Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:11492
2025-07-01
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
AMS 25/4300
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Tegemoetkoming studievoucher, beroep op Europeesrechtelijk discriminatiebeginsel en evenredigheidsbeginsel, beroep ongegrond
Citeert (5)
- ECLI:NL:CRVB:2023:1669 Centrale Raad van Beroep 23-08-2023
- ECLI:CE:ECHR:2011:0707JUD003745202
- ECLI:CE:ECHR:2021:1026JUD003293419
- ECLI:NL:CRVB:2024:304 Centrale Raad van Beroep 29-02-2024
- ECLI:NL:RVS:2023:772 Raad van State 01-03-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.388 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/4300
uitspraak van de meervoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs, verweerder
(gemachtigde: mr. drs. E.H.A. van den Berg).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de weigering van verweerder om aan eiser de tegemoetkoming die in de plaats is gekomen van de studievoucher (tegemoetkoming studievoucher) toe te kennen. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de tegemoetkoming studievoucher terecht heeft geweigerd. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met een besluit van 3 maart 2025 heeft verweerder besloten dat eiser niet in aanmerking komt voor de tegemoetkoming studievoucher.
2.1.
Met het bestreden besluit van 13 juni 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder daarbij gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Het beroep is op 19 januari 2026 door een enkelvoudige kamer van de rechtbank op zitting behandeld. Aan deze zitting hebben deelgenomen: eiser, zijn zus [persoon] en de gemachtigde van verweerder.
2.4.
Met een beslissing van 19 februari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak naar de meervoudige kamer verwezen.
2.5.
Het beroep is op 20 april 2026 door de meervoudige kamer van de rechtbank op zitting behandeld. Aan deze zitting hebben deelgenomen: eiser, zijn zus [persoon] en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
3. Het gaat in deze zaak om de tegemoetkoming die in de plaats is gekomen van de studievoucher. De studievoucher is in het leven geroepen met de invoering van het leenstelsel in 2015. In artikel 12.15 van de Wet Studiefinanciering 2000 (Wsf) is toen bepaald dat de eerste vier lichtingen studenten die onder dit nieuwe stelsel vielen (de vier studiejaren vanaf 1 september 2015) aanspraak konden maken op een studievoucher. Blijkens de memorie van toelichting bij de wetswijziging voor de invoering van het leenstelsel is de achtergrond daarvan dat studenten onder het leenstelsel zelf een groter deel van de kosten van hun opleiding in het hoger onderwijs gingen dragen. De opbrengsten van deze maatregel zouden worden ingezet om de kwaliteit van het hoger onderwijs te verbeteren. Omdat de eerste lichtingen studenten niet direct zouden kunnen profiteren van deze verbeteringen, is ervoor gekozen om die studenten een voucher te geven zodat ze die na hun studie zouden kunnen inzetten voor extra scholing. Een van de in artikel 12.15, tweede lid, van de Wsf genoemde voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen was dat de student tussen september 2015 en september 2019 voor het eerst studiefinanciering heeft ontvangen. Per 1 september 2023 is de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs van kracht geworden en is artikel 12.15 van de Wsf gewijzigd in die zin dat in plaats van de voucher een tegemoetkoming wordt ontvangen. De voorwaarden om in aanmerking te komen voor de tegemoetkoming zijn dezelfde als voor de voucher. In artikel 12.15, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wsf, staat de voorwaarde dat de student in één van de vier studiejaren vanaf 1 september 2015 voor het eerst studiefinanciering heeft ontvangen voor het volgen van een bacheloropleiding in het hoger onderwijs.
3.1.
Eiser heeft tussen september 2018 en januari 2019 politicologie gestudeerd aan de [universiteit] . Vanaf september 2019 heeft eiser logistics management aan de [school] gestudeerd. In september 2019 ontving eiser voor het eerst studiefinanciering, in de vorm van een reisrecht, en tussen maart en juli 2021 in de vorm van een lening.
