Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:11516

2025-06-05 Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht AMS 23/2571
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2025-06-05
Publicatiedatum
2026-08-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
AMS 23/2571
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat zij niet kan vaststellen dat het beroepschrift door een daartoe bevoegd persoon is ingesteld. Om die reden wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard. In dit geval leidt het geconstateerde gebrek bovendien tot het oordeel dat met de instelling van het beroep misbruik van recht is gemaakt. Ook om die reden is het beroep niet-ontvankelijk.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.351 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM


Bestuursrecht



zaaknummer: AMS 23/2571


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2025 in de zaak tussen

[eisers], beide uit [plaats], eisers,


en


het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,
(gemachtigde: mr. S.O. Vos).

Samenvatting


1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat zij niet kan vaststellen dat het beroepschrift door een daartoe bevoegd persoon is ingesteld. Om die reden wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard. In dit geval leidt het geconstateerde gebrek bovendien tot het oordeel dat met de instelling van het beroep misbruik van recht is gemaakt. Ook om die reden is het beroep niet-ontvankelijk.




Procesverloop

2. Op 28 mei 2020 hebben eisers bezwaar gemaakt tegen de wijzigingen van het gebruik van de parkeerplaats bij het [locatie].

3. Op 7 september 2020 heeft het college het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk verklaard. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld.

4. Op 5 oktober 2022 heeft de rechtbank het beroep van eisers gegrond verklaard en het college opgedragen opnieuw op het bezwaar van eisers te beslissen.

5. Op 17 maart 2023 heeft het college het bezwaar van eisers opnieuw niet-ontvankelijk verklaard. Eisers hebben ook hiertegen beroep ingesteld.

6. Op 19 februari 2024 heeft de rechtbank het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Eisers hebben het beroep namelijk te laat ingesteld en geen reden aangedragen waarom ze het beroep te laat hebben ingesteld. Eisers hebben tegen deze uitspraak verzet ingesteld. Op 1 november 2024 heeft de rechtbank het verzet gegrond verklaard.

7. De rechtbank heeft het beroep vervolgens op 19 mei 2025 op zitting behandeld. Namens eisers is [de persoon 1] verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Beoordeling door de rechtbank



Betalingsonmacht



8. Eisers hebben een beroep gedaan op betalingsonmacht. De rechtbank wijst dit verzoek af. Eisers hebben hun verzoek namelijk niet met (financiële) gegevens onderbouwd. Dit betekent dat eisers het griffierecht alsnog moeten voldoen, voor zover zij dat nog niet hebben gedaan.



Formele vereisten



9. Voordat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke behandeling van een zaak, toetst zij ambtshalve of het beroep voldoet aan een aantal formele eisen. Eén van die eisen is dat het beroep moet zijn ingediend door iemand die daartoe bevoegd is.

10. De bewijslast dat het beroep door een daartoe bevoegd persoon is ingesteld ligt bij de eisende partij. Deze zaak is bij de rechtbank begonnen met een beroepschrift, waarin in de eerste alinea staat dat het is ingediend door “[de persoon 2] van [bedrijf], gemachtigde te Amsterdam”. Het beroepschrift wordt afgesloten met “Hoogachtend, [bedrijf] / [de persoon 2] (gemachtigde)”. [de persoon 2] wordt verder in deze uitspraak [de persoon 2] genoemd.

11. Op 31 januari 2023 heeft het Gerechtshof Amsterdam in een arrest over een hoger beroepszaak van [de persoon 1] het volgende overwogen (cursivering door de rechtbank):


“Op grond van de onder 5.9 vermelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd en afgewogen tegen hetgeen belanghebbende hiertegen in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd, is het Hof van oordeel dat niet aannemelijk is dat [de persoon 2] in de onderhavige zaak rechtsbijstand aan belanghebbende heeft verleend en dat het ervoor moet worden gehouden dat belanghebbende de op naam van [de persoon 2] ingediende stukken zelf heeft opgesteld, teneinde op die manier een proceskostenvergoeding voor beroepsmatige rechtsbijstand te kunnen claimen in een zaak waarin hij zelf de belanghebbende is en zelf de processtukken heeft opgesteld. Reeds op deze grond (geen door een derde verleende rechtsbijstand) dient het verzoek van belanghebbende tot toekenning van een kostenvergoeding wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand te worden afgewezen.”


12. Ook in een eerdere uitspraak in een zaak van eisers heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat het beroep rechtsgeldig is ingesteld door [de persoon 2]. De rechtbank heeft ook in deze zaak misbruik van recht aangenomen. Om die redenen heeft zij het beroep van eisers in die zaak niet-ontvankelijk verklaard.

