Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:11496

2025-04-17 Civiel recht; Personen- en familierecht C/13/736646 / FA RK 23-4621
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2025-04-17
Publicatiedatum
2026-07-01
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/13/736646 / FA RK 23-4621
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Echtscheiding en nevenverzoeken. Verdeling met spoorboekje

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (70.035 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken
locatie Amsterdam


zaaknummer / rekestnummer: C/13/736646 / FA RK 23-4621 en
C/13/762442 / FA RK 25-165 (verdeling) (MO/KL)




Beschikking d.d. 17 april 2025 betreffende de echtscheiding en nevenverzoeken




in de zaak van:





[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. A.C.W. Duiveman,



tegen





[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. W.D. van Doorn.



Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,regio Amsterdam,[locatie 1] ,hierna te noemen: de Raad.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 12 juli 2023;
- het verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken van de man ingekomen op 19 oktober 2023;
- het F9-formulier van de vrouw, ingediend op 20 oktober 2023;
- het verweerschrift op de zelfstandige verzoeken en aanvulling van verzoeken van de vrouw, ingekomen op 21 december 2023;
- het verweerschrift op zelfstandige verzoeken, tevens houdende aanvullende zelfstandige verzoeken, van de man, ingekomen op 3 april 2024;
- het F9-formulier van de vrouw, ingediend op 5 maart 2025;
- de brief van de vrouw, met aanvullend verzoek ingekomen op 6 maart 2025;
- het F9-formulier van de man, ingediend op 9 maart 2025;
- de brief van de vrouw, ingediend op 11 maart 2025.



1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 maart 2025.
Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten en mevrouw [persoon] namens de Raad.




1.3.
De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hiervan gebruik gemaakt.





2De feiten


2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op 12 september 2006 te [plaats] .



2.2.
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2007 te [geboorteplaats 1] ,
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2010 te [geboorteplaats 1] en
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2016 te [geboorteplaats 2] .



2.3.
De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit. De man heeft de Afghaanse en de Nederlandse nationaliteit.





3De beoordeling


3.1.
Bij beschikking van 28 november 2023 betreffende voorlopige voorzieningen (C/13/740521 / FA RK 23-6720) heeft de rechtbank onder meer:


bepaald dat de minderjarige kinderen van partijen met onmiddellijke ingang aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;


in het kader van een voorlopige zorgregeling bepaald:


dat de huidige feitelijke regeling met [minderjarige 3] tot 1 januari 2024 zal blijven zoals deze nu is (schema 5-5-2-2);


dat voor [minderjarige 3] vanaf 1 januari 2024 een zogenaamde week op week af regeling zal gelden, met een wisseling via school op vrijdag;


dat [minderjarige 2] op zaterdag in de weekenden dat [minderjarige 3] bij de man is, ook bij de man is van 16.00 tot 19.00 uur, waarbij zij dan bij de man eet;


bepaald dat de vrouw met ingang van 1 januari 2024 bij uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] met bevel dat de man die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden;


bepaald dat de man de goederen strekkende tot het dagelijks gebruik van de vrouw alsmede de goederen strekkende tot het dagelijks gebruik van de kinderen, aan haar beschikbaar zal stellen;


bepaald dat de Raad voor de Kinderbescherming in de bodemprocedure voor de zitting zal worden opgeroepen.


Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling in de voorlopige voorzieningen procedure afspraken gemaakt over de hulpverlening aan de kinderen. De ouders hebben afgesproken:


dat zij de donderdag na de zitting [minderjarige 3] samen zullen informeren dat zij gaan scheiden (een zogenaamde scheidingsmelding doen), waarbij de vrouw [minderjarige 3] uit de BSO ophaalt en de vrouw, de man en [minderjarige 3] elkaar ontmoeten om 18 uur bij [locatie 2] ;


dat de man zijn toestemming verleent voor de KIES-training van [minderjarige 3] ;


dat partijen zich beiden binnen een week na de zitting melden bij het Ouder en Kind Team (OKT) en daar aangeven dat zij graag een afspraak willen om hulpverlening voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] op te starten;


dat de ouders in beginsel het advies van het OKT voor de hulpverlening zullen opvolgen.





3.2.

Scheiding



3.2.1.
De vrouw heeft verzocht de echtscheiding tussen haar en de man uit te spreken. Zij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.



3.2.2.
De man betwist de gestelde duurzame ontwrichting niet. Hij verzoekt eveneens de echtscheiding uit te spreken.



Rechtsmacht




3.2.3.
Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift beide partijen in ieder geval de Nederlandse nationaliteit bezaten, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.



Ontvankelijkheid




3.2.4.
Op grond van artikel 815, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv).



3.2.5.
Door de vrouw is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid 2 Rv overgelegd. De vrouw heeft gesteld dat partijen vrijwel geen contact met elkaar hebben en niet in staat zijn om afspraken te maken. Nu de vrouw voldoende heeft gemotiveerd dat het voor haar op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank de vrouw ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding.



Toepasselijk recht




3.2.6.
Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.



Inhoudelijke beoordeling




3.2.7.
Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.




3.3.

Verblijfplaats



3.3.1.
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar zal zijn.



3.3.2.
De man heeft zich daartegen niet verweerd. Gelet op de door de man verzochte co-ouderschapsregeling is dit voor [minderjarige 3] enkel een formaliteit, aldus de man.



Rechtsmacht en toepasselijk recht




3.3.3.
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen.



Inhoudelijke beoordeling




3.3.4.
De rechtbank zal conform het verzoek beslissen, nu dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond. Niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich hiertegen verzet.




3.4.

Verdeling zorg- en opvoedingstaken



3.4.1.
Beide partijen hebben verzocht een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) vast te stellen.



Rechtsmacht en toepasselijk recht




3.4.2.
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.




[minderjarige 1] en [minderjarige 2]




3.4.3.
De vrouw heeft – na wijziging van haar verzoek – verzocht een zorgregeling vast te stellen die inhoudt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geen contact hebben met de man, tenzij zij daar behoefte aan hebben en dat [minderjarige 3] een weekend per veertien dagen contact heeft met de man van vrijdag uit school tot zondag 16.00 uur. De vrouw verzoekt dat deze regeling tevens geldt in de vakanties. Ter onderbouwing van haar verzoek heeft zij aangevoerd dat [minderjarige 1] zeventien jaar is en geen contact met zijn vader wenst. Hij krijgt traumatherapie, wegens gebeurtenissen uit het verleden. De vrouw volgt de wens van [minderjarige 1] . Het is niet in zijn belang om een zorgregeling op te leggen. Ten aanzien van [minderjarige 2] voert de vrouw aan dat zij al langere tijd geen contact heeft met de man. Het afdwingen van een zorgregeling met haar vader, zal haar op dit moment niet helpen. [minderjarige 2] heeft – net als [minderjarige 1] – een hulpvraag bij de huisarts neergelegd.



