Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:11431

2025-10-01 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/13/775017 / KG ZA 25-700
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2025-10-01
Publicatiedatum
2026-04-09
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/13/775017 / KG ZA 25-700
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

voortzetten bankrelatie

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.637 tekens)
RECHTBANK Amsterdam


Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel



Zaaknummer: C/13/775017 / KG ZA 25-700 EAM/EB




Vonnis in kort geding van 1 oktober 2025




in de zaak van



de stichting

STICHTING INTERNATIONALE HUMANTAIRE HULPORGANISTATIE NEDERLAND,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres,
advocaat mr. B. Coskun te Amsterdam,



tegen



de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde, vrijwillig verschenen,
advocaat mr. E. Jagt te Amsterdam.




Partijen zullen hierna de stichting en de bank worden genoemd.







1De procedure


Op de zitting van 16 september 2025 heeft de stichting de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. De bank heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van een conclusie van antwoord. Beide partijen hebben producties ingediend en de stichting tevens een pleitnota.
Op de zitting waren aan de zijde van de stichting aanwezig [naam 1] en [naam 2] ([functie]) met mr. Coskun. Aan de zijde van de bank waren aanwezig [naam 3] en [naam 4] (medewerkers van ABN), mr. P. Schneider (bedrijfsjurist) en mr. Jagt.
Vonnis is – na aanhouding – bepaald op vandaag.






2De feiten


2.1.
De stichting is een internationale hulporganisatie. Sinds maart 2014 bankiert zij bij de bank.



2.2.
Op 21 december 2023 heeft de bank een brief aan de stichting gestuurd waarin zij aankondigt dat zij een klantonderzoek naar de stichting is gestart. In deze brief heeft de bank een groot aantal vragen aan de stichting voorgelegd. De stichting heeft daarop geantwoord, wat weer nieuwe vragen heeft uitgelokt. Daarop is een lange periode gevolgd waarin de bank aanvullende vragen stelde en de stichting antwoorden gaf.



2.3.
Bij brief van 25 juni 2024 aan de stichting heeft de bank haar besluit meegedeeld dat zij de bancaire relatie met de stichting zal beëindigen. Die beslissing is in deze brief als volgt gemotiveerd:


“Het gebrek aan informatie en inzicht, waarbij integriteitsrisico's zijn geconstateerd, brengt voor de bank onacceptabele risico’s met zich mee. De bank heeft onvoldoende comfort omtrent de interne administratieve processen van uw organisatie, vanwege de verantwoordelijkheden en taken die op de schouders van vrijwilligers rusten. Mede hierdoor heeft de bank risico’s geconstateerd in de eindbestemming van de gelden die aan uw organisatie zijn gedoneerd.
Daarnaast heeft de bank geconcludeerd dat de geldstromen van uw organisatie niet inzichtelijk en transparant zijn, onder andere door het gebruik van tussenpartijen om de gedoneerde gelden bij hun doelbestemming te brengen. Hierbij verwijst de bank onder andere naar de geldstromen naar een partij in Turkije. Uw organisatie heeft hierbij onvoldoende transparantie geboden in de betrokken tussenpersoon alsook in de situatie of de volledige bedragen uiteindelijk bij de eigenlijke doelbestemming belanden.
De bank heeft u gevraagd om de uiteindelijke bestemming van de gelden in Turkije en Gaza te onderbouwen. U heeft gehoor gegeven aan onze verzoeken, maar de bank heeft hierbij tegenstrijdige verklaringen en tegenstrijdigheden in informatie en documentatie geconstateerd. Daarnaast is uw verklaring conflicterend met de informatie die beschikbaar is op uw eigen website en in openbare bronnen. Uw antwoorden op de door ons gestelde vragen met betrekking tot de uiteindelijke bestemming van de gelden hebben onze zorgen niet kunnen wegnemen. Concluderend mist de bank toereikende informatie omtrent de
eindbestemming van de gelden.
Voorts heeft de bank een tekort aan screening geconstateerd van betrokkenen bij uw organisatie. Een deugdelijke screening is van belang gezien de internationale activiteiten van uw organisatie, het feit dat uw organisatie werkt met vrijwilligers, en de omvang van de geldstromen van uw organisatie. Uw organisatie heeft hiervoor onvoldoende verklaard en onderbouwd om de bank comfort te geven, terwijl dit wel van een organisatie met een dergelijke omvang redelijkerwijs mag worden verwacht, als wordt gekeken naar vergelijkbare organisaties in de goede doelen sector.
Uw organisatie heeft weliswaar medewerking geboden aan het klantenonderzoek, maar u heeft de risico’s voor de bank niet kunnen wegnemen met uw verklaringen, informatie en documentatie. Hierdoor kan de bank niet aan de op haar rustende wettelijke verplichtingen voldoen. Dit soort risico’s kan en mag de bank niet aanvaarden. Om deze reden heeft de bank besloten om de bancaire relatie te beëindigen.”



