefte te verdienen, dan is zij ‘behoeftig’. Alleen in dat geval kan de rechtbank het verzoek van de vrouw om partneralimentatie toewijzen.
4.3.28.
Zoals hiervoor bij de draagkracht van de vrouw voor kinderalimentatie is vermeld, bedraagt het NBI € 3.184,- per maand. Na aftrek van de kosten van de kinderen uit eigen inkomen van € 540,- per maand blijft er (3.184 -/- 540 =) € 2.644,- per maand over.
4.3.29.
De rechtbank gaat in dit geval uit van de huidige feitelijke verdiensituatie van de vrouw en houdt daarbij geen rekening met de verdiencapaciteit van de vrouw. De man heeft, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende zwaarwegende redenen aangevoerd om toch te rekenen met de verdiencapaciteit van de vrouw.
4.3.30.
Bij een huwelijksgerelateerde behoefte van € 3.449,- netto per maand en een netto beschikbaar inkomen van de vrouw van € 2.644,-, resteert een aanvullende behoefte van (3.449 -/- 2.644 =) € 805,- netto per maand. Als de man partneralimentatie betaalt, dan moet de vrouw daarover nog belasting afdragen. De rechtbank berekent dat de vrouw daarom een bedrag van
€ 1.581,- bruto per maand nodig heeft om in haar huwelijksgerelateerde behoefte te kunnen voorzien.
De draagkracht van de man
4.3.31.
Vervolgens onderzoekt de rechtbank in hoeverre de man in de aanvullende behoefte van de vrouw kan voorzien. Dat wordt de ‘draagkracht’ genoemd. De rechtbank stelt vast dat de man geen draagkracht heeft om de partneralimentatie te betalen. De rechtbank heeft dat als volgt berekend.
4.3.32.
Voor het bepalen van de draagkracht kijkt de rechtbank allereerst naar het inkomen. Zoals hiervoor is besproken bij de draagkracht van de man voor kinderalimentatie bedraagt het NBI € 5.003,- per maand inclusief kindgebonden budget. Na aftrek van het kindgebonden budget van € 414,- per maand blijft er € 4.588,- per maand over.
4.3.33.
Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van de vrouw. Daarvoor maakt de rechtbank net als bij de vaststelling van de draagkracht voor kinderalimentatie gebruik van de hiervoor vermelde zogenoemde ‘draagkrachtformule’.
Voor het berekenen van partneralimentatie geldt dat 60 % van de ‘draagkrachtruimte’ beschikbaar is voor partneralimentatie. De overige 40% mag de man vrij besteden (de ‘vrije ruimte’). De berekening van de draagkracht ziet er dan als volgt uit: 60% [NBI – (0,3 x NBI + 1.310)].
Van het NBI van de man blijft dan een bedrag over van (4.588 -/- 1.310 -/- 1.376 =) € 1.902,- per maand. Hiervan is 60 % beschikbaar voor partneralimentatie, dus € 1.141,- netto per maand.
4.3.34.
Zoals hiervoor is besproken, gaat de kinderalimentatie voor op de partneralimentatie. Daarom brengt de rechtbank de kosten die de man voor de kinderen maakt nog in mindering op het bedrag van € 1.141,- per maand. Bij de berekening van de kinderalimentatie heeft de rechtbank berekend dat de man € 1.288,- per maand draagt in de kosten van de kinderen, de rechtbank telt hier het bedrag wat de man aan kinderalimentatie aan de vrouw betaalt bij op, zijnde € 28,-. Er blijft dan een negatief bedrag (1.141 -/- 1.288 -/- 28 = € -175,-) en dus geen ruimte over voor het betalen van partneralimentatie.
Conclusie
4.3.35.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie per datum van deze beschikking nihil.
4.4.
Proceskosten
4.4.1.
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van partijen de eigen kosten draagt.