3.4.4.
De man voert aan dat de zorgen van de vrouw ongegrond zijn. Hij realiseert zich dat een co-ouderschapsregeling op dit moment te veel gevraagd is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , en hij wil hen daartoe niet dwingen. Sinds de voorlopige voorzieningenprocedure zit er een stijgende lijn in het contact tussen de man en [minderjarige 2] , maar met [minderjarige 1] heeft de man nog steeds geen contact. Het contact dient echter wel weer te worden genormaliseerd. De man verwacht in dat kader ook van de vrouw dat zij de kinderen daarin stimuleert. Ondanks dat [minderjarige 1] al zeventien jaar oud is, is hij op dit moment nog steeds minderjarig. De man verzoekt de een zorgregeling te bepalen die inhoudt dat [minderjarige 2] bij de man verblijft ieder weekend dat [minderjarige 3] bij de man verblijft van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 19.00 uur en [minderjarige 1] bij de man verblijft iedere zaterdag die [minderjarige 3] bij de man verblijft van 15.00 uur tot 19.00 uur.



3.4.5.
Namens de Raad is tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat de Raad – hoewel zij de minderjarigen niet heeft gezien of gesproken, op basis van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht – zorgen heeft over de minderjarigen. De oudste twee lijken volledig klem te zitten en hebben daar veel last van. [minderjarige 1] krijgt op dit moment traumatherapie en dit zou ook voor [minderjarige 2] passend zijn. De Raad adviseert de rechtbank om ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geen zorgregeling op te leggen. Het is niet in hun belang om nu iets te forceren.



3.4.6.
De rechtbank oordeelt als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen besproken dat – net als voor [minderjarige 1] – ook voor [minderjarige 2] traumatherapie nodig is. Partijen hebben laten weten dat zij beiden instemmen met deze therapie voor [minderjarige 2] . Aangezien zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] in het kader van deze therapie zullen werken aan een eventueel toekomstig contact met de man, ziet de rechtbank op dit moment geen aanleiding om een zorgregeling voor hen vast te stellen. Het verzoek van de man daartoe zal dan ook worden afgewezen.




[minderjarige 3]





3.4.7.

De vrouw voert aan dat zij zorgen heeft over het welbevinden van [minderjarige 3] . De vrouw heeft zorgen over hoe het met [minderjarige 3] gaat in het contact met de man. Op dit moment gaat [minderjarige 3] de helft van de tijd naar de man. De vrouw ziet dat de dynamiek van dwingende controle, dan wel intieme terreur die in het gezin speelde nu ook [minderjarige 3] raakt. De vrouw heeft signalen van school gekregen dat [minderjarige 3] stil wordt en zich terugtrekt. Dit heeft de vrouw ook zien gebeuren bij [minderjarige 1] . Zij wil voorkomen dat de dynamiek die [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en haarzelf heeft beschadigd ook [minderjarige 3] beschadigt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw aangevoerd dat zij de argumenten begrijpt die pleiten voor het voortbestaan van de 50/50-regeling tussen de man en [minderjarige 3] . Volgens de vrouw is dit niet het beste voor [minderjarige 3] . Bij de vrouw thuis groeit hij op met zijn broer en zus. Dat is een betere omgeving voor hem dan bij de man. De vrouw heeft verder aangevoerd dat [minderjarige 3] de dagen telt, om tot een zo eerlijk mogelijke verdeling te komen. Volgens de vrouw heeft [minderjarige 3] een dilemma in zichzelf.
Ten aanzien van de vakanties heeft de vrouw verzocht om deze bij helfte te delen, in onderling overleg. Indien het niet lukt om het onderling te regelen, verzoekt de vrouw de volgende verdeling van de vakanties:
In de oneven jaren:



Zomervakantie week 1, 3, 4: bij de vrouw;


Zomervakantie week 2, 5, 6: bij de man;


Herfstvakantie: bij de vrouw;


Sinterklaas: bij de vrouw;


Kerst en vrije week: bij de man;


Jaarwisseling en vrije week: bij de vrouw;


Voorjaarsvakantie: bij de man;


Een week meivakantie inclusief Koningsdag: bij de vrouw;


Hemelvaartsdag en de vrijdag erna: bij de man;


Pinksterweekend: bij de vrouw;


Verjaardag [minderjarige 3] : bij de man.


En in de even jaren vice versa.



3.4.8.
De man voert aan dat de zorgen van de vrouw ongegrond zijn. Hij betwist dat sprake is (geweest) van intieme terreur. Dit blijkt nergens uit. Er is geen reden om een beperkte regeling vast te stellen tussen de man en [minderjarige 3] . [minderjarige 3] verblijft de afgelopen tijd steeds de helft van de tijd bij de man. Dit is ook wat [minderjarige 3] zelf wil. De man verzoekt een zorgregeling te bepalen die inhoudt dat [minderjarige 3] bij de man verblijft:


iedere maandag uit school tot woensdag naar school;


om het weekend van vrijdag uit school tot maandag naar school,


waarbij geldt dat de wisseling plaatsvindt op school.



3.4.9.

De Raad heeft naar voren gebracht dat het advies ten aanzien van [minderjarige 3] ingewikkeld is. Hij is jonger dan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en is op dit moment de helft van de tijd bij zijn vader en de helft van de tijd bij zijn moeder. De echtscheiding van partijen loopt nog. Dat brengt spanning met zich mee en dat voelen kinderen, ook [minderjarige 3] . De Raad heeft over en weer veel verwijten gehoord. [minderjarige 3] zit hier middenin en zal hier ongetwijfeld ook last van hebben. De man moet zich bewust worden dat hij de grenzen van de ander moet respecteren. Wat bij de vrouw speelt, is aan haar – daar heeft hij zich niet in te mengen. Dat geldt uiteraard ook andersom. De Raad adviseert hem om de zaken waar hij tegenaan loopt actief te bespreken met zijn psycholoog. De man heeft ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt, maar het is aan hemzelf om die ervaringen te verwerken en een plek te geven.
De Raad heeft aangegeven dat zij op dit moment geen zorgregeling kan adviseren. Wel benadrukt de Raad het belang van luisteren naar [minderjarige 3] : waar heeft hij behoefte aan? Op dit moment is de zorgverdeling 50/50. Als in de toekomst blijkt dat [minderjarige 3] minder contact met de man wil, dan moet dat serieus genomen worden. Op dit moment lijkt het alsof [minderjarige 3] een gelijke verdeling van de zorg verlangt, 50/50 tussen beide ouders. De Raad merkt daarbij echter op dat een kind van deze leeftijd niet uit zichzelf dagen gaat tellen of een rekensom maakt. Dit signaal vraagt om reflectie van beide ouders. De Raad doet dan ook een oproep aan partijen om hier bewust bij stil te staan en hun gedrag daarop aan te passen.
De Raad heeft daarnaast geadviseerd om een raadsrapport te gelasten en onderzoek te doen naar een passende zorgregeling voor zowel [minderjarige 2] als [minderjarige 3] . De voortgang van de traumatherapie van [minderjarige 2] kan daarbij worden meegenomen. Ten aanzien van [minderjarige 3] zal het traject bij het Ouder- en Kindteam (OKT) opgestart moeten worden. Als [minderjarige 3] in dat kader aangeeft dat hij behoefte heeft aan een andere zorgregeling, dan dient het OKT dit terug te koppelen aan de rechtbank, zodat de zorgregeling in het belang van [minderjarige 3] aangepast kan worden.




