Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2024:6045

2024-09-11 Strafrecht; Europees strafrecht KRJ-I-2023035022
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2024-09-11
Publicatiedatum
2024-10-03
Rechtsgebied
Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure
Eerste en enige aanleg
Zaaknummer
KRJ-I-2023035022
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vordering ex artikel 5.1.10, derde lid, Sv. Verlof verleend.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.471 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM,
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER



Beschikking inzake: KRJ-I-2023035022






BESCHIKKING





op de vordering ex artikel 5.1.10, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) d.d. 19 augustus 2024 van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam. Deze vordering strekt tot het verlenen van verlof om de stukken of gegevens die zijn vergaard met toepassing van in artikel 126ng Sv omschreven bevoegdheden, ter uitvoering van een verzoek om rechtshulp van 20 september 2023, afkomstig van de justitiële autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika, in de zaak tegen:




één of meer onbekende personen,



over te dragen aan die autoriteiten.






1Procesgang


De rechtbank heeft op 28 augustus 2024 de officier van justitie, mr. K. van der Schaft, in raadkamer gehoord.



De autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika hebben uitdrukkelijk verzocht om het dossier vertrouwelijk te behandelen.



Op grond van artikel 5.1.10, vierde lid, Sv jo. artikel 23, zesde lid, Sv heeft de rechtbank afgezien van het oproepen van de betrokkene(n).



Bij de behandeling in raadkamer heeft de officier van justitie gepersisteerd bij de vordering.





2Beoordeling


Het voormelde verzoek is gedaan in verband met een strafrechtelijk onderzoek tegen bovengenoemde pers(o)on(en) ter zake van de verdenking dat hij/zij zich schuldig heeft/hebben gemaakt aan moord, zoals in het rechtshulpverzoek omschreven.



Het verzoek is gegrond op het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken, Den Haag, van 29 september 2004.
Het verzoek betreft gegevens die ook gevorderd hadden kunnen worden in een Nederlands onderzoek naar dezelfde feiten op grond van het Wetboek van Strafvordering. De verdenking betreft een feit dat naar Nederlands recht strafbaar is gesteld als misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Sv en die gezien hun aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren”.
Op het feit is in de verzoekende staat en in Nederland een vrijheidsstraf gesteld van meer dan één jaar. De gegevens zijn vastgelegd in het proces-verbaal met bijlagen van 11 juni 2024 van de Dienst Regionale Informatie Organisatie (IRC) Amsterdam, DIAS nummer 2023035022.
Nu aan alle daarvoor in de wet en het toepasselijke verdrag gestelde eisen is voldaan en zich geen belemmeringen van wezenlijke aard voordoen die voortvloeien uit het toepasselijke verdrag onderscheidenlijk de wet, terwijl door de inwilliging van het rechtshulpverzoek evenmin wordt gehandeld in strijd met fundamentele beginselen van het Nederlandse strafprocesrecht, verleent de rechtbank het gevraagde verlof.





3Toepasselijke wetsartikelen


Artikel 289 en 326 van het Wetboek van Strafrecht;
de artikelen 126ng, 5.1.8, 5.1.10 en 5.1.11 van het Wetboek van Strafvordering; en
de artikel 1, 6 en 11 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken.





4Beslissing


De rechtbank verleent verlof aan de officier van justitie bij deze rechtbank om de, ter uitvoering van het rechtshulpverzoek van 20 september 2023 gevorderde gegevens zoals vastgelegd in (en bij) het hierboven genoemd proces-verbaal over te dragen aan de verzoekende autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika.
Op grond van artikel 24, vijfde lid, Sv geldt het vereiste van de onverwijlde toezending, bedoeld in het vierde lid, niet nu op grond van artikel 23, zesde lid, Sv van het oproepen van de verdachte of andere procesdeelnemers is afgezien.











Deze beschikking is gegeven door:
mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter,
mrs. J.G. Vegter en B.M. Vroom-Cramer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K.M. Diender, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 11 september 2024.