Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2023:8808
2023-04-28
Civiel recht; Ondernemingsrecht
C/13/731092 / KG ZA 23-212
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
kort geding, veroordeling in conventie om mee te weken aan overdracht van aandelen, inzagevordering op grond van artikel 843a Rv in reconventie is afgewezen
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (49.318 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel
zaaknummer / rolnummer: C/13/731092 / KG ZA 23-212 HJ/JT
Vonnis in kort geding van 28 april 2023
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid[eiser 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
eiseressen in conventie,
verweersters in reconventie,
advocaat mr. F. Eikelboom te Amsterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. S. Jansen te Alkmaar.
Partijen zullen hierna [eiser 1] en [eiser 2] en [gedaagde] worden genoemd.
1De procedure
1.1.
Tijdens de mondelinge behandeling op 14 april 2023 hebben [eiser 1] en [eiser 2] de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. [gedaagde] heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van een op voorhand ingediende conclusie van antwoord en heeft tegenvorderingen (eis in reconventie) ingediend. [eiser 1] en [eiser 2] hebben de tegenvorderingen bestreden, mede aan de hand van een op voorhand ingediende conclusie van antwoord in reconventie. Beide partijen hebben producties en een pleitnota ingediend. Vonnis is bepaald op vandaag.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling waren voor zover van belang aanwezig:
- [naam 1] namens [eiser 1] en [naam 2] namens [eiser 2] , bijgestaan door mr. Eikelboom;
- [naam 3] namens [gedaagde] , bijgestaan door mr. Jansen.
2De feiten
2.1.
[naam 1] (hierna: [naam 1] ) is enig aandeelhouder en bestuurder van [eiser 1] . [naam 2] (hierna: [naam 2] ) is enig aandeelhouder en bestuurder van [eiser 2] .
2.2.
Enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde] was (tot zijn overlijden) [erflater] (hierna: [erflater] ). Momenteel worden de aandelen in [gedaagde] gehouden door de gezamenlijke erven van [erflater] . Dat zijn de ouders van [erflater] en zijn broer [naam 4] (hierna: [naam 4] ). [naam 4] is volgens een KvK-uittreksel (na registratie op 29 juli 2022) met terugwerkende kracht sinds 9 maart 2022 in functie als bestuurder van [gedaagde] . [naam 4] is tevens (gevolmachtigd) beheerder en vereffenaar van de nalatenschap van [erflater] .
2.3.
[eiser 1] , [eiser 2] en [gedaagde] houden tezamen – ieder voor 1/3e deel – alle aandelen in [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ). [bedrijf 1] drijft een projectconsultancybureau voor de civiele techniek. Zij koppelt ervaren ingenieurs, oriënterende afstudeerders, starters en ZZP’ers aan projecten in wegen, water en beton. De afnemers van [bedrijf 1] zijn aannemers, ingenieursbureaus en overheidsinstanties. Het aantal personen dat werkzaam is bij [bedrijf 1] schommelt momenteel rond de vijftig.
2.4.
Het bestuur van [bedrijf 1] wordt gevormd door [eiser 1] , [eiser 2] en [gedaagde] , zij het dat [gedaagde] sinds het overlijden van [erflater] geen actieve invulling geeft aan haar bestuurstaak.
2.5.
[eiser 1] , [eiser 2] en [gedaagde] houden verder tezamen – ieder voor 1/3e deel – alle aandelen in [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ). De bestuurders van [bedrijf 2] zijn [naam 1] en [naam 2] .
2.6.
Bij aandeelhoudersbesluit van 1 januari 2015 hebben [eiser 1] , [eiser 2] en [gedaagde] als aandeelhouders van [bedrijf 1] een regeling getroffen voor langdurig ziekteverzuim van de (indirect) bestuurders van [eiser 1] en [eiser 2] in de personen van [naam 1] , [naam 2] en [erflater] . Daartoe hebben zij het volgende verklaard:
“Bij langdurig ziekteverzuim voor voornoemde personen [ [naam 1] , [naam 2] en [erflater] , vzr.] stelt [bedrijf 1] BV zicht verplicht 6 maanden lang de management fee’s te voldoen aan aandeelhouder.Is er na 6 maanden nog sprake van verzuim/ziekte stopt deze verplichting tot betaling van management fee.Bestuurders/Aandeelhouders dienen dan zelf een regeling te treffen.”2.7. Begin 2015 spraken [erflater] , [naam 1] en [naam 2] over hun samenwerking als (indirecte) aandeelhouders en bestuurders van [bedrijf 1] . De gesprekken vonden plaats onder begeleiding van een accountant (dhr. [naam 5] ) en een fiscalist (dhr. [naam 6] ). De afspraken die [erflater] , [naam 1] en [naam 2] maakten, zijn door hen vastgelegd in een aandeelhoudersovereenkomst (hierna: de Aovk). Partij bij de Aovk zijn [eiser 1] , [eiser 2] , [gedaagde] en [bedrijf 1] .