3.4.10.
De rechtbank zal ten aanzien van [minderjarige 3] – conform het advies van de Raad – bepalen dat partijen voorlopig de huidige 50/50-regeling dienen voortzetten. Datzelfde geldt voor de huidige vakantieregeling. De rechtbank onderschrijft het standpunt van de Raad dat er goed geluisterd moet worden naar [minderjarige 3] en naar wat hij nodig heeft en waar hij behoefte aan heeft. [minderjarige 3] zal bij het OKT ondersteuning krijgen bij het verwerken van de scheiding en de gebeurtenissen van de afgelopen jaren. Indien [minderjarige 3] in dat traject aangeeft andere wensen te hebben ten aanzien van de zorgregeling dan hetgeen de rechtbank nu vastlegt, moet het OKT– al dan niet via (de advocaten van) partijen – de rechtbank op de hoogte brengen. Het is van belang dat hier goed geluisterd en tijdig gehandeld wordt.



Raadsonderzoek [minderjarige 2] en [minderjarige 3]




3.4.11.

De rechtbank is het met de Raad eens dat er zorgen zijn over de minderjarigen, hun ouders staan lijnrecht tegenover elkaar en er worden over en weer verwijten gemaakt. Op dit moment beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om te beslissen over een definitieve zorgregeling. De rechtbank zal de Raad daarom verzoeken om een raadsonderzoek ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verrichten en de rechtbank daarover te adviseren. Omdat [minderjarige 1] dit jaar achttien jaar wordt, zal het onderzoek geen betrekking hebben op hem.
Teneinde de rechtbank te adviseren dienen de volgende vragen in het onderzoek te worden betrokken:




Welke mogelijkheden zijn er voor een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders?


Zijn er factoren die een regeling belemmeren? Zo ja, welke komen vanuit [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en welke vanuit de ouders? Hoe en op welke termijn zijn deze belemmeringen op te heffen?


Hoe dient de regeling qua vorm en frequentie, in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] vorm te worden gegeven?


Zijn er andere feiten en omstandigheden die de rechtbank bij haar oordeel moet betrekken?





3.4.12.
De Raad heeft laten weten dat zij over negen maanden kan starten met het onderzoek en dat het onderzoek drie maanden zal duren. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de beslissing over de definitieve zorgregeling tussen de man en [minderjarige 2] en tussen de man en [minderjarige 3] pro forma aanhouden tot de rolzitting van 23 april 2026, in afwachting van de resultaten van het raadsonderzoek.




3.5.

Voortgezet gebruik en gebruiksvergoeding echtelijke woning



3.5.1.
De vrouw heeft het voortgezet gebruik van de woning verzocht voor de duur van zes maanden.



3.5.2.
De man heeft daartegen als verweer aangevoerd dat hij de woning wil overnemen en wil terugkeren naar de woning. De man begrijpt dat de vrouw een termijn zal moeten worden gegund om alternatieve woonruimte te vinden. Een termijn van zes maanden vindt de man echter te lang. De man denkt dat een termijn van drie maanden de vrouw voldoende tijd geeft om een alternatieve woonruimte te vinden. Voor zover de vrouw bevoegd wordt voor een bepaalde periode na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de echtelijke woning te blijven wonen, dient daaraan in ieder geval de voorwaarde te worden verbonden dat aan de man een gebruiksvergoeding toekomt gelijk aan zijn aandeel in de lasten van de woning. De vrouw dient derhalve de volledige eigenaars- en gebruikerslasten voor haar rekening te nemen. De vrouw heeft sinds 1 januari 2024 het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. De man verzoekt dan ook primair om een gebruiksvergoeding van de vrouw per die datum en subsidiair per datum van zijn verweerschrift waarin hij een gebruiksvergoeding verzoekt, zijnde 2 april 2024. De man verblijft sinds januari 2024 elders en draagt de lasten van zijn eigen huurwoning van ongeveer € 2.100,- per maand. Daarnaast betaalt de man sinds hij de woning heeft verlaten zijn aandeel in de hypotheeklasten van in totaal € 223,15 per maand (levensverzekering en rente).



Rechtsmacht en toepasselijk recht




3.5.3.
De woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het voortgezet gebruik van deze woning. De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.



Inhoudelijke beoordeling




3.5.4.
Zoals hieronder aan de orde zal komen, zal de rechtbank bepalen dat de vrouw als eerste de mogelijkheid krijgt om de echtelijke woning over te nemen. De vrouw zal hiervoor een termijn krijgen van de rechtbank. Voor het geval het de vrouw niet lukt om de woning over te nemen, zal de rechtbank bepalen dat zij gedurende drie maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking het voortgezet gebruik van de echtelijke woning behoudt. Ten aanzien van de door de man verzochte gebruiksvergoeding oordeelt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 3:169 BW kan een gebruiksvergoeding door de man worden verzocht. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad (onder meer: HR 22 november 2000, ECLI:NL:HR:2000: AA9143 en HR 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6176) volgt dat een deelgenoot, die een goed met uitsluiting van de andere deelgenoot gebruikt, verplicht is die andere deelgenoot, die aldus verstoken wordt van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen.



3.5.5.

Nu de vrouw het gebruiksrecht heeft van de echtelijke woning is de vrouw gehouden een gebruiksvergoeding aan de man te betalen. De rechtbank acht het redelijk deze door de vrouw aan de man te betalen gebruiksvergoeding te laten ingaan op 1 mei 2024, nu de man op 2 april 2024 een geconcretiseerd verzoek om een gebruiksvergoeding heeft gedaan en de vrouw niet eerder rekening heeft hoeven houden met een vast te stellen gebruiksvergoeding.
De man heeft gesteld dat hij maandelijks € 223,15 (afgerond € 223,-) betaalt aan levensverzekering en rente. De vrouw heeft dit bedrag niet betwist zodat de rechtbank van dit bedrag zal uitgaan en bepalen dat de vrouw dit bedrag maandelijks aan de man dient te voldoen als gebruiksvergoeding.





3.6.

Kinderalimentatie



3.6.1.
De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderalimentatie) van € 349,- voor [minderjarige 1] , € 320,- voor [minderjarige 2] en € 263,- voor [minderjarige 3] per maand.



3.6.2.
De man voert verweer. Hij heeft aangevoerd dat partijen in elk geval tot januari 2024 samen hebben bijgedragen aan de kosten voor de kinderen, door middel van een storting van € 1.400,- per persoon op de gezamenlijke rekening. Verder voert de man aan dat de door de vrouw berekende kinderalimentatie niet juist is. Volgens hem moet hij maximaal een bedrag van € 593,- per maand betalen voor drie kinderen.



Rechtsmacht




3.6.3.
De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub a van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) bevoegd om van het alimentatieverzoek kennis te nemen.