4.5.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
5De beslissing
De rechtbank:
5.1.
wijzigt de beschikking van rechtbank Amsterdam van 15 maart 2024 in zoverre:
- bepaalt dat de man € 14,- per kind per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen, met ingang van heden;
5.2.
wijzigt de beschikking van rechtbank Amsterdam van 15 maart 2024 in zoverre:
- stelt de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van heden nihil;
5.3.
bepaalt dat elk der partijen de eigen proceskosten draagt;
5.4.
verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.P.E. Has, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.F. Hulskes op 20 november 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.
Partij
Alimentatieplichtige
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde ( [nummer] )
Berekening
Draagkracht
Tarieven
2025-2
Datum uitdraai
05-08-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
41
Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking
€
71.136
44
Vakantietoeslag
€
5.691
Bruto inkomsten
€
76.827
Notitie: 41
€ 6.586,- bruto per maand salaris. € 658 bruto per maand inhouding ouderschapsverlof.
Premies (51-59)
Pensioenpremie
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
€
76.827
59
Inkomsten
€
76.827
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
€
76.827
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
€
76.827
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
€
13.769
- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817
€
14.383
- Schijf 3, 49,5% over € 76.818 of meer
€
4
95
Inkomensheffing box 1
€
28.156
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
€
76.827
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
€
28.156
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
€
6.388
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
€
21.768
Inkomen na aftrek inkomensheffing
€
55.059
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
€
0
jaar
Arbeidskorting
€
3.402
jaar
Combinatiekorting
€
2.986
jaar
Bij: Kindgebonden budget
€
4.973
120
Besteedbaar inkomen
€
60.032
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
€
60.032
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
€
5.003
120b
Af: correctie kindgebonden budget
-
€
4.973
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)
€
55.059
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)
€
4.588
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
€
5.003
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122a
Kosten van levensonderhoud
€
1.310
123a
Woonbudget
€
1.501
135a
Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie
€
2.811
136a
Draagkrachtruimte
€
2.192
137a
Draagkrachtpercentage
%
70
Beschikbaar
€
1.534
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
€
1.534
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
120b
Netto besteedbaar inkomen tbv partneralimentatie
€
4.588
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122b
Kosten van levensonderhoud
€
1.310
123b
Woonbudget
€
1.376
135b
Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie
€
2.686
136b
Draagkrachtruimte
€
1.902
Draagkracht tbv partneralimentatie
136b
Draagkrachtruimte
€
1.902
137b
Draagkrachtpercentage
%
60
Draagkracht tbv partneralimentatie
€
1.141
140
Beschikbaar
€
1.141
Partneralimentatie (141-144)
141
Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting)
-
€
1.288
Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie
-
€
0
Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting)
-
€
1.288
142
Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen
€
0
Berekende ruimte voor partneralimentatie
€
-147
143
Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel
€
0
144
Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie)
€
0
Specificaties voor post: 144
Het beschikbare nettobedrag voor partneralimentatie van € 0 per jaar wordt gebruteerd in Box 1 bij een belastbaar inkomen van:
€
76.827
jaar
Het resultaat van de brutering is per jaar
€
0
jaar
Of per maand
€
0
maand
Notitie: 141
€ 1.288,- (bijdrage kosten kinderen man) + € 28,- (kinderbijdrage man aan vrouw)
Partij
Alimentatiegerechtigde
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde ( [nummer] )
Berekening
Draagkracht
Tarieven
2025-2
Datum uitdraai
05-08-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
41
Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking
€
41.148
44
Vakantietoeslag
€
3.292
Bruto inkomsten
€
44.440
Premies (51-59)
Pensioenpremie
51
Ingehouden pensioenpremie
-
€
1.260