2.8.
In de op 1 maart 2015 ondertekende Aovk staat voor zover van belang het volgende:
“(…)
Artikel 3. Aanbiedingsverplichting
1. Onverminderd het bepaalde in de statuten van [bedrijf 1] B.V. inzake de aanbieding van aandelen is een aandeelhouder/certificaathouder verplicht al haar aandelen of certificaten in het
kapitaal van de vennootschap aan haar mede-aandeelhouder aan te bieden, indien en voor zover
zich één of meer van de in lid 2 genoemde situaties voordoen.
2. De situaties, ten gevolge waarvan de in dit artikel onder lid 1 genoemde aanvullende
aanbiedingsverplichting voor de desbetreffende aandeelhouder/natuurlijk persoon optreedt, zijn:
a. Bij overlijden; (…)
(…)
Artikel 4. Good leaver / bad leaver intermediate leaver
1. Van een bad leaver is sprake indien de arbeids- of managementovereenkomst met de
desbetreffende bestuurder/aandeelhouder wordt beëindigd op grond van een dwingende of
gewichtige reden (…), danwel er sprake is van onrechtmatige daad respectievelijk relatiebeding en/of personeelsbeding uit deze overeenkomst geschonden zijn en de schending is bekrachtigd door de rechterlijke instantie danwel de arbitragecommissie. Van een bad leaver is eveneens sprake indien [eiser 1] BV danwel haar dga voor 1 januari 2019 de arbeids/managementovereenkomst beëindigt. Behoudens indien een situatie aan de orde is van fusie of verkoop met/aan één derde,
respectievelijk medeaandeelhouders qua handelen of gedrag onder de bad leaver bepalingen zouden kwalificeren.
2. Van een intermediate leaver is sprake in geval van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 3
lid 2 letter g.5, mits deze situatie van arbeidsongeschiktheid zich voordoet na 1 januari 2019.
3. In alle andere gevallen is sprake van een good leaver.
4. De vergadering van aandeelhouders is bevoegd en gerechtigd te bepalen dat, in afwijking van het
onder lid 1 en 2 gemelde, een bad leaver of intermediate leaver zal worden beschouwd als een
good leaver.
(…)
Artikel 6. Koop aandelen en prijsbepaling
De afwikkeling van de koop na uitoefening van het recht tot koop, respectievelijk na aanbieding als
hiervoor bedoeld, zal geschieden onder de navolgende bepalingen:
1. Op de koop van de aandelen in het kapitaal van de vennootschap en de verdere afwikkeling van een en ander is het in de statuten van de vennootschap bepaalde integraal van toepassing, tenzij in
deze overeenkomst afwijkende bepalingen zijn opgenomen;
2. voor de waardebepaling in geval van een good leaver geldt de intrinsieke waarde van de
vennootschap volgens de actuele balans, te verhogen met goodwill zijnde de gemiddelde netto winst
na belasting van de afgelopen 3 jaar onder aftrek van een bedrag van € 100.000;
3. in geval van intermediate leaver geldt voor [eiser 1] BV de waardering als bedoeld onder b
met dien verstande dat 50% van de goodwill in aanmerking wordt genomen;
4. in geval van bad leaver ontvangt [eiser 1] BV de laagste van kostprijs of marktwaarde, vast te stellen door een gekwalificeerd accountant. (…)”
2.9.
In 2020 is [erflater] arbeidsongeschikt geworden en op 3 maart 2022 is [erflater] overleden.
2.10.
Bij brief van 25 november 2022 heeft [naam 4] als bestuurder van [gedaagde] – kort gezegd – de door [gedaagde] gehouden aandelen in [bedrijf 1] aangeboden aan [eiser 1] en [eiser 2] , met het verzoek om in overleg te treden over de aanbiedingsprocedure.
2.11.