Toepasselijk recht




3.6.4.
De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het Nederlands recht toepassen op het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.



Inhoudelijke beoordeling




3.6.5.
De rechtbank stelt op dit punt voorop dat het betalen van kinderalimentatie niet dient te gebeuren via gezamenlijke stortingen op een rekening. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat de man sinds november 2024 een maandelijks bedrag van € 713,- is gaan betalen aan haar. De rechtbank zal bepalen dat dit bedrag dient verrekend te worden met hetgeen hij nog moet betalen.



Ingangsdatum




3.6.6.
De vrouw stelt dat partijen het eens zijn over de ingangsdatum van de alimentatie. Dat is 1 maart 2024. Partijen hebben dit in een viergesprek met hun (voormalig) advocaten afgesproken.



3.6.7.
De man heeft niet betwist dat partijen een afspraak hebben gemaakt over de ingangsdatum.



3.6.8.
Omdat de man de door de vrouw gestelde afspraak - dat de ingangsdatum van de te betalen kinderalimentatie 1 maart 2024 is - niet heeft betwist, zal de rechtbank deze datum als ingangsdatum bepalen.



Behoefte




3.6.9.
Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de minderjarigen kan worden vastgesteld op de maximale behoefte in 2023. Dat is een bedrag van € 543,- per kind per maand. Geïndexeerd naar heden (2025) is dat € 615,- per kind per maand.



Draagkracht van partijen




3.6.10.
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van partijen kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van partijen genoemd. Volgens de wet moeten partijen namelijk naar draagkracht in de behoefte van hun kind voorzien.



3.6.11.
Voor het bepalen van de draagkracht van partijen past de rechtbank de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld toe. Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van een partij is daarbij het uitgangspunt. Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van het kind.



3.6.12.
Bij een NBI dat hoger is dan € 2.125,- per maand in 2025 maakt de rechtbank daarvoor gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’. In die formule wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het NBI per maand. Partijen worden geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij hun inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een forfaitair (vaststaand) bedrag voor redelijke kosten van levensonderhoud, dat ieder jaar wordt bijgesteld. In 2025 is dat een bedrag van € 1.310,- per maand. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het NBI blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. De berekening van de draagkracht ziet er dan als volgt uit: 70% [NBI – (0,3 x NBI + 1.310)].



Draagkracht van de man




3.6.13.
Voor de berekening van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van de navolgende financiële gegevens. Voor zover deze gegevens tussen partijen niet vaststaan, zal de rechtbank hierop gemotiveerd ingaan.



3.6.14.
De man heeft een jaaropgave van 2024 overgelegd. Hieruit volgt dat hij in dat jaar een inkomen van € 107.905,- had.



3.6.15.
Uitgaande van voormelde gegevens becijfert de rechtbank het NBI van de man op een bedrag van € 5.479,- per maand. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% van [5.479 – (0,3 x 5.479 + 1.310)] = € 1.768,- per maand.



Draagkracht van de vrouw




3.6.16.
Voor de berekening van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van de navolgende financiële gegevens. Voor zover deze gegevens tussen partijen niet vaststaan, zal de rechtbank hierop gemotiveerd ingaan.



3.6.17.
De vrouw heeft eveneens haar jaaropgave over 2024 overgelegd. Hieruit volgt dat haar inkomen in dat jaar € 51.648,- was. De vrouw heeft verder aangevoerd dat zij op dit moment niet meer dan 28 uur kan werken. Het is niet mogelijk in de organisatie, maar ook doordat de vrouw nu veel zorg voor de kinderen heeft. Zij heeft soms slapeloze nachten omdat de kinderen haar nodig hebben. De vrouw functioneert (nog) niet goed.




3.6.18.
De man voert aan dat het onduidelijk is waarom de vrouw op dit moment maar 28 uur per week werkt. Ook is onduidelijk waarom de vrouw niet meer klussen zou kunnen aannemen als zzp’er. Alhoewel de man meent dat de vrouw als het gaat om partneralimentatie meer inkomen dient te vergaren, gaat de man voor de berekening van de draagkracht van de vrouw inzake de kinderalimentatie uit van het inkomen van de vrouw dat blijkt uit haar jaaropgave van 2024. De man wil immers niet weglopen van zijn verplichting tot het betalen van de kosten voor de kinderen. Dit betekent dat de man gelet op de jaaropgave van 2024 uitgaat van een draagkracht van de vrouw van € 1.355,- per maand.



3.6.19.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw het voldoende aannemelijk gemaakt dat zij op dit moment (nog) niet in staat is om meer te werken. Uitgaande van voormelde gegevens becijfert de rechtbank het NBI van de vrouw op een bedrag van € 3.546,- per maand. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% van [3.546 – (0,3 x 3.546 + 1.310)] = € 1.266,- per maand.



Draagkrachtvergelijking




3.6.20.
Zoals hiervoor is overwogen bedraagt de draagkracht van de man € 1.768,- per maand en de draagkracht van de vrouw € 1.266,- per maand. De gezamenlijke draagkracht bedraagt dan ook € 3.034,- per maand. Dit is voldoende om volledig in de behoefte van de minderjarigen van € 1.845,- per maand te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken aan de hand van de formule: eigen draagkracht / totale draagkracht x behoefte.



3.6.21.
Na vergelijking van ieders draagkracht becijfert de rechtbank het aandeel van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen op € 1.075,- per maand en dat van de vrouw op € 770,- per maand.



Zorgkorting




3.6.22.
Gelet op de huidige (voorlopige) zorgregeling tussen de man en [minderjarige 3] kan de man aanspraak maken op een zorgkorting van 35% van zijn behoefte, zijnde € 215,- per maand. De man kan geen aanspraak maken op zorgkorting voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .



Conclusie




3.6.23.
Na aftrek van voormelde (te verzilveren) zorgkorting becijfert de rechtbank de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 3] op een bedrag van € 143,- per maand. Voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is de bijdrage € 358,- per maand. Dit betekent dat de man in totaal een bedrag van afgerond € 860,- per maand aan de vrouw dient te voldoen. De rechtbank verwijst naar de aan de beschikking gehechte berekening.




3.7.

Partneralimentatie



3.7.1.
De vrouw verzoekt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) van € 1.001,- per maand vast te stellen.



3.7.2.
De man voert verweer.



3.7.3.
De rechtbank zal hierna – voor zover van belang – per onderwerp nader ingaan op de stellingen van partijen.



Rechtsmacht




3.7.4.
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij op grond van artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek om partneralimentatie.



Toepasselijk recht




3.7.5.
De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het recht van Nederland op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen toepassen, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.



Inhoudelijke beoordeling


Ingangsdatum




3.7.6.
De partneralimentatie kan volgens de wet niet eerder ingaan dan het moment dat de echtscheiding definitief is. Dat is het geval als de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand (bij de gemeente). Tot die tijd geldt een onderhoudsplicht van echtgenoten jegens elkaar op grond van artikel 1:81 BW en 1:84 BW.