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
€
43.180
59
Inkomsten
€
43.180
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
€
43.180
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
€
43.180
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
€
13.769
- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817
€
1.776
95
Inkomensheffing box 1
€
15.545
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
€
43.180
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
€
15.545
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
€
10.710
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
€
4.835
Inkomen na aftrek inkomensheffing
€
38.345
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
€
2.132
jaar
Arbeidskorting
€
5.592
jaar
Combinatiekorting
€
2.986
jaar
Af: Netto premie (WGA/WHK)
€
132
120
Besteedbaar inkomen
€
38.213
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
€
38.213
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
€
3.184
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)
€
38.213
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)
€
3.184
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
€
3.184
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122a
Kosten van levensonderhoud
€
1.310
123a
Woonbudget
€
955
135a
Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie
€
2.265
136a
Draagkrachtruimte
€
919
137a
Draagkrachtpercentage
%
70
Beschikbaar
€
643
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
€
643
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
120b
Netto besteedbaar inkomen tbv partneralimentatie
€
3.184
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122b
Kosten van levensonderhoud
€
1.310
123b
Woonbudget
€
955
135b
Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie
€
2.265
136b
Draagkrachtruimte
€
919
Draagkracht tbv partneralimentatie
136b
Draagkrachtruimte
€
919
137b
Draagkrachtpercentage
%
60
Draagkracht tbv partneralimentatie
€
551
140
Beschikbaar
€
551
Partneralimentatie (141-144)
141
Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting)
-
€
540
Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie
-
€
0
Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting)
-
€
540
142
Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen
€
0
Berekende ruimte voor partneralimentatie
€
11
143
Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel
€
11
144
Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie)
€
17
Specificaties voor post: 144
Het beschikbare nettobedrag voor partneralimentatie van € 132 per jaar wordt gebruteerd in Box 1 bij een belastbaar inkomen van:
€
43.180
jaar
In de schijf van 37,48% valt € 132, € 132 x ( 100 / (100 - 37,48)) =
€
211
jaar
In de schijf van 35,82% valt € 0, € 0 x ( 100 / (100 - 35,82)) =
€
0
jaar
Het resultaat van de brutering is per jaar
€
211
jaar
Of per maand
€
17
maand
Berekening en verdeling van de kosten van de kinderen
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde
Tarieven
2025-2
Datum uitdraai
05-08-2026
Alimentatieplichtige
Alimentatiegerechtigde
Kindgebonden budget na scheiding
€
247
€
0
Alleenstaande ouderkop
€
167
€
0
Totaal netto besteedbaar inkomen na scheiding (NBI incl. KGB/AOK)
€
5.003
€
3.184
Aantal kinderen
2
Kind 1
Kind 2
Leeftijd
6
9
Woont bij
AP
1
1
AG
0
0
Ex-partner
0
0
Zorgkorting Alimentatiegerechtigde
%
35
35
Zorgkorting Alimentatieplichtige
%
0
0
Zorgkorting tbv.
AG
AG
Kind 1
Kind 2
Totaal
Bijdrage ouders in kosten kinderen
€ p/m
810
810
1.620
Netto kinderopvangkosten na scheiding
€ p/m
104
104
208
Overige kosten kinderen na scheiding
€ p/m
0
0
0
Totale kosten kinderen na scheiding
€ p/m
914
914
1.828
Zorgkorting
€ p/m
284
284
568
Draagkracht
Alimentatieplichtige
Draagkracht verdeeld naar rato van behoefte
€ p/m
767
767
1.534
Draagkracht Alimentatieplichtige per kind
€ p/m
767
767
1.534
Draagkracht Alimentatieplichtige
€ p/m
767
767
1.534
Alimentatiegerechtigde
Draagkracht verdeeld naar rato van behoefte
€ p/m
322
322
643
Draagkracht Alimentatiegerechtigde per kind
€ p/m
322
322
643
Draagkracht Alimentatiegerechtigde
€ p/m
322
322
643
Gezamenlijke draagkracht onderhoudsplichtige(n) per kind
€ p/m
1.089
1.089
2.177
Bijdrage kosten kinderen
Aandeel Alimentatieplichtige
€ p/m
644
644
1.288
Af: zorgkorting
€ p/m
- 0
- 0
- 0
Ten laste van Alimentatieplichtige na aftrek zorgkorting
€ p/m
644
644
1.288
Aandeel Alimentatiegerechtigde
€ p/m
270
270
540
Af: zorgkorting
€ p/m
- 284
- 284
- 568
Ten laste van Alimentatiegerechtigde na aftrek zorgkorting
€ p/m
-14
-14
-28