Op 1 december 2022 heeft een aandeelhoudersvergadering van [bedrijf 1] plaatsgevonden. Tijdens deze vergadering hebben [naam 1] en [naam 2] aan [naam 4] uitgelegd wat [bedrijf 1] doet en hoe de verhoudingen liggen tussen [gedaagde] , [eiser 1] , [eiser 2] en [bedrijf 1] . Onder meer zijn de teruggelopen resultaten in de afgelopen jaren en de in hoogte toegenomen managementfees besproken.
2.12.
Bij e-mail van 9 december 2022 (en op 13 december 2022 verzonden brief van gelijke strekking) heeft [bedrijf 1] mede namens [eiser 1] en [eiser 2] voor zover van belang het volgende aan [naam 4] ( [gedaagde] ) geschreven:
”Op 27 november 2022 zond jij aan [bedrijf 1] een brief (gedateerd 25 november 2022) waarin [gedaagde] haar aandelen aanbiedt. Dit in verband met het overlijden van [erflater] . We hebben het hierover ook gehad tijdens de vergaderingen op 1 december 2022.
Wij hebben het toen ook gehad over de afspraken die [erflater] ( [gedaagde] ), en wij ( [eiser 1] en
[eiser 2] ) daarover hebben gemaakt in de aandeelhoudersovereenkomst. Deze komen er op neer
dat de prijs die voor deze aandelen moet worden betaald, wordt berekend volgens een formule. Zie
artikelen 3, 4 en 6.2. De prijs is volgens deze formule gelijk aan de intrinsieke waarde van de
vennootschap volgens de actuele balans, te verhogen met goodwill zijnde de gemiddelde netto
winst na belasting van de afgelopen 3 jaar onder aftrek van een bedrag van EUR 100.000. We hebben op 1 december 2022 gezegd dat wij de aangeboden aandelen tegen de op deze wijze
berekende prijs willen kopen.
Jullie wilden echter afwijken van deze formule, omdat bij de berekening van de successierechten
volgens jullie door de Belastingdienst zal worden uitgegaan van een hogere waarde. Jullie vrezen
daarom dat jullie meer successierechten moeten betalen dan jullie als koopprijs voor de aandelen
zullen ontvangen als volgens deze formule wordt afgerekend. Omdat er onvoldoende vermogen in
[gedaagde] zit, zou dit jullie noodzaken om de erfenis niet te aanvaarden (…).
We hebben hier serieus over nagedacht en begrijpen enerzijds dat dit vervelend voor jullie is.
Anderzijds vinden we het toch redelijk om vast te houden aan de eerder met [erflater] gemaakte
afspraken. We hebben nu eenmaal niet afgesproken dat de prijs voor de aandelen bij overlijden
afhankelijk is van de ideeën die de Belastingdienst mogelijk zal hebben over de waarde van deze
aandelen. Er is een formule afgesproken. [erflater] was daarmee akkoord en deze formule zou net zo
goed voor onze erven gelden als wij zouden overlijden.
Daarnaast denken we dat de Belastingdienst kan worden overtuigd dat bij de berekening van de
successierechten moet worden uitgegaan van de waarde volgens de formule. Deze haakt immers
aan bij het opgebouwde vermogen en de goodwill. Deze goodwill wordt op een gangbare manier
berekend. Bovendien kan de Belastingdienst niet voorbij gaan aan het feit dat [gedaagde] op het
moment van overlijden van [erflater] verkeerde in de situatie dat zij haar aandelen moest aanbieden
tegen de prijs die in de formule is vastgelegd. Dat is een factor die onmiskenbaar van invloed is op
de waardering van [gedaagde] .
Wij ( [eiser 1] en [eiser 2] ) willen de aandelen dus niet kopen tegen een prijs die op een
andere wijze wordt bepaald dan volgens de overeengekomen formule.
Bij deze bevestigen we officieel namens het bestuur van [bedrijf 1] dat [eiser 2] en [eiser 1]
hebben gemeld dat zij alle aangeboden aandelen willen kopen tegen de prijs bepaald volgens de
formule en dat het bestuur hen heeft aangewezen als gegadigden en dat elk de helft van de
aangeboden aandelen krijgt toegewezen (…). In het geval sprake is van een oneven aantal aandelen zal [eiser 2] een aandeel meer kopen (…).
Zou je binnen twee weken kunnen bevestigen dat [gedaagde] Beheer zal meewerken aan de overdracht van
de aandelen?”