Huwelijksgerelateerde behoefte




3.7.7.
Voor de berekening van partneralimentatie moet eerst worden vastgesteld welk bedrag de vrouw maandelijks nodig heeft om van te leven. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de puur noodzakelijke kosten die de vrouw maakt, maar ook naar de welstand waarin partijen tijdens het huwelijk hebben geleefd en naar wat de vrouw daardoor gewend was uit te geven. Daarom wordt dat ook wel de ‘huwelijksgerelateerde behoefte’ genoemd. Voor de vaststelling hiervan is een vuistregel ontwikkeld, de zogeheten ‘Hof-norm’. Die Hof-norm neemt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van toen partijen nog bij elkaar waren als uitgangspunt, en gaat ervan uit dat ieder van partijen 60% van dat inkomen nodig heeft om van te leven na de echtscheiding. De gedachte hierachter is dat het leven voor alleenstaanden nu eenmaal duurder is dan voor gehuwden.



3.7.8.
Partijen zijn het niet eens over de huwelijksgerelateerde behoefte. Wel zijn partijen het erover eens dat aangesloten kan worden bij de Hof-norm, zodat het NBGI moet worden vastgesteld.



3.7.9.
De rechtbank moet eerst vaststellen wat partijen te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren. Dat was in 2023.



3.7.10.
De vrouw stelt dat partijen in 2023 een NBGI van € 7.557,- hadden. Volgens de vrouw is 60% daarvan € 4.534,20.



3.7.11.
Volgens de berekening van de man bedraagt de behoefte van de vrouw € 4.099,- per maand in 2023. Voor het berekenen van het NBGI dient te worden uitgegaan van het inkomen in 2023, nu partijen in dit jaar feitelijk uiteen gingen.



3.7.12.
Blijkens de inkomensgegevens van partijen uit 2023 had de man in januari 2023 een inkomen van € 6.054,- per maand, de rechtbank houdt rekening met 8% vakantiegeld en een dertiende maand, als door de man aangevoerd. Hierbij telt de rechtbank de volgende posten op, die uit zijn salarisstrook volgen: € 319,- (health insurance taxable), € 13,- (risk insurance taxable), € 50,- (sports allowance), € 23,- (phone allowance gross), € 892,- (car mobility allowance) totaal (afgerond) 1.296,-. De rechtbank houdt geen rekening met een bonus, nu de man heeft betwist dat hij deze structureel ontvangt en dit eveneens volgt uit zijn salarisstrook van januari 2024, hier is geen bonus in meegenomen.



3.7.13.
De vrouw had in 2023 blijkens haar aangifte IB in dat jaar een inkomen van € 52.229,-.



3.7.14.
Uit de hiervoor vermelde bedragen volgt dat het NBGI van partijen in 2023 € 8.475,- per maand bedroeg. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekening. Na aftrek van de kosten van de minderjarigen van € 1.630,- per maand in 2023 resteert een bedrag van € 6.845,- per maand. De huwelijksgerelateerde behoefte kan worden gesteld op 60% van dit bedrag, zijnde € 4.107,- netto per maand. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt deze behoefte € 4.645,- netto per maand.



Aanvullende behoefte (behoeftigheid)




3.7.15.
Partijen verschillen vervolgens van mening in hoeverre de vrouw zelf in haar huwelijksgerelateerde behoefte kan voorzien.



3.7.16.
De man voert aan dat hoofdregel luidt dat ieder in zijn eigen levensonderhoud moet voorzien. Een onderhoudsplicht van de man jegens de vrouw bestaat alleen voor zover de vrouw niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, terwijl zij zich wel daartoe voldoende heeft ingespannen. Dit betekent dat de vrouw dient aan te tonen dat zij geen of onvoldoende inkomsten heeft om in haar behoefte te voorzien en evenmin in redelijkheid in staat kan worden geacht (voldoende) inkomsten te verwerven. De man voert aan dat de vrouw zich dient in te spannen haar verdiencapaciteit volledig te benutten. De vrouw werkt slechts 28 uur per week en zou daarbij klussen kunnen aannemen als zzp’er. Verder voert de man aan dat de vrouw kan interen op haar vermogen. Als de man de woning overneemt, kan de vrouw het bedrag wat zij ontvangt uit de verdeling aanwenden ter aanvulling op haar inkomen. Zolang de vrouw niet fulltime werkt kan ook van de vrouw worden verwacht dat zij op haar vermogen inteert.



3.7.17.
De vrouw heeft aangevoerd dat zij op dit moment niet meer kan werken dan 28 uur.



3.7.18.
De rechtbank oordeelt dat op dit moment niet van de vrouw verlangd mag worden dat zij inteert op haar vermogen. Indien de man de woning overneemt en de vrouw een bedrag ontvangt uit de overwaarde van de woning zou dat onder (uitzonderlijke) omstandigheden mogelijk anders kunnen komen te liggen, maar de vrouw zal eerst zelf de gelegenheid krijgen om de woning over te nemen. Verder heeft de vrouw – naar het oordeel van de rechtbank – voldoende aannemelijk gemaakt dat zij (nog) niet in staat is om meer te werken zodat zij op dit moment een aanvullende behoefte aan partneralimentatie heeft.



Draagkracht




3.7.19.
De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor bij de berekening van de draagkracht van de vrouw voor kinderalimentatie is overwogen. Voor de berekening van partneralimentatie zal van diezelfde gegevens worden uitgegaan. Op basis van voormelde gegevens becijfert de rechtbank – onder verwijzing naar de bijgevoegde berekening – het NBI van de vrouw op een bedrag van € 4.455,- per maand. Dit is onvoldoende om volledig in de huwelijksgerelateerde behoefte te voorzien. Rekening houdend met de te betalen belasting en de bijdrage voor de zorgverzekeringswet (ZVW) becijfert de rechtbank – onder verwijzing naar de bijgevoegde berekening – dat de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man van € 2.152,- bruto per maand om volledig in de huwelijksgerelateerde behoefte te kunnen voorzien.



Draagkracht van de man




3.7.20.
Partijen zijn het niet eens over de draagkracht van de man voor partneralimentatie.



3.7.21.
De man voert aan dat gerekend moet worden met hetzelfde inkomen als waarvan is uitgegaan bij de berekening van zijn draagkracht en behoeve van de kinderalimentatie. Voor het geval de woning niet aan de man wordt toegedeeld voert de man aan dat rekening gehouden moet worden met de werkelijke woonlasten van de man. De man heeft een kale huur van € 1.975,- per maand, dit is een aanzienlijk hoger bedrag dan het woonbudget. Verder stelt de man dat rekening gehouden moet worden met een maandlast van € 114,- aan advocaatkosten. De man sluit aan bij de aanbeveling van de Expertgroep.



3.7.22.