13. Gelet op het bovenstaande is in de onderhavige zaak bij de rechtbank twijfel gerezen over de vraag of [de persoon 2] feitelijk wel rechtsbijstand heeft verleend en of het beroep dus wel door hem is ingesteld. De rechtbank heeft eisers daarom op 24 april 2025 bericht dat op de zitting zal worden onderzocht of aannemelijk is dat het beroep daadwerkelijk door [de persoon 2] is ingediend en dat de bewijslast om dit aannemelijk te maken bij eisers ligt.

14. [de persoon 2] is niet op de zitting verschenen. De vragen aan [de persoon 2] die de rechtbank voor die zitting had voorbereid zijn daarom niet beantwoord. Dat betekent dat de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat het beroep daadwerkelijk door [de persoon 2] is ingesteld. Het blijft daarom onduidelijk door wie het beroep dan wel is ingesteld en of die persoon daartoe bevoegd was. Het beroep bevat daarmee een gebrek dat – ondanks de daartoe geboden mogelijkheid – niet is hersteld. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

15. [de persoon 1] heeft op de zitting verklaard dat eisers zich door [de persoon 2] voldoende gemachtigd voelden.

16. Dit standpunt brengt geen verandering in het oordeel van de rechtbank. Het gaat immers om de vraag wie het beroep heeft ingesteld. Dat was voor de zitting onduidelijk en is onduidelijk gebleven. Dat dit gebrek niet is hersteld komt voor rekening van eisers.

17. [de persoon 1] heeft daarnaast op de zitting naar voren gebracht dat de rechtbank de stukken die het college binnen de tiendagentermijn heeft ingebracht niet moet meenemen, dan wel de zaak aan moet houden. Tot slot heeft het college niet het volledige dossier aangeleverd.

18. Ook deze gronden brengen geen verandering in het oordeel van de rechtbank. De rechtbank baseert haar beslissing niet op het verweerschrift en de uitspraken die het college heeft ingebracht. De rechtbank laat daarom in het midden of de stukken in strijd met de goede procesorde zijn ingebracht. In de gronden van het beroep heeft [de persoon 1] gewezen op verschillende ontbrekende stukken. Het gaat hierbij om stukken die zien op de inhoud van de zaak. De rechtbank heeft die stukken niet nodig bij haar beoordeling, omdat zij niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak. Er bestaat daarom geen reden de genoemde stukken op te vragen.



Misbruik van recht



19. De rechtbank overweegt dat eisers bevoegd zijn zich te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. Dit volgt uit artikel 8:24, eerste lid, van de Awb. Maar zij mogen die bevoegdheid niet misbruiken. De vraag door wie het beroep is ingesteld leent zich bij uitstek voor beantwoording door eisers. Het is voor hen eenvoudig aannemelijk te maken dat dit door [de persoon 2] is gedaan, als die het beroep daadwerkelijk heeft ingesteld. Nu het antwoord desondanks onduidelijk is gelaten, zonder dat daarvoor een goede verklaring is, houdt de rechtbank het ervoor dat eisers bewust informatie achterhouden en dat de naam [de persoon 2] in het beroepschrift is vermeld met een ander doel dan de rechtsgeldige vertegenwoordiging door een derde waarvoor artikel 8:24 van de Awb is bedoeld. Dat het doel van artikel 8:24 van de Awb niet wordt nagestreefd wordt verder bevestigd door de omstandigheid dat [de persoon 2] wel in vele zaken van eisers wordt opgevoerd als gemachtigde, maar dat op de vele zittingen in bezwaar en beroep nooit van zijn diensten gebruik wordt gemaakt.

20. De rechtbank gaat er op grond van het voorgaande dus van uit dat eisers de bepaling van artikel 8:24 van de Awb gebruiken voor een ander doel dan waarvoor het dient. De rechtbank overweegt daarbij dat het enige andere doel dat zich redelijkerwijs laat bedenken - en in lijn met het hierboven al aangehaalde oordeel van het gerechtshof - is dat het eisers erom gaat dat zij proceskostenvergoeding voor professioneel verleende rechtsbijstand kunnen claimen. Daarmee maken eisers misbruik van recht. Het beroep is (ook) daarom niet-ontvankelijk.



Conclusie en gevolgen


21. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eisers krijgen geen vergoeding van het griffierecht. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.



Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig - Rocour, rechter, in aanwezigheid van
mr. T.W. Steenhoff, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2025.









griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Dit volgt uit 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 8:24 van de Awb.


Vindbaar onder nummer ECLI:NL:GHAMS:2023:408.


Vindbaar onder nummer ECLI:NL:RBAMS:2024:5352.


Artikel 13, eerste en tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.