Overwegingen
Het Europeesrechtelijke discriminatieverbod
4. Niet in geschil is dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde dat hij in de periode september 2015 tot en met augustus 2019 studiefinanciering heeft ontvangen. Eiser vindt dat deze voorwaarde hem niet kan worden tegengeworpen omdat deze in strijd is met het Europeesrechtelijke discriminatieverbod.
4.1.
Verweerder betwist dat sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Hij heeft toegelicht dat de wetgever bewust voor deze voorwaarde heeft gekozen omdat studenten die in de vier jaren na de invoering van het leenstelsel voor het eerst studiefinanciering hebben ontvangen, de investeringen in de kwaliteitsverbetering van het onderwijs mede mogelijk hebben gemaakt. Verder heeft verweerder op de zitting nog aangevoerd dat de wetgever in dit soort gevallen een grote vrijheid toekomt en dat de wetgever voor wat betreft de voorwaarde waar het in deze zaak om gaat, binnen de grenzen is gebleven van wat in het licht van het Europeesrechtelijke discriminatieverbod mag.
4.2.
De rechtbank overweegt het volgende. Studiefinanciering valt binnen het toepassingsbereik van artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM, waardoor getoetst kan worden aan het accessoire discriminatieverbod neergelegd in artikel 14 van het EVRM. Daarnaast kan worden getoetst aan artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Beide artikelen verbieden niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, maar alleen die als discriminatie moet worden beschouwd. Hiervan is sprake indien een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor die ongelijke behandeling ontbreekt.
4.3.
Aan verdragspartijen bij het EVRM komt op het gebied van de sociale zekerheid en sociaal beleid in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en, als dat zo is, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen toch in verschillende zin te regelen. Het onderscheid dat hier centraal staat, is geen onderscheid op grond van een inherent verdacht criterium, zoals onderscheid op grond van bijvoorbeeld geslacht of ras. Het voorgaande betekent dat een zogenoemde ‘very weighthy reasons’-toets niet aan de orde is, maar dat moet worden bezien of de door de wetgever gemaakte afwegingen en keuzes ‘manifestly without reasonable foundation’ zijn. In het kader van die toets geldt dat beoordeeld wordt of het middel redelijk en geschikt is om het legitieme doel te bereiken, en dat niet wordt bezien of de regeling de beste oplossing was voor het probleem, dan wel of de beoordelingsvrijheid op een andere manier had moeten worden toegepast. Het gaat er dan om of de voorwaarde evident van redelijke grond is ontbloot.
4.4.
Aan de orde is dan ook de vraag of de voorwaarde in artikel 12.15, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wsf evident van redelijke grond is ontbloot. De rechtbank komt tot het oordeel dat dit niet het geval is. Verweerder handelt dus niet in strijd met het Europese discriminatieverbod door vast te houden aan de voorwaarde. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
4.5.
Zoals hiervoor in 3 is weergegeven, vermeldt de wetsgeschiedenis de achtergrond van de invoering van de studievoucher in 2015. De invoering van de studievoucher hing samen met de invoering van het leenstelsel. De gedachte was dat studenten die als eerste met dit leenstelsel te maken kregen, nog niet konden profiteren van de kwaliteitsverbeteringen in het onderwijs. Dit terwijl zij de kwaliteitsverbeteringen mede mogelijk hebben gemaakt omdat zij onder het leenstelsel zelf een groter deel van de kosten van hun opleiding gingen dragen. De wetgever heeft het belangrijk gevonden dat de studenten die als eerste te maken kregen met het leenstelsel de kwaliteitsverbetering zouden terugzien in het onderwijs dat zij volgden. Om dit te realiseren maakten de eerste vier cohorten studenten in het nieuwe stelsel aanspraak op een studievoucher. Deze zouden zij na hun studie kunnen inzetten voor extra scholing, op een moment dat de verbeteringen in het onderwijs al wel zouden zijn doorgevoerd. De wetgever heeft aan het recht op de studievoucher de voorwaarde gekoppeld dat de student tussen september 2015 en september 2019 voor het eerst studiefinanciering heeft ontvangen.
4.6.