2.13.
Bij e-mail van 23 december 2022 heeft [naam 4] aan [naam 1] en [naam 2] – kort gezegd – geschreven dat hij op een later moment inhoudelijk terug komt op hun brief van 13 december 2022. In het kader van die reactie heeft [naam 4] in diezelfde e-mail verzocht om toezending bepaalde stukken, waaronder interne jaarrekeningen en jaarstukken van [bedrijf 1] vanaf de start van de onderneming tot en 2018, de concept-jaarrekening 2022 van [bedrijf 1] , verslagen van aandeelhoudersvergaderingen, jaarplannen en bedrijfsplannen van [bedrijf 1] vanaf de start van de onderneming tot 23 december 2022.
2.14.
Bij brief van 5 januari 2023 heeft (de advocaat van) [eiser 1] en [eiser 2] [gedaagde] – kort gezegd – geschreven dat [gedaagde] reeds in bezit is van alle informatie die zij nodig heeft om de gevraagde bevestiging te kunnen geven. Verder is in die brief bevestigd dat er geen afspraken zijn gemaakt waarin wordt afgeweken van artikel 3, 4 en 6 van de Aovk. Tevens bevat de brief een schema waarin is uitgerekend welke koopprijs voor de aandelen volgens [eiser 1] en [eiser 2] is verschuldigd. De brief eindigt met een sommatie aan [gedaagde] om binnen een week te bevestigen dat de aandelen in [bedrijf 1] binnen twee weken zullen worden overgedragen aan [eiser 1] en [eiser 2] waarbij de koopprijs nihil zal zijn, dan wel een symbolisch bedrag van bijvoorbeeld € 1,-.
2.15.
Bij separate brief van 5 januari 2023 heeft (de advocaat van) [eiser 1] en [eiser 2] [gedaagde] – kort gezegd – nader toegelicht dat en waarom de door [gedaagde] verzochte informatie niet relevant is en dat de informatieverzoeken zich niet verhouden tot de omstandigheid dat [gedaagde] zich niet actief wil opstellen als bestuurder van [bedrijf 1] . Bij een derde separate brief van 5 januari 2023 heeft (de advocaat van) [eiser 1] en [eiser 2] [gedaagde] – kort gezegd – toegelicht dat de stelling van [gedaagde] dat zij wil aanblijven als bestuurder maar voor zichzelf geen actieve rol ziet onacceptabel is, nu een niet actieve bestuurder zijn taak op een onbehoorlijke wijze vervult. In dat kader hebben [eiser 1] en [eiser 2] [gedaagde] aangeraden om zich nogmaals te beraden of het verstandig is om aan te blijven als bestuurder van [bedrijf 1] .
2.16.
Bij brief van 20 januari 2023 heeft (de advocaat van) [gedaagde] – kort gezegd – toegelicht dat en waarom er geen noodzaak is tot het neerleggen van de bestuursrol door [gedaagde] en dat en waarom de verzochte nadere informatie wel benodigd is, om vervolgens (nogmaals) aan [eiser 1] en [eiser 2] te verzoeken en zo nodig te sommeren om binnen zeven dagen de volgende stukken met betrekking tot [bedrijf 1] en [bedrijf 2] te doen toekomen:“- de interne jaarrekeningen over 2014 tot en met 2018- de grootboekrekeningen over 2014 tot en met 2022- besluiten, informatie en afspraken over: - managementvergoeding - leningen en rentes - dividenduitkeringen- tussentijdse financiële cijfers over 2022- eventuele jaarplannen, bedrijfsplannen en/of vergelijkbare uitgangspunten.”Daarnaast heeft [gedaagde] (wederom) toegang tot de e-mailbox van [erflater] ( [gedaagde] ) bij [bedrijf 1] verzocht aan [eiser 1] en [eiser 2] . Tenslotte is voorgehouden dat indien niet tijdig aan de informatieverzoeken zal worden voldaan een 843a Rv procedure zal worden gestart.
2.17.
Bij e-mail van 30 januari 2023 heeft (de advocaat van) [eiser 1] en [eiser 2] [gedaagde] voor zover van belang geschreven dat [gedaagde] haar aandelen in [bedrijf 1] al had moeten overdragen, dat zij dus geen belang heeft bij de verzochte informatie en dat het in het algemeen ongebruikelijk is om informatie uit grootboekrekeningen aan aandeelhouders te verschaffen.
2.18.