2.4.
De stichting heeft bezwaar gemaakt tegen de beëindiging van de relatie, maar de bank is bij haar standpunt gebleven.






3Het geschil


3.1.
De stichting vordert, kort gezegd:


i) de bank te gebieden haar toegang te blijven verlenen tot de betaalrekeningen, totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist over de rechtmatigheid van de opzegging;


ii) de bank te veroordelen tot het gehengen en gedogen van het gebruik door de stichting van de betaalrekeningen, op straffe van een dwangsom;


iii) de bank te veroordelen in de proceskosten.




3.2.
Aan haar vordering legt de stichting onder meer ten grondslag, kort gezegd, dat de zorgen van de bank over de manier waarop zij toezicht houdt op projecten en haar samenwerkingspartners onterecht zijn. De stichting is niet van gisteren, zal bij risico’s direct ingrijpen en staat bovendien ook onder toezicht van haar Raad van Toezicht, de belastingdienst en het CBF (Centraal Bureau Fondsenwerving).



3.3.
De bank voert verweer.



3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna ingegaan, voor zover van belang.






4De beoordeling


4.1.
De vordering is in kort geding toewijsbaar als voorshands voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de vordering zal toewijzen en als van eisers niet kan worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwachten.



4.2.
De bank stelt dat zij verplicht is de relatie met de stichting op te zeggen op grond van artikel 5 lid 3 Wwft (Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme) dan wel dat zij in ieder geval bevoegd is die relatie op te zeggen op grond van artikel 35 ABV (Algemene Bankvoorwaarden).



4.3.
Of de bank de relatie moest beëindigen, kan in het midden blijven, nu voorshands aannemelijk is dat zij die in ieder geval mocht beëindigen. Dat zij dat mocht, zal hierna worden uiteengezet.



4.4.
Op grond van artikel 35 van de Algemene Bankvoorwaarden (ABV) heeft een bank een contractuele bevoegdheid de relatie met een klant te beëindigen. De opzeggingsbevoegdheid van een bank en haar contractuele vrijheid zijn echter niet onbegrensd. De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat een bank van haar contractuele opzeggingsbevoegdheid gebruik maakt (artikel 6:248 lid 2 BW). Een opzegging moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de bancaire zorgplicht die volgt uit artikel 2 ABV, waarbij het belang om deel te nemen aan het betalingsverkeer voor rekeninghouders wordt meegewogen.



4.5.

De bank gaat er niet van uit dat de stichting moedwillig terrorisme financiert, maar door de werkwijze van de stichting is het risico dat er geld terecht komt bij terroristische organisaties wat de bank betreft te groot om te nemen. Zij stelt in dat verband dat zij na de aanslag van Hamas op Israël op 7 oktober 2023 door de Financial Intelligence Unit (FIU) is gewaarschuwd voor een toename van de
financiering van de terroristische organisatie Hamas met gebruikmaking van omwegen via verschillende nabij gelegen landen (bijvoorbeeld via Turkije).




4.6.
Vanaf 7 oktober 2023 namen de transacties waarbij de stichting geld overmaakte naar organisaties in Turkije significant toe. Waar met die transacties een bedrag van in totaal € 485.000,00 was gemoeid in de periode van 7 augustus tot 7 oktober 2023, ging het in de periode van 7 oktober tot 13 december 2023 om in totaal € 1,26 miljoen. De toename van het aantal/de omvang van de transacties staat niet ter discussie, wel de oorzaken daarvan.



4.7.