Verweerder heeft de achtergrond van deze voorwaarde als volgt nader toegelicht: studenten die in de vier jaren na 2015 hun recht op studiefinanciering nog niet hebben aangesproken, hebben hun recht daarop nog niet verbruikt. Zij kunnen dus op een later moment, als de onderwijshervormingen en kwaliteitsverbeteringen in het onderwijs zijn doorgevoerd, hun studiefinancieringsrechten nog gebruiken. Hierin verschillen zij van studenten die in genoemde periode hun recht op studiefinanciering wel al hebben aangesproken. Bij deze studenten, die voor het eerst studiefinanciering hebben ontvangen in de eerste vier jaar van het leenstelsel, is de termijn dat zij aanspraak maken op studiefinanciering op dat moment al gaan lopen. Deze studenten zijn met de studievoucher tegemoetgekomen, omdat zij hiermee de mogelijkheid hebben om, ondanks hun aflopende studiefinancieringsrechten, financieel aantrekkelijk te studeren op een moment dat de kwaliteitsverbeteringen in het onderwijs zijn doorgevoerd. Deze toelichting op de ratio van de voorwaarde staat weliswaar, zoals eiser terecht aanvoert, niet in de wetsgeschiedenis. Verweerder heeft op de zitting echter voldoende overtuigend toegelicht dat de voorwaarde aldus strookt met het systeem van de Wsf en de gedachte achter de studievoucher. Het was kennelijk de bedoeling van de wetgever om de doelgroep van de studievoucher te beperken tot studenten die niet direct konden profiteren van de kwaliteitsverbeteringen in het onderwijs. In het licht van de hiervoor weergegeven context van de regeling, acht de rechtbank dat een legitiem doel. De wetgever heeft daarmee de aan hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid in algemene zin ook niet overschreden. De voorwaarde is dus niet evident van redelijke grond ontbloot en - voor zover al sprake is van vergelijkbare gevallen - strijdt dus ook niet met het Europese discriminatieverbod. Verweerder heeft de voorwaarde dan ook aan eiser mogen tegenwerpen.
Het evenredigheidsbeginsel
4.7.
Eiser vindt de voorwaarde willekeurig en niet gerechtvaardigd, omdat eiser de verbeteringen in het onderwijs mede mogelijk heeft gemaakt. Daarmee voldoet hij aan de bedoeling van de wetgever. Eiser is namelijk begonnen met studeren in de eerste vier jaar nadat de basisbeurs was afgeschaft. De overheid heeft geld bespaard omdat de basisbeurs niet aan eiser werd betaald en omdat eiser bovendien geen lening afsloot.
4.8.
Voor zover eiser hiermee een beroep doet op het evenredigheidsbeginsel geldt het volgende. De voorwaarde is neergelegd in de Wsf, een wet in formele zin. Dat betekent dat het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet van toepassing is. Een dergelijke bepaling kan alleen buiten toepassing worden verklaard middels contra-legemtoepassing van het evenredigheidsbeginsel. Er moet dan sprake zijn van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, waarbij die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Zoals hiervoor is overwogen, heeft de wetgever de voorwaarde bewust en met een legitiem doel in de regeling opgenomen. Van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever is niet gebleken. Daarnaast merkt de rechtbank nog op dat verweerder terecht heeft aangevoerd dat toen de studievoucher in de Wsf werd opgenomen, al duidelijk was wat de voorwaarden waren om hiervoor in aanmerking te komen. De voorwaarden voor de studievoucher waren dus al bekend toen eiser begon met studeren, zodat hij hier rekening mee had kunnen houden.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het door hem betaalde griffierecht niet terug. Ook bestaat geen aanleiding om verweerder te vergoeden in de door eiser gemaakte proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Hansen-Löve, voorzitter, en mr. A.D. Belcheva en mr. J.A.W. Jansen, in aanwezigheid van mr. C.J. van ‘t Hoff, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Kamerstukken II, 2014-2015, 34035, nr. 3, p. 30.
Kamerstukken II, 2022-2023, 36229, nr. 3, p. 26.
Het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 23 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1669, r.o. 4.5.2.
Uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 7 juli 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0707JUD003745202 (Stummer tegen Oostenrijk), punt 87-89.
