Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:1061
2025-02-18
Strafrecht; Internationaal strafrecht
13-357395-24
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Poolse overleveringsverzoek t.b.v. de tul van een vrijheidsstraf. Overlevering is toegestaan. Bij uitspraak van 14 februari 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen algemeen reëel gevaar bestaat dat gedetineerden in de penitentiaire inrichting Barczewo onmenselijk of vernederend worden behandeld. De raadsman heeft op dit punt geen nader verweer gevoerd en aldus niets aangevoerd wat in de onderhavige zaak tot een ander oordeel zou (kunnen) leiden dan in voormelde uitspraak. Om die reden is het antwoord op de vraag in welke penitentiaire inrichting de opgeëiste persoon na overlevering naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd niet langer relevant en staat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBAMS:2025:1021 Rechtbank Amsterdam 29-01-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:909 Rechtbank Amsterdam 14-02-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.784 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-357395-24
Datum uitspraak: 18 februari 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 13 november 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 5 maart 2024 door the District Court in Koszalin II Criminal Department in Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in [penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 januari 2025, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan zijn raadsman, mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat te Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen.
Bij tussenuitspraak van 29 januari 2025 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en meteen geschorst om het antwoord af te wachten op de vraag in welke penitentiaire inrichting de opgeëiste persoon na een eventuele overlevering aan Polen naar alle waarschijnlijkheid zou worden gedetineerd.
De behandeling van het EAB is, met toestemming van de officier van justitie en de raadsman van de opgeëiste persoon, op 18 februari 2025 hervat in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing ter zitting van 29 januari 2025. De behandeling heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft op 18 februari 2025 afstand gedaan van het recht om ter zitting aanwezig te zijn. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat te Utrecht.
2Tussenuitspraak van 29 januari 2024
In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank reeds geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (3.), de strafbaarheid van de feiten (4.) en de toepassing van artikel 11 OLW in relatie tot artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU (5.1). Deze overwegingen dienen als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
3Artikel 11 OLW: penitentiaire inrichting in Barczewo
De rechtbank verwijst naar hetgeen zij in haar tussenuitspraak van 29 januari 2025 onder 5.2 heeft overwogen. Deze overwegingen dienen als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
In verband met de detentieomstandigheden in de penitentiaire inrichting in Barczewo heeft de rechtbank in deze tussenuitspraak de vraag gesteld in welke gevangenis de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zou worden geplaatst indien hij aan Polen zou worden overgeleverd.
Bij uitspraak van 14 februari 2025 heeft de rechtbank (in een andere overleveringszaak) intussen geoordeeld dat er geen algemeen reëel gevaar bestaat dat gedetineerden in de penitentiaire inrichting Barczewo onmenselijk of vernederend worden behandeld. De raadsman heeft op dit punt geen nader verweer gevoerd en aldus niets aangevoerd wat in de onderhavige zaak tot een ander oordeel zou (kunnen) leiden dan in voormelde uitspraak. Om die reden is het antwoord op de vraag in welke penitentiaire inrichting de opgeëiste persoon na overlevering naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd niet langer relevant en staat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg.
4Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
5Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 310 Wetboek van Strafrecht, 3 en 11 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW.
6Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Koszalin II Criminal Department in Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door:
mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter,
mrs. M. Westerman en L.F. Bögemann, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 februari 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
ECLI:NL:RBAMS:2025:1021.
ECLI:NL:RBAMS:2025:909.
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-357395-24
Datum uitspraak: 18 februari 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 13 november 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 5 maart 2024 door the District Court in Koszalin II Criminal Department in Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in [penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 januari 2025, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan zijn raadsman, mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat te Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen.
Bij tussenuitspraak van 29 januari 2025 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en meteen geschorst om het antwoord af te wachten op de vraag in welke penitentiaire inrichting de opgeëiste persoon na een eventuele overlevering aan Polen naar alle waarschijnlijkheid zou worden gedetineerd.
De behandeling van het EAB is, met toestemming van de officier van justitie en de raadsman van de opgeëiste persoon, op 18 februari 2025 hervat in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing ter zitting van 29 januari 2025. De behandeling heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft op 18 februari 2025 afstand gedaan van het recht om ter zitting aanwezig te zijn. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat te Utrecht.
2Tussenuitspraak van 29 januari 2024
In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank reeds geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (3.), de strafbaarheid van de feiten (4.) en de toepassing van artikel 11 OLW in relatie tot artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU (5.1). Deze overwegingen dienen als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
3Artikel 11 OLW: penitentiaire inrichting in Barczewo
De rechtbank verwijst naar hetgeen zij in haar tussenuitspraak van 29 januari 2025 onder 5.2 heeft overwogen. Deze overwegingen dienen als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
In verband met de detentieomstandigheden in de penitentiaire inrichting in Barczewo heeft de rechtbank in deze tussenuitspraak de vraag gesteld in welke gevangenis de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zou worden geplaatst indien hij aan Polen zou worden overgeleverd.
Bij uitspraak van 14 februari 2025 heeft de rechtbank (in een andere overleveringszaak) intussen geoordeeld dat er geen algemeen reëel gevaar bestaat dat gedetineerden in de penitentiaire inrichting Barczewo onmenselijk of vernederend worden behandeld. De raadsman heeft op dit punt geen nader verweer gevoerd en aldus niets aangevoerd wat in de onderhavige zaak tot een ander oordeel zou (kunnen) leiden dan in voormelde uitspraak. Om die reden is het antwoord op de vraag in welke penitentiaire inrichting de opgeëiste persoon na overlevering naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd niet langer relevant en staat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg.
4Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
5Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 310 Wetboek van Strafrecht, 3 en 11 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW.
6Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Koszalin II Criminal Department in Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door:
mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter,
mrs. M. Westerman en L.F. Bögemann, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 februari 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
ECLI:NL:RBAMS:2025:1021.
ECLI:NL:RBAMS:2025:909.