De rechtbank verwijst ook hier naar hetgeen zij bij de berekening van de draagkracht van de man voor kinderalimentatie heeft overwogen en gaat van diezelfde gegevens uit. De rechtbank ziet geen aanleiding om het woonbudget in de formule aan te passen. Weliswaar geeft de man aan dat zijn woonlasten hoger zijn, maar de man heeft niet gesteld dan wel onderbouwd dat het hier om onvermijdbaar hogere woonlasten gaat. De rechtbank kan ook niet beoordelen of het voor de man mogelijk is om kleiner en/of anders te gaan wonen teneinde zijn woonlasten te beperken. De man heeft daarover niets gesteld.
De rechtbank ziet evenmin aanleiding om bij de berekening van de draagkracht van de man rekening te houden met advocaatkosten voor een bedrag van € 114,- per maand. De Expertgroep beschouwt advocaatkosten gemaakt in het kader van een familierechtelijke procedure niet als een noodzakelijke last die voorrang heeft boven de onderhoudsverplichting. Indien partneralimentatie wordt vastgesteld kan daarover onder bijzondere omstandigheden weliswaar anders worden geoordeeld maar van dergelijke bijzondere omstandigheden is in de onderhavige procedure niet gebleken. De man heeft de advocaatkosten niet onderbouwd. Ook is niet gesteld of gebleken dat hij niet over voldoende liquide beschikt(e) danwel binnen afzienbare termijn kan beschikken om zijn advocaatkosten te voldoen.




3.7.23.
Hieruit volgt dat de man een draagkracht van € 1.515,- bruto per maand heeft. rekening houdend met de door de man te betalen bijdrage voor de minderjarigen, inclusief zorgkorting (€ 1.075,-), heeft de man een draagkracht van € 440,- netto per maand voor partneralimentatie. Dat is bruto een bedrag van € 703,-.



Conclusie




3.7.24.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de man geacht kan worden met een bedrag van € 703,- bruto per maand bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Dit bedrag overstijgt de behoeftigheid van de vrouw niet en de vrouw wordt door deze bijdrage ook niet in een betere financiële positie gebracht dan de man. De rechtbank zal die bijdrage dan ook vastleggen en het meer of anders verzochte ten aanzien van de partneralimentatie afwijzen.




3.8.

Verdeling



3.8.1.
Partijen hebben verzocht te bepalen dat de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen wordt verdeeld op de door hen voorgestelde wijze.



Rechtsmacht




3.8.2.
Nu de Nederlandse rechter de echtscheidingsrechter is op grond van artikel 3 lid 1 sub a onder i), iii) en v) Brussel ii-ter, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 5 Huwelijksvermogensrechtverordening bevoegd van een verzoek tot het vaststellen van de vermogensrechtelijke afwikkeling kennis te nemen.



Toepasselijk recht




3.8.3.
Partijen zijn in 2006 gehuwd. Zij hebben geen rechtskeuze uitgebracht en hebben voorafgaand aan het huwelijk geen huwelijkse voorwaarden opgesteld. Het toepasselijk recht dient daarom te worden bepaald aan de hand van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978. Ten tijde van de huwelijksvoltrekking hadden partij en geen gemeenschappelijke nationaliteit. De man had de Afghaanse nationaliteit en de vrouw had de Nederlandse nationaliteit. De man verkreeg de Nederlandse nationaliteit in 2011. De eerste huwelijksdomicilie van partijen was in Nederland. Als gevolg daarvan is het Nederlandse recht van toepassing op grond van artikel 4 lid 1 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978.



Inhoudelijke beoordeling




3.8.4.
Nu niet is gesteld of gebleken dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, moet gelet op het bepaalde in artikel 1:93 BW en 1:94 lid 1 (oud) BW worden aangenomen dat tussen partijen een algehele gemeenschap van goederen bestaat. Dit betekent dat de gemeenschap ingevolge artikel 1:100 BW bij helfte dient te worden verdeeld.



Peildatum voor de omvang en samenstelling




3.8.5.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:99, eerste lid, sub b BW wordt de gemeenschap van goederen van rechtswege ontbonden op het moment van het indienen van het verzoekschrift tot echtscheiding. In deze zaak is het verzoekschrift ingediend op 10 juli 2023. Daarom geldt die datum als peildatum voor de omvang en samenstelling van de gemeenschap.



Peildatum voor de waardering




3.8.6.
Voor wat betreft de waarde van de boedelbestanddelen zal ten aanzien van de schulden en banksaldi in beginsel worden uitgegaan van de waarde per peildatum en ten aanzien van de overige boedelbestanddelen in beginsel van de waarde op het moment van de feitelijke verdeling.



Huwelijksgemeenschap




3.8.7.

Gelet op de hiervoor genoemde datum van ontbinding van de gemeenschap van goederen moet voor de verdeling gekeken worden naar de goederen en schulden die op 10 juli 2023 aanwezig waren. Partijen stellen dat dit de volgende goederen en schulden zijn:

activa




de voormalige echtelijke woning aan [adres] ;


de saldi op de bankrekeningen van beide partijen;


de inboedel, waaronder de piano en de harp;


e Citroen C1 met kenteken [kenteken 1] en de Nissan Qashqai met kenteken [kenteken 2]



passiva


de aan de voormalig echtelijke woning gekoppelde hypotheek bij REAAL met lening nummer [nummer] , inclusief het daaraan gekoppelde premiedepot;
de creditcardschuld van de man.




3.8.8.
De rechtbank zal in het hiernavolgende ingaan op de diverse bestanddelen.



Ad a de woning en ad e de hypotheek




3.8.9.

Beide partijen hebben aangegeven de woning te willen overnemen. De rechtbank overweegt als volgt. Nu de minderjarigen hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben, acht de rechtbank het in het belang van de minderjarigen dat eerst wordt bezien of de vrouw de woning kan overnemen.
Partijen moeten zich binnen twee weken na de beschikking wenden tot de in het dictum van deze beschikking genoemde makelaar/taxateur, die de woning binnen twee weken zal taxeren. De vrouw krijgt vervolgens drie maanden om te onderzoeken of zij de woning voor de getaxeerde waarde kan financieren onder ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de man voor de hypothecaire geldlening. Als de vrouw zich binnen drie maanden na de taxatie jegens de man schriftelijk bereid en in staat verklaart zijn aandeel in de woning over te nemen, zal de woning binnen één maand na dat bericht aan haar worden toebedeeld, onder de verplichting aan de man de helft van de overwaarde uit te keren, uiterlijk ter gelegenheid van het transport bij de notaris, en hem te vrijwaren voor eventuele hypothecaire verplichtingen. De kosten van de taxateur en het transport komen voor rekening van beide partijen, ieder voor de helft.
Als de vrouw zich niet uiterlijk binnen drie maanden na de taxatie jegens de man schriftelijk bereid en in staat verklaart zijn aandeel in de woning over te nemen, zal de man – andersom – eveneens de gelegenheid krijgen om de woning over te nemen. Indien dit niet lukt (binnen dezelfde termijn als de vrouw heeft gekregen) zal worden bepaald dat de woning moet worden verkocht en geleverd aan een derde, waarbij de opbrengst, onder aftrek van de hypothecaire schuld, aan partijen ieder voor de helft toekomt. De kosten van de verkopende makelaar en eventuele kosten van het transport komen voor rekening van beide partijen, ieder voor de helft. Partijen zullen in dat geval daartoe opdracht geven aan de door hen - op de wijze als in de ‘Beslissing’ vermeld - gekozen makelaar. De rechtbank zal ten aanzien van de verdeling van de woning een zogenoemd “spoorboekje” voor partijen opnemen, zoals na te melden onder ‘Beslissing’.