Uitspraak van het EHRM van 26 januari 2022, ECLI:CE:ECHR:2021:1026JUD003293419 (Šaltinytė tegen Litouwen), punt 77. Zie ook de uitspraak van de Raad van 29 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:304.
ECLI:NL:RVS:2023:772, r.o. 9.10 en 9.11.
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/4300
uitspraak van de meervoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs, verweerder
(gemachtigde: mr. drs. E.H.A. van den Berg).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de weigering van verweerder om aan eiser de tegemoetkoming die in de plaats is gekomen van de studievoucher (tegemoetkoming studievoucher) toe te kennen. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de tegemoetkoming studievoucher terecht heeft geweigerd. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met een besluit van 3 maart 2025 heeft verweerder besloten dat eiser niet in aanmerking komt voor de tegemoetkoming studievoucher.
2.1.
Met het bestreden besluit van 13 juni 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder daarbij gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Het beroep is op 19 januari 2026 door een enkelvoudige kamer van de rechtbank op zitting behandeld. Aan deze zitting hebben deelgenomen: eiser, zijn zus [persoon] en de gemachtigde van verweerder.
2.4.
Met een beslissing van 19 februari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak naar de meervoudige kamer verwezen.
2.5.
Het beroep is op 20 april 2026 door de meervoudige kamer van de rechtbank op zitting behandeld. Aan deze zitting hebben deelgenomen: eiser, zijn zus [persoon] en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
3. Het gaat in deze zaak om de tegemoetkoming die in de plaats is gekomen van de studievoucher. De studievoucher is in het leven geroepen met de invoering van het leenstelsel in 2015. In artikel 12.15 van de Wet Studiefinanciering 2000 (Wsf) is toen bepaald dat de eerste vier lichtingen studenten die onder dit nieuwe stelsel vielen (de vier studiejaren vanaf 1 september 2015) aanspraak konden maken op een studievoucher. Blijkens de memorie van toelichting bij de wetswijziging voor de invoering van het leenstelsel is de achtergrond daarvan dat studenten onder het leenstelsel zelf een groter deel van de kosten van hun opleiding in het hoger onderwijs gingen dragen. De opbrengsten van deze maatregel zouden worden ingezet om de kwaliteit van het hoger onderwijs te verbeteren. Omdat de eerste lichtingen studenten niet direct zouden kunnen profiteren van deze verbeteringen, is ervoor gekozen om die studenten een voucher te geven zodat ze die na hun studie zouden kunnen inzetten voor extra scholing. Een van de in artikel 12.15, tweede lid, van de Wsf genoemde voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen was dat de student tussen september 2015 en september 2019 voor het eerst studiefinanciering heeft ontvangen. Per 1 september 2023 is de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs van kracht geworden en is artikel 12.15 van de Wsf gewijzigd in die zin dat in plaats van de voucher een tegemoetkoming wordt ontvangen. De voorwaarden om in aanmerking te komen voor de tegemoetkoming zijn dezelfde als voor de voucher. In artikel 12.15, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wsf, staat de voorwaarde dat de student in één van de vier studiejaren vanaf 1 september 2015 voor het eerst studiefinanciering heeft ontvangen voor het volgen van een bacheloropleiding in het hoger onderwijs.
3.1.
Eiser heeft tussen september 2018 en januari 2019 politicologie gestudeerd aan de [universiteit] . Vanaf september 2019 heeft eiser logistics management aan de [school] gestudeerd. In september 2019 ontving eiser voor het eerst studiefinanciering, in de vorm van een reisrecht, en tussen maart en juli 2021 in de vorm van een lening.
Overwegingen
Het Europeesrechtelijke discriminatieverbod
4. Niet in geschil is dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde dat hij in de periode september 2015 tot en met augustus 2019 studiefinanciering heeft ontvangen. Eiser vindt dat deze voorwaarde hem niet kan worden tegengeworpen omdat deze in strijd is met het Europeesrechtelijke discriminatieverbod.
4.1.