In de daarop volgende periode hebben (de advocaten van) partijen nader met elkaar gecorrespondeerd waarbij zij hebben volhard in hun eerder ingenomen standpunten ten aanzien van de wijze van bepalen van de hoogte van de koopprijs voor de aandelen en in hun standpunt omtrent het al dan niet verstrekken van de door [gedaagde] gevraagde informatie.
2.19.
Bij brief van 2 maart 2023 heeft (de advocaat van) [gedaagde] voor zover van belang nog het volgende aan [eiser 1] en [eiser 2] geschreven:
“(…) Thans heeft cliënte (…) zoals ook tijdens de Algemene Vergadering besproken is, een onafhankelijke partij een waardebepaling laten uitvoeren gebaseerd op de gangbare fair market value aan de hand van de huidige jaarstukken met daarbij een correctie/normalisatie voor het onrechtmatig handelen van uw cliënten, te weten de ten onrechte gewijzigde en niet marktconforme management fees en de rente op de aandeelhoudersleningen. Conform goed gebruik is gerekend met de in de branche van de vennootschappen gehanteerde multiple 5. Deze multiple houdt rekening met een liquiditeitskorting en afslag voor een “beperkt” belang van 30%. Daaruit volgt dat de aandelen voor beide vennootschappen [ [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , vzr.] een totale waarde hebben van € 4.376.000,-. Dit heeft tot gevolg dat het aandelenbelang dat gehouden wordt door cliënte een waarde heeft in totaal ad € 1.458.500,- (…)”
3Het geschil in conventie
3.1.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen om bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
I. primair [gedaagde] te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis over te gaan tot overdracht aan [eiser 1] en [eiser 2] van alle door [gedaagde] gehouden aandelen in [bedrijf 1] , waarbij [eiser 1] en [eiser 2] ieder de helft van alle aandelen zal verkrijgen en bij een oneven aantal aandelen, één aandeel meer aan [eiser 2] zal worden overgedragen, vrij van enig beperkt en/of ander recht, zonder dat [eiser 1] en [eiser 2] hierbij een koopsom hoeven te betalen, althans tegen betaling door [eiser 1] en [eiser 2] van een bedrag van € 1,00 althans € 5.788,00 aan [gedaagde] te voldoen en [gedaagde] te veroordelen mee te werken aan het passeren van de voor overdracht vereiste notariële akte;
II. subsidiair [gedaagde] te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis over te gaan tot overdracht aan [eiser 1] en [eiser 2] van alle door [gedaagde] gehouden aandelen in [bedrijf 1] , waarbij [eiser 1] en [eiser 2] ieder de helft van alle aandelen zal verkrijgen en bij een oneven aantal aandelen, één aandeel meer aan [eiser 2] zal worden overgedragen, vrij van enig beperkt en/of ander recht, tegen betaling door [eiser 1] en [eiser 2] van een bedrag van € 13.726,00 althans € 50.726,00 aan [gedaagde] te voldoen en [gedaagde] te veroordelen mee te werken aan het passeren van de voor overdracht vereiste notariële akte;
primair en subsidiair
III. te bepalen dat voor zover [gedaagde] niet voldoet aan het primair of subsidiair gevorderde, zij een dwangsom verbeurt van € 5.000,00 te vermeerderen met € 1.000,00 voor iedere dag dat de niet nakoming langer voortduurt met een maximum van € 100.000,00 althans een in goede justitie te bepalen bedrag en te bepalen dat indien [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet, dat het vonnis in de plaats treedt van de vereiste/benodigde medewerking van [gedaagde] voor de levering van de aandelen aan [eiser 1] en [eiser 2] en dat de passerend notaris gemachtigd zal zijn alle ter zake van de eigendomsoverdracht vereiste formaliteiten te vervullen;