Ad b de bankrekeningen




3.8.10.
Partijen zijn het erover eens dat ieder der partijen de op zijn/haar naam staande bankrekening behoudt en aan de ander de helft van het saldo per de peildatum vergoedt. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen verzocht te bepalen dat de saldi op de bankrekeningen per peildatum binnen twee weken naar de beschikking verdeeld moeten zijn.



3.8.11.
De rechtbank zal bepalen dat partijen de bankrekeningen die op zijn of haar naam staan houden, waarbij de saldi van deze bankrekeningen op de peildatum (10 juli 2023) bij helfte moeten worden gedeeld, dan wel ieder voor de helft draagplichtig is voor een eventueel negatief saldo. De rechtbank verstaat dat partijen voor deze verdeling elkaar inzicht verschaffen in de saldi van de bankrekeningen die zij hadden op de peildatum en dat partijen binnen twee weken na heden de saldi hebben verdeeld.



Ad c de inboedelgoederen




3.8.12.
De man verzoekt te bepalen dat partijen de helft van de inboedelgoederen van de echtelijke woning, in onderling overleg zullen verdelen. De man heeft daarnaast verzocht te bepalen dat aan de man wordt toegedeeld zijn kleding en lijfgoederen en aan de vrouw wordt toegedeeld haar kleding en lijfgoederen.



3.8.13.
De vrouw kan zich verenigen met de door de man voorgestelde verdeling van de inboedelgoederen. Zij wil graag dat wordt bepaald dat degene die in de echtelijke woning blijft wonen de vaste apparatuur houdt. De vrouw voert ten aanzien van de kleding en lijfgoederen aan dat uit de wet reeds voortvloeit dat beide partijen recht hebben op de aan hen toekomende kleding en lijftoebehoren, zodat het verzoek van de man bij gebrek aan belang moet worden afgewezen.



3.8.14.
De rechtbank oordeelt als volgt. Partijen zullen de inboedel in onderling overleg verdelen. Degene die in de woning blijft, zal de vaste apparatuur houden. Ook de kinderen behouden hun persoonlijke spullen. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen besloten dat de harp aan [minderjarige 2] toekomt en de piano aan [minderjarige 1] . Hiervoor hoeft de man dus geen vergoeding meer te ontvangen van de vrouw. Partijen hebben verder tijdens de mondelinge behandeling afgesproken dat de man de foto’s en filmpjes van vroeger – die hij op een externe harde schijf heeft staan – met de vrouw deelt. De rechtbank gaat ervan uit dat de man hiervoor zorg draagt. Daarnaast behoudt ieder zijn of haar eigen kleding en lijfgoederen.



Ad d de auto’s




3.8.15.
Tijdens de mondelinge behandeling is gesproken over de auto’s. Partijen hebben eerder een afspraak gemaakt over de auto’s die inhield dat zij beiden één auto voor een bepaalde datum zouden verkopen. De vrouw heeft dit gedaan en de Citroen C1 is verkocht voor een bedrag van € 1.550,-. De man heeft de Nissan Qashqai niet verkocht. Hij heeft daarover verklaard dat hij het wel heeft geprobeerd, maar dat het hem niet gelukt is. De man heeft op de mondelinge behandeling verzocht om hem een termijn te gunnen om de Nissan Qashqai alsnog te verkopen, waarna hij de opbrengst met de vrouw deelt. Volgens de man is de waarde van de Nissan € 13.700,-.



3.8.16.
De vrouw kan zich niet verenigen met het voorstel van de man. Zij wijst erop dat hij in de tussentijd gebruik heeft kunnen maken van de Nissan Qashqai, terwijl zij zich aan de gemaakte afspraak heeft gehouden. Daarnaast betwist zij de door de man gestelde waarde van € 13.700,-. Volgens haar bedraagt de waarde € 15.500,-, zoals partijen hebben afgesproken tijdens een viergesprek. De vrouw voert aan dat de man de auto moet over nemen tegen de door hem genoemde waarde van € 15.500,-, waarbij hij dus € 7.750,- aan de vrouw dient te vergoeden.



3.8.17.
De rechtbank oordeelt als volgt. Vaststaat dat partijen een afspraak hebben gemaakt over de verkoop van beide auto’s. De vrouw heeft zich aan deze afspraak gehouden, de man niet. Het niet-nakomen van de afspraak moet naar het oordeel van de rechtbank niet voor rekening van de vrouw komen. Gelet op het feit dat de man de door de vrouw gestelde afspraak over de waarde van de Nissan Qashqai heeft betwist en de vrouw verder geen stukken in het geding heeft gebracht waaruit blijkt dat partijen een waarde van € 15.500,- aan de Nissan toekenden, zal de rechtbank de waarde van de Nissan te schatten. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een waarde van € 14.600,- (€ 13.700 + € 15.500) niet onredelijk. De rechtbank bepaalt dat de auto aan de man wordt toebedeeld, onder verrekening met de vrouw van de helft van de waarde, zijnde € 7.300,-.



Ad f de creditcardschuld




3.8.18.
De man stelt dat hij een creditcardschuld heeft. Hij verzoekt de rechtbank te bepalen dat hij deze schuld voor zijn rekening neemt en de vrouw te veroordelen tot betaling van de helft van deze schuld ad € 711,65 op de peildatum aan de man.



3.8.19.
De vrouw stelt dat zij geen creditcardschuld heeft.



3.8.20.
De rechtbank bepaalt dat dat ieder der partijen voor de helft van het op 10 juli 2023 aanwezige negatieve saldo van de creditcardschuld van de man draagplichtig zal zijn.



Pensioen




3.8.21.
De man heeft zijn verzoek tot overlegging van een afschrift van het pensioenoverzicht van de vrouw ingetrokken.






4De beslissing


De rechtbank:




in de zaak met zaak-/rolnummer C/13/736646 / FA RK 23-4621:




4.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op 12 september 2006;



4.2.
bepaalt dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;



4.3.
bepaalt dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn: [minderjarige 3] is de helft van de tijd bij de man en de helft van de tijd bij de vrouw, ook de vakanties worden door partijen bij helfte gedeeld;



4.4.
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming te [locatie 1] advies uit te brengen omtrent de hiervoor in rechtsoverweging 3.4.11 geformuleerde vragen;



4.5.
bepaalt dat de griffier met voormeld doel een afschrift van deze beschikking aan voornoemde Raad zal toezenden;



4.6.
bepaalt dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om in de woning aan het adres [adres] te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot drie maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, als zij de woning ten tijde van die inschrijving bewoont;



4.7.
bepaalt dat de man € 860,- per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de voornoemde minderjarigen, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;