Als een van de oorzaken voor de toename van de transacties heeft de stichting gegeven dat Turkije en Marokko in 2023 zijn getroffen door zware aardbevingen, en Libië door een overstroming. Dat heeft volgens haar geleid tot een toename in donaties voor noodhulp.
Alleen de aardbeving in Turkije zou wellicht een verklaring kunnen vormen voor de toename van de geldstroom naar Turkije, het noemen van Marokko en Libië in dit verband is niet te begrijpen. Maar ook die aardbeving in Turkije kan geen afdoende verklaring zijn. Deze heeft al in februari 2023 plaatsgevonden, acht maanden vóór de toename. Over het algemeen wordt noodhulp sneller ingezet.




4.8.

Een tweede verklaring die de stichting heeft gegeven voor de toename van de transacties, is de volgende. Gedurende het jaar worden donaties ontvangen ten behoeve van projecten. Sommige projecten worden éénmaal per jaar uitgevoerd. Die donaties worden opgespaard en aan het einde van het jaar besteed (of: herverdeeld, in de woorden van de stichting). Jaarlijks wordt er een tussentijdse balans opgesteld, zodat de stichting steeds inzicht heeft in de inkomsten en uitgaven.
Deze verklaring is onnavolgbaar. Voor zover is bedoeld dat er structureel meer transacties worden uitgevoerd in het laatste deel van het jaar, wordt dat niet gesteund door de boekhouding van de stichting uit de eerdere jaren. Daarin is zo’n stijging namelijk niet terug te zien. Vooralsnog is er dus geen sluitende verklaring voor de toename van het aantal/de omvang van de transacties naar Turkije vanaf 7 oktober 2023.




4.9.
De bank heeft zorgen over de bestemming, in Turkije, van de door de stichting ingezamelde gelden. Uit het klantonderzoek is gebleken dat de stichting gebruik maakt van tussenpartijen om gelden naar Gaza te sturen voor de daar broodnodige hulp. Daardoor is er volgens de bank onvoldoende zicht op de uiteindelijk bestemming van de gelden. Online is ook nauwelijks te verifiëren wie de partijen zijn aan wie de stichting geld overmaakt, en wat hun activiteiten zijn. Terwijl het gaat om grote bedragen; tienduizenden, honderdduizenden of zelf miljoenen euro’s. De bank heeft verder de indruk dat de administratieve controlemechanismen van de stichting onder de maat zijn. Volgens de bank had de stichting niet in de gaten dat er na een transactie nog circa € 7.000,00 was blijven ‘hangen’ op een rekening.



4.10.
De bank vraagt zich af hoe de stichting weet en controleert dat de organisaties aan wie zij grote bedragen overboekt, daadwerkelijk de bedoelde hulp verlenen. De bank heeft redenen om te betwijfelen dat de gelden aan hulpverlening zijn besteed. Zij benoemt in dat verband dat bijvoorbeeld de Palestinian Wefaq Organisation, waarmee de stichting samenwerkt, in verband wordt gebracht met financiering van terrorisme (door samenwerking met IHH Turkije). Verder roepen foto’s die op de website van de stichting staan en waaruit van de hulpverlening zou moeten blijken, vragen op omdat vergelijkbare foto’s (met daarop dezelfde personen, locaties en voertuigen) op websites van andere hulporganisaties staan als bewijs van de door hen geleverde hulp. Tot slot stelt de bank dat de controlemechanismen van de stichting voor de eindbestemming van de gelden ondermaats zijn. De stichting maakt daarbij uitsluitend gebruik van vrijwilligers, van wie onvoldoende duidelijk is of zij beschikken over de kennis en kunde om erop toe te zien dat de gelden op de juiste eindbestemming terecht komen.