IV. [gedaagde] te veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[eiser 1] en [eiser 2] stellen daartoe – samengevat – het volgende. [naam 1] , [naam 2] en [erflater] zijn in 2015 overeengekomen dat indien een van hen zou komen te overlijden, dat dan de aandelen in [bedrijf 1] , die door diens persoonlijke vennootschap worden gehouden, ter overname moeten worden aangeboden aan de andere twee aandeelhouders van [bedrijf 1] . Teneinde de hoogte van de prijs van de over te dragen aandelen te kunnen bepalen hebben zij in artikel 6 van de Aovk prijsbepalingsclausules opgenomen. Als het aan [erflater] had gelegen zou er overigens een formule in artikel 6 Aovk zijn opgenomen die tot een lagere prijs voor de aandelen zou hebben geleid. Na het overlijden van [erflater] heeft [gedaagde] haar aandelen in [bedrijf 1] aangeboden en [eiser 1] en [eiser 2] hebben dat aanbod geaccepteerd, maar [gedaagde] weigert thans over te gaan tot levering van de aandelen. [gedaagde] beschikt over voldoende informatie om over te kunnen gaan tot levering. Nu [erflater] wordt aangemerkt als een good leaver geldt de formule zoals is opgenomen in artikel 6 lid 2 van de Aovk. Bij de berekening van de prijs aan de hand van die formule dient primair uitgegaan te worden van het moment van aanvaarding van het aanbod en dient subsidiair uitgegaan te worden van het moment van overlijden van [erflater] . Een waardering van de aandelen aan de hand van de fair market value zoals door [gedaagde] beoogd kan niet aan de orde zijn, gelet op de wijze waarop de onderneming van [bedrijf 1] wordt gedreven. Gelet op de lastige omstandigheden waarbinnen [bedrijf 1] momenteel opereert, er investeringen van de aandeelhouder nodig zijn die [gedaagde] niet bereid is te doen en nu [naam 4] zijn taak als indirect bestuurder onbehoorlijk vervult, hebben zij een spoedeisend belang bij hun vorderingen, aldus [eiser 1] en [eiser 2] .
3.3.
[gedaagde] voert daartegen – samengevat – het volgende verweer. Doordat [eiser 1] en [eiser 2] de gevraagde informatie niet willen verstrekken, kan [gedaagde] feitelijk geen stelling innemen over haar (rechts)positie en een eventuele levering van de aandelen. Pas nadat [gedaagde] deugdelijke informatie heeft ontvangen en nadat er duidelijkheid is over eventuele afspraken die golden tussen de aandeelhouders van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , kan er verder worden gekeken hoe een en ander moet worden uitgelegd en toegepast moet worden. Dat er een aanbiedingsplicht is staat nog niet vast. Ook de hoogte van de prijs voor de over te dragen aandelen staat nog allerminst vast. [eiser 1] en [eiser 2] hebben geen spoedeisend belang bij hun vorderingen. [gedaagde] belemmert [bedrijf 1] niet ten aanzien van moeilijke dossiers, staat niet in de weg aan investeringen en vervult haar bestuurstaak niet onbehoorlijk. Toewijzing van de vorderingen kan zeer ernstige gevolgen voor [gedaagde] hebben. Na levering van de aandelen worden de informatievoorzieningen voor [gedaagde] nog beperkter en komt zij in een eventuele bodemprocedure op grote achterstand te staan. Dit steekt temeer nu [gedaagde] bedenkingen heeft bij de huidige jaarrekeningen. De managementvergoeding in 2021 zou zijn verhoogd in verband met de NOW-subsidie, terwijl in dat jaar aan [bedrijf 1] geen NOW-subsidie is toegekend. [gedaagde] vreest dat na levering van haar aandelen omzet van [bedrijf 2] zal worden verschoven naar [bedrijf 1] . [eiser 1] en [eiser 2] hebben dan in de hand hoe laag de waarde van de aandelen in [bedrijf 2] zullen uitvallen. Deze zaak leent zich niet voor behandeling in kort geding. Ten aanzien van de berekening van de koopprijs van de aandelen is onduidelijk: (i) wat de ijkdatum van de waardebepaling is, (ii) wat de toe te passen waarderingsgrondslag is, (iii), hoe begrippen zoals intrinsieke waarde moeten worden uitgelegd, en (iv) of de juiste financiële gegevens ten grondslag liggen aan de berekening. Als wordt uitgegaan van de uitleg van [eiser 1] en [eiser 2] dan komt het neer op een verkoop tegen een veel te lage prijs, die moet worden gezien als een schenking. Nu deze schenking niet voor het overlijden is uitgevoerd, vervalt deze op grond van artikel 7:177 BW. De aandelen hoeven dus niet te worden geleverd. Nu de jaarstukken en cijfers ter discussie staan en sprake is van onregelmatigheden in de bedrijfsvoering van [bedrijf 1] , leent de formule uit artikel 6 lid 2 Aovk zich, in verband met de vennootschapsrechtelijke goede trouw en gezien de redelijkheid en billijkheid, niet langer voor toepassing. Partijen dienen terug te vallen op hetgeen in de statuten is bepaald. De vorderingen moeten worden afgewezen. Bij onverhoopte toewijzing is een dwangsom niet nodig en indeplaatsstelling van het vonnis gaat te ver, aldus [gedaagde] .
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4Het geschil in reconventie
4.1.
[gedaagde] vordert om bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
I. [eiser 1] en [eiser 2] te gebieden om aan [gedaagde] , met betrekking tot
[bedrijf 1] en [bedrijf 2] , binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis:
a. de interne jaarrekeningen (en daarmee niet de gedeponeerde versies) over 2014 tot en met 2019 ter beschikking te stellen;
b. de (concept) jaarrekening 2022 ter beschikking te stellen;
c. de grootboekrekeningen over 2014 tot en met 2022 ter beschikking te stellen, met
betrekking tot:
i. lening posities, overlopende passiva ter zake van de te betalen rentebedragen;
rentelasten per lening en NTB Rente leningen;
ii. mutaties ter zake van dividenden;
iii. managementvergoedingskosten en NTB management fee;
d. de crediteurenkaarten over de jaren 2019-2022 met betrekking tot [eiser 2] , [eiser 1] , [gedaagde] en [bedrijf 1] / [bedrijf 2] ter beschikking te stellen;
e. inzicht te geven in, althans een toelichting te geven op de besluiten, informatie en
afspraken ter zake van i) managementvergoedingen, ii) leningen en rentes, iii)
dividenduitkeringen en de onderliggende documentatie daaromtrent;
f. afschrift te geven van, althans inzicht te geven in alle relevante verslagen van
aandeelhoudersvergaderingen en (op papier of op andere wijze) vastgelegde besluiten van de aandeelhouders(vergadering) van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] vanaf de start van de onderneming tot en met de datum van het overlijden van wijlen [erflater] ;g. afschrift te geven van, althans inzicht te geven in de tussen [naam 2] , [naam 1] en wijlen de heer [erflater] gevoerde WhatsApp-correspondentie in de periode vanaf de start van de onderneming tot en met de datum van het overlijden van wijlen [erflater] ;
h. onbeperkt toegang te geven tot de mailbox, dan wel aan [gedaagde] een kopie ter
beschikking te stellen van de volledige inhoud van de mailbox (inbox, verzonden items en gearchiveerde e-mails), van wijlen [erflater] bij [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] onder het e-mailadres [e-mailadres] ;
i. afschrift te geven van, althans inzicht te geven in jaarplannen, bedrijfsplannen en
soortgelijke documenten van [bedrijf 1] vanaf de start van de onderneming tot nu;
II. [eiser 1] en [eiser 2] te gebieden om, met [gedaagde] in de cc van het bericht, de opdracht te geven aan de accountant van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , de heer [naam 7]
van Global Accounting, om [gedaagde] op haar verzoek de noodzakelijke
toelichting, reactie en informatie te geven bij/over de (concept)jaarrekeningen, 2019, 2020 en 2021 en de eventueel daarop volgende vragen van de zijde van [gedaagde] te beantwoorden;
III. [eiser 1] en [eiser 2] te veroordelen tot betaling van een dwangsom aan [gedaagde] van € 2.000,00 per (sub)gebod, per dag of dagdeel, waaronder tevens een weekenddag
begrepen, met een maximum van € 100.000,00, bij niet-nakoming van hetgeen onder nummers I. (en haar subleden) en II. van het petitum gevorderde, dan wel indien [eiser 1] en/of [eiser 2] niet de juiste en/of ondeugdelijke financiële informatie verstrekken, tot het moment dat volledige en juiste financiële informatie aan [gedaagde] verstrekt is;
IV. [eiser 1] en [eiser 2] hoofdelijk te veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
[gedaagde] stelt daartoe – samengevat – het volgende. [gedaagde] heeft recht en belang bij de gevorderde stukken en informatie. Zij heeft die stukken en informatie nodig om de door [eiser 1] en [eiser 2] geponeerde stellingen te verifiëren, de onderlinge rechtsverhoudingen (zoals rekeningcourantverhoudingen en leningen) vast te stellen, de rechtsgeldigheid en geoorloofdheid van verrichte rechtshandelingen (managementfees, leningen en dividenden) vast te stellen, en om eventueel de waarde van de aandelen vast te stellen. Duidelijk zal met die informatie worden wat de bedoelingen van partijen precies waren. Bepaalde stukken zoals de jaarrekeningen, jaarplannen en bedrijfsplannen, daar heeft een aandeelhouder gewoon recht op. Ten aanzien van de leningen bestaat nog altijd veel onduidelijkheid. Beantwoording van de door de forensisch deskundige gestelde vragen is noodzakelijk om vast te kunnen stellen of de posities van de leningen in de jaarrekeningen kloppend zijn. Wat ook van belang is voor de waarde van de aandelen. Die vragen kunnen worden beantwoord aan de hand van bijvoorbeeld over te leggen grootboekkaarten. De managementfee-bedragen in de jaarrekeningen lijken niet aan te sluiten bij de werkelijk verrichte betalingen. Een hogere managementfee leidt tot een lagere winst en dus een lagere prijs voor de aandelen. Onduidelijk is of de managementfee aan [gedaagde] wel volledig is uitbetaald. Grootboekkaarten en crediteurenkaarten kunnen hierin duidelijkheid verschaffen. Ondanks de gestelde onmogelijkheid om dividend uit te keren in 2020 en 2021 zou er in die jaren volgens de (concept)jaarrekening toch dividend zijn uitgekeerd. Deze onduidelijkheid kan worden opgehelderd aan de hand van de gevorderde interne jaarrekeningen en grootboekkaarten. Ten slotte heeft [gedaagde] recht en belang bij toegang tot de e-mailbox van wijlen [erflater] . [gedaagde] is (indirect) bestuurder van [bedrijf 1] en dient alleen om die reden al toegang te hebben tot de eerdere mailbox die werd gebruikt door [gedaagde] . De mailbox kan een verhelderend inzicht geven. [naam 4] heeft in zijn hoedanigheid als executeur en opvolgend bestuurder van [gedaagde] de toegang tot die mailbox nodig om te kunnen vaststellen wat de precieze vermogensrechtelijke situatie van wijlen [erflater] is. Dit is ook nodig voor de afwikkeling van de nalatenschap. Partijen kunnen pas tot een oplossing komen als iedereen over de juiste informatie beschikt. Voordat [gedaagde] zelf de jaarrekeningen over 2021 en 2022 kan vaststellen dient zij ook over de gevraagde stukken te beschikken. Zij heeft dus een spoedeisend belang bij haar vorderingen, aldus [gedaagde] .
4.3.
[eiser 1] en [eiser 2] voeren daartegen – samengevat – het volgende verweer. [gedaagde] beschikt reeds over alle informatie die zij nodig heeft. Die informatie is opgenomen in de jaarrekeningen waarbij de accountant van [bedrijf 1] een samenstellingsverklaring heeft afgegeven. Dat volstaat. [eiser 1] en [eiser 2] hebben niets te verbergen. Betwist wordt dat [gedaagde] haar informatieverzoeken heeft gedaan in haar hoedanigheid als bestuurder. [gedaagde] zoekt kennelijk een excuus om zich te kunnen verzetten tegen de nakoming van de Aovk. Zij is bezig met een fishing expedition. Het verrichte forensisch onderzoek is onvoldragen en de bevindingen kunnen niet gebruikt worden in deze procedure. Als [gedaagde] informatie wil verkrijgen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] dient zij jegens hen een vordering in te stellen en niet tegen [eiser 1] en [eiser 2] . [eiser 1] en [eiser 2] zijn bovendien geen bestuurders van [bedrijf 2] , dat zijn namelijk [naam 1] en [naam 2] , maar die zijn geen partij in deze procedure. Een vordering in reconventie ten aanzien van [bedrijf 2] staat ook in een te ver verwijderd verband van de zaak in conventie. [gedaagde] vordert deels informatie die al aan haar is verstrekt. Zij vordert informatie waarbij zij geen belang heeft. Zij vordert documenten waarvan zij moet weten dat die nog niet bestaan, zoals de concept jaarrekening 2022. Ook vordert zij documenten waarvan zij niet weet of deze bestaan en die veel te weinig concreet zijn omschreven. Het informatierecht van een aandeelhouder strekt overigens niet tot het kunnen vaststellen van de positie van de erven van [erflater] . [gedaagde] is bovendien geen erfgenaam van [erflater] . De door [gedaagde] aangehaalde jurisprudentie met betrekking tot de toegang tot de e-