4.8.
bepaalt dat de man € 703,- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;


4.8.1.
veroordeelt de vrouw tot het voldoen van een gebruiksvergoeding van € 223,- per maand vanaf 1 mei 2024 tot de datum waarop het aandeel van de man in de woning aan de [adres] wordt geleverd aan de vrouw, dan wel tot de datum waarop het aandeel van de vrouw in de genoemde woning wordt geleverd aan de man, dan wel tot de datum waarop de genoemde woning wordt geleverd aan een derde bij verkoop van de echtelijke woning;



in de zaak met zaak-/rolnummer C/13/762442 / FA RK 25-165 (verdeling)






4.9.
gelast de wijze van verdeling van de woning aan de [adres] en de hypothecaire lening als volgt:


voor het geval toedeling aan de vrouw van de woning onder ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid kan worden gerealiseerd:



de man dient binnen één week na afgifte van deze beschikking schriftelijk drie erkende NVM-makelaars aan de vrouw te noemen, waarvan de vrouw er binnen één week daarna schriftelijk één uitkiest. Deze makelaar wordt belast met de taxatie van de woning. Indien de man niet binnen de termijn van één week drie makelaars voorstelt, is de vrouw gerechtigd zelf een makelaar te kiezen. Indien omgekeerd de vrouw niet binnen één week uit de drie voorgestelde makelaars een keuze maakt, is de man gerechtigd om zelf een van de drie makelaars uit te kiezen;


partijen geven binnen 14 dagen na bovenvermelde keuze aan deze makelaar de opdracht om de woning te taxeren tegen de actuele waarde. Indien slechts een van de partijen binnen deze termijn een opdracht aan de makelaar heeft verstrekt, dan is deze na het verstrijken van de termijn bevoegd om als vertegenwoordiger van de andere partij de opdracht aan de makelaar te verstrekken;


ieder van partijen draagt de helft van de kosten van de taxatie;


de vrouw krijgt gedurende drie maanden nadat het taxatierapport is opgemaakt de gelegenheid om de man schriftelijk en met bewijsstukken onderbouwd te berichten of zij de woning en de rechten en verplichtingen uit de spaarpolis kan overnemen tegen de taxatiewaarde ervan c.q. de waarde van de spaarpolis, waarbij:



- de vrouw de op de woning rustende hypothecaire geldleningen bij de hypotheekverstrekker geheel voor haar rekening zal nemen en als eigen schuld zal voldoen en de man zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze hypothecaire geldleningen;
- de vrouw de helft van de overwaarde van de woning, bestaande uit de taxatiewaarde plus de waarde van de aan de hypotheek verbonden spaarpolis, na aftrek van de hypothecaire schuld(en) op het moment van de notariële overdracht, aan de man zal vergoeden;



indien de vrouw de woning kan overnemen onder voornoemde voorwaarden dient de levering van de woning en de rechten en verplichtingen uit de spaarpolis aan de man plaats te vinden binnen één maand, nadat de vrouw de man binnen de termijn van drie maanden na het opmaken van het taxatierapport schriftelijk heeft bericht dat zij de woning kan overnemen;


de kosten van het notariële transport van de woning komen voor rekening van de vrouw;


indien binnen of na verloop van deze periode van in totaal vier maanden blijkt dat de vrouw de woning niet kan overnemen onder ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid dan wel deze niet is geleverd aan de vrouw:


gelast de wijze van verdeling van de woning als volgt:


de man krijgt gedurende drie maanden nadat het taxatierapport is opgemaakt de gelegenheid om de vrouw schriftelijk en met bewijsstukken onderbouwd te berichten of hij de woning en de rechten en verplichtingen uit de spaarpolis kan overnemen tegen de taxatiewaarde ervan c.q. de waarde van de spaarpolis, waarbij:



- de man de op de woning rustende hypothecaire geldleningen bij de hypotheekverstrekker geheel voor zijn rekening zal nemen en als eigen schuld zal voldoen en de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze hypothecaire geldleningen;
- de man de helft van de overwaarde van de woning, bestaande uit de taxatiewaarde plus de waarde van de aan de hypotheek verbonden spaarpolis, na aftrek van de hypothecaire schuld(en) op het moment van de notariële overdracht, aan de vrouw zal vergoeden;



indien de man de woning kan overnemen onder voornoemde voorwaarden dient de levering van de woning en de rechten en verplichtingen uit de spaarpolis aan de vrouw plaats te vinden binnen één maand, nadat de man de vrouw binnen de termijn van drie maanden na het opmaken van het taxatierapport schriftelijk heeft bericht dat hij de woning kan overnemen;


de kosten van het notariële transport van de woning komen voor rekening van de man;


indien binnen of na verloop van deze periode van in totaal drie maanden blijkt dat de man de woning niet kan overnemen onder ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid dan wel deze niet is geleverd aan de man, dient de woning te worden verkocht en geleverd aan een derde;


partijen zullen dan uiterlijk binnen 14 dagen na de mededeling dat overname niet lukt, dan wel binnen 14 dagen nadat de termijn voor levering is verstreken, gezamenlijk opdracht tot verkoop geven aan de makelaar die de taxatie heeft verricht;


partijen zullen in onderling overleg met de makelaar de vraagprijs, die dient te zijn gebaseerd op de woningmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, bepalen;


indien partijen er niet binnen twee weken na de opdrachtverlening aan de makelaar in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, zal de makelaar de woning te koop mogen aanbieden tegen een marktconforme vraagprijs;


partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zal de makelaar dit bindend kunnen bepalen;


als de verkoopprijs bindend is vastgesteld zijn beide partijen verplicht hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning;


na verkoop moet met de verkoopopbrengst en de uitkering van de spaarpolis de hypothecaire geldlening worden afgelost en de aan de verkoop verbonden kosten worden betaald; het eventuele restant moeten partijen bij helfte delen, dan wel voor zover er een restschuld ontstaat, moeten zij ieder de helft daarvan dragen;





4.10.
stelt de verdeling van de overige bestanddelen van de (ontbonden) gemeenschap als volgt vast:



4.11.
bepaalt dat aan ieder de eigen bankrekeningen worden toegedeeld, waarbij de saldi op de bankrekeningen per de peildatum worden verrekend, binnen twee weken na heden;


4.11.1.
bepaalt dat de inboedelgoederen in onderling overleg zullen worden verdeeld en ieder aanspraak maakt op zijn of haar eigen kleding en lijfgoederen;



4.11.2.
stelt de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap als volgt vast:


aan de man wordt toegedeeld: de Nissan Qashqai waarbij de man wegens overbedeling aan de vrouw zal voldoen een bedrag van € 7.300,-;




4.11.3.
bepaalt dat dat ieder der partijen voor de helft van het op 10 juli 2023 aanwezige negatieve saldo van de creditcardschuld van de man draagplichtig is;




4.12.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behoudens het bepaalde onder 4.1;



4.13.
wijst af het meer of anders verzochte.











Deze beschikking is gegeven door mr. M. Overmars, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. K.E. Luijckx op 17 april 2025.










































Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.