4.11.
De stichting heeft toegelicht dat haar werkwijze in het algemeen als volgt is. De initiële, grondige screening van een beoogd samenwerkingspartner wordt uitgevoerd door een van de bestuursleden van de stichting, die daarbij zorgvuldig te werk gaat. Na het uitvoeren van een proefproject en het ontvangen van positieve terugkoppeling, wordt de samenwerking voortgezet. De controle en begeleiding van de hulpprojecten in het buitenland worden uitgevoerd door ervaren vrijwilligers, die minimaal vijf keer naar het buitenland zijn geweest. Voor de projecten worden seminars georganiseerd. Dan worden de vrijwilligers gedetailleerd geïnformeerd over het proces en de verwachtingen. Na aankomst in het desbetreffende land worden de details van het programma verder uitgewerkt en voorbereid in een vergadering met de partnerorganisaties. De vrijwilligers zijn verantwoordelijk voor het toezicht op de uitvoering van de projecten; zij controleren of die voldoen aan de vastgestelde richtlijnen en criteria van de stichting, en of alle onderdelen die in het projectvoorstel zijn opgenomen, daadwerkelijk worden uitgevoerd. Bovendien wordt er een controle uitgevoerd om te verifiëren of de hulp daadwerkelijk de beoogde behoeftigen bereikt. Na de uitvoering van het project wordt er een grondige controle van de documentatie uitgevoerd. Na goedkeuring van de documentatie door de vrijwilliger, wordt die opnieuw gecontroleerd door de administratieafdeling van de stichting. Vrijwilligers moeten ook een evaluatieformulier invullen, waarin onder meer wordt gevraagd of er aanwijzingen zijn dat de partnerorganisatie zaken doet met illegale groepen. Op basis van deze feedback worden, in samenwerking met de partnerorganisatie, verbetermaatregelen getroffen. Indien nodig kan de samenwerking met de partnerorganisatie worden beëindigd.



4.12.
Voor de situatie in Gaza heeft de stichting daaraan toegevoegd dat zij eenmalig een betaling heeft gedaan aan ADP, haar partner in Turkije, zodat die in samenwerking met de Turkse Rode Maan per schip hulpgoederen naar Palestina kon vervoeren. Omdat de banken in Palestina lange tijd niet actief waren, kon de stichting namelijk niet rechtstreeks geld overmaken naar haar partner in Palestina. Als bewijs van de hulpverlening ontvangt de stichting beeldmateriaal, dat zij vervolgens deelt via haar sociale media kanalen. De bank realiseert zich volgens de stichting onvoldoende hoe de situatie in Gaza nu is. Er is daar gebrek aan alles en het is dan ook niet gek dat voertuigen en locaties worden gedeeld door verschillende hulpverlenende organisaties.



4.13.
De uiteenzetting van de stichting over haar algemene werkwijze is hier niet zo relevant, omdat in het geval van Gaza geen vrijwilligers zijn afgereisd om een en ander in goede banen te leiden. De grenzen van Gaza zijn immers gesloten. De kern van de zaak is dat de stichting door het vertrouwen dat zij stelt in haar partners – en, buiten Gaza, de inzet van veel vrijwilligers – kwetsbaar is voor misbruik door kwaadwillenden. Daar komt nog bij dat de stichting zich op het standpunt stelt dat de Palestinian Wefaq Foundation vrij is in de keuze van haar samenwerkingspartners. De stichting lijkt er geen probleem mee te hebben om indirect verbonden te zijn aan een partij die terrorisme financiert.



4.14.
Dat de stichting bereid is het risico te nemen dat het ingezamelde geld in verkeerde handen komt, betekent niet dat de bank dat ook hoeft te doen. Banken hebben een poortwachtersfunctie, wat betekent dat van hen wordt verwacht dat zij kritisch kijken naar de transacties die over haar rekeningen lopen. Bovendien lijkt het belang van de stichting bij voortzetting van de relatie beperkt. De stichting heeft nog een andere bankrekening, bij ING. De stichting zal dus niet afgesloten zijn van het digitale verkeer als de relatie met de bank eindigt. Het merendeel van de transacties van de stichting verliep altijd al via ING. De stichting wil de relatie met de bank graag handhaven omdat zij stelt dat de app Tikkie waarvan zij veel gebruik maakt, beter werkt bij de bank dan bij ING omdat er geen maximum is verbonden aan het aantal personen per tikkie en omdat de administratieve verwerking beter is. Of dat zo is, is in deze procedure niet vast te stellen. Wat daar ook van zij, dat belang is onvoldoende om de contractsvrijheid van de bank op grond van de redelijkheid en billijkheid te beperken. De vordering zal dan ook worden afgewezen.



4.15.
De stichting is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de bank worden begroot op:









- griffierecht


€


714,00







- salaris advocaat


€


1.107,00







- nakosten


€


178,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.999,00











4.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





5De beslissing


De voorzieningenrechter



5.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,



5.2.
veroordeelt de stichting in de proceskosten van € 1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als de stichting niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.3.
veroordeelt de stichting tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



5.4.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,



5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E. van Bennekom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2025.












Type: EvB
Coll: EvK