Verweerder betwist dat sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Hij heeft toegelicht dat de wetgever bewust voor deze voorwaarde heeft gekozen omdat studenten die in de vier jaren na de invoering van het leenstelsel voor het eerst studiefinanciering hebben ontvangen, de investeringen in de kwaliteitsverbetering van het onderwijs mede mogelijk hebben gemaakt. Verder heeft verweerder op de zitting nog aangevoerd dat de wetgever in dit soort gevallen een grote vrijheid toekomt en dat de wetgever voor wat betreft de voorwaarde waar het in deze zaak om gaat, binnen de grenzen is gebleven van wat in het licht van het Europeesrechtelijke discriminatieverbod mag.
4.2.
De rechtbank overweegt het volgende. Studiefinanciering valt binnen het toepassingsbereik van artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM, waardoor getoetst kan worden aan het accessoire discriminatieverbod neergelegd in artikel 14 van het EVRM. Daarnaast kan worden getoetst aan artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Beide artikelen verbieden niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, maar alleen die als discriminatie moet worden beschouwd. Hiervan is sprake indien een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor die ongelijke behandeling ontbreekt.
4.3.
Aan verdragspartijen bij het EVRM komt op het gebied van de sociale zekerheid en sociaal beleid in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en, als dat zo is, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen toch in verschillende zin te regelen. Het onderscheid dat hier centraal staat, is geen onderscheid op grond van een inherent verdacht criterium, zoals onderscheid op grond van bijvoorbeeld geslacht of ras. Het voorgaande betekent dat een zogenoemde ‘very weighthy reasons’-toets niet aan de orde is, maar dat moet worden bezien of de door de wetgever gemaakte afwegingen en keuzes ‘manifestly without reasonable foundation’ zijn. In het kader van die toets geldt dat beoordeeld wordt of het middel redelijk en geschikt is om het legitieme doel te bereiken, en dat niet wordt bezien of de regeling de beste oplossing was voor het probleem, dan wel of de beoordelingsvrijheid op een andere manier had moeten worden toegepast. Het gaat er dan om of de voorwaarde evident van redelijke grond is ontbloot.
4.4.
Aan de orde is dan ook de vraag of de voorwaarde in artikel 12.15, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wsf evident van redelijke grond is ontbloot. De rechtbank komt tot het oordeel dat dit niet het geval is. Verweerder handelt dus niet in strijd met het Europese discriminatieverbod door vast te houden aan de voorwaarde. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
4.5.
Zoals hiervoor in 3 is weergegeven, vermeldt de wetsgeschiedenis de achtergrond van de invoering van de studievoucher in 2015. De invoering van de studievoucher hing samen met de invoering van het leenstelsel. De gedachte was dat studenten die als eerste met dit leenstelsel te maken kregen, nog niet konden profiteren van de kwaliteitsverbeteringen in het onderwijs. Dit terwijl zij de kwaliteitsverbeteringen mede mogelijk hebben gemaakt omdat zij onder het leenstelsel zelf een groter deel van de kosten van hun opleiding gingen dragen. De wetgever heeft het belangrijk gevonden dat de studenten die als eerste te maken kregen met het leenstelsel de kwaliteitsverbetering zouden terugzien in het onderwijs dat zij volgden. Om dit te realiseren maakten de eerste vier cohorten studenten in het nieuwe stelsel aanspraak op een studievoucher. Deze zouden zij na hun studie kunnen inzetten voor extra scholing, op een moment dat de verbeteringen in het onderwijs al wel zouden zijn doorgevoerd. De wetgever heeft aan het recht op de studievoucher de voorwaarde gekoppeld dat de student tussen september 2015 en september 2019 voor het eerst studiefinanciering heeft ontvangen.
4.6.
Verweerder heeft de achtergrond van deze voorwaarde als volgt nader toegelicht: studenten die in de vier jaren na 2015 hun recht op studiefinanciering nog niet hebben aangesproken, hebben hun recht daarop nog niet verbruikt. Zij kunnen dus op een later moment, als de onderwijshervormingen en kwaliteitsverbeteringen in het onderwijs zijn doorgevoerd, hun studiefinancieringsrechten nog gebruiken. Hierin verschillen zij van studenten die in genoemde periode hun recht op studiefinanciering wel al hebben aangesproken. Bij deze studenten, die voor het eerst studiefinanciering hebben ontvangen in de eerste vier jaar van het leenstelsel, is de termijn dat zij aanspraak maken op studiefinanciering op dat moment al gaan lopen. Deze studenten zijn met de studievoucher tegemoetgekomen, omdat zij hiermee de mogelijkheid hebben om, ondanks hun aflopende studiefinancieringsrechten, financieel aantrekkelijk te studeren op een moment dat de kwaliteitsverbeteringen in het onderwijs zijn doorgevoerd. Deze toelichting op de ratio van de voorwaarde staat weliswaar, zoals eiser terecht aanvoert, niet in de wetsgeschiedenis. Verweerder heeft op de zitting echter voldoende overtuigend toegelicht dat de voorwaarde aldus strookt met het systeem van de Wsf en de gedachte achter de studievoucher. Het was kennelijk de bedoeling van de wetgever om de doelgroep van de studievoucher te beperken tot studenten die niet direct konden profiteren van de kwaliteitsverbeteringen in het onderwijs. In het licht van de hiervoor weergegeven context van de regeling, acht de rechtbank dat een legitiem doel. De wetgever heeft daarmee de aan hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid in algemene zin ook niet overschreden. De voorwaarde is dus niet evident van redelijke grond ontbloot en - voor zover al sprake is van vergelijkbare gevallen - strijdt dus ook niet met het Europese discriminatieverbod. Verweerder heeft de voorwaarde dan ook aan eiser mogen tegenwerpen.
Het evenredigheidsbeginsel
4.7.
Eiser vindt de voorwaarde willekeurig en niet gerechtvaardigd, omdat eiser de verbeteringen in het onderwijs mede mogelijk heeft gemaakt. Daarmee voldoet hij aan de bedoeling van de wetgever. Eiser is namelijk begonnen met studeren in de eerste vier jaar nadat de basisbeurs was afgeschaft. De overheid heeft geld bespaard omdat de basisbeurs niet aan eiser werd betaald en omdat eiser bovendien geen lening afsloot.
4.8.
Voor zover eiser hiermee een beroep doet op het evenredigheidsbeginsel geldt het volgende. De voorwaarde is neergelegd in de Wsf, een wet in formele zin. Dat betekent dat het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet van toepassing is. Een dergelijke bepaling kan alleen buiten toepassing worden verklaard middels contra-legemtoepassing van het evenredigheidsbeginsel. Er moet dan sprake zijn van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, waarbij die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Zoals hiervoor is overwogen, heeft de wetgever de voorwaarde bewust en met een legitiem doel in de regeling opgenomen. Van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever is niet gebleken. Daarnaast merkt de rechtbank nog op dat verweerder terecht heeft aangevoerd dat toen de studievoucher in de Wsf werd opgenomen, al duidelijk was wat de voorwaarden waren om hiervoor in aanmerking te komen. De voorwaarden voor de studievoucher waren dus al bekend toen eiser begon met studeren, zodat hij hier rekening mee had kunnen houden.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het door hem betaalde griffierecht niet terug. Ook bestaat geen aanleiding om verweerder te vergoeden in de door eiser gemaakte proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Hansen-Löve, voorzitter, en mr. A.D. Belcheva en mr. J.A.W. Jansen, in aanwezigheid van mr. C.J. van ‘t Hoff, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Kamerstukken II, 2014-2015, 34035, nr. 3, p. 30.
Kamerstukken II, 2022-2023, 36229, nr. 3, p. 26.
Het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 23 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1669, r.o. 4.5.2.
Uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 7 juli 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0707JUD003745202 (Stummer tegen Oostenrijk), punt 87-89.
Uitspraak van het EHRM van 26 januari 2022, ECLI:CE:ECHR:2021:1026JUD003293419 (Šaltinytė tegen Litouwen), punt 77. Zie ook de uitspraak van de Raad van 29 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:304.
ECLI:NL:RVS:2023:772, r.o. 9.10 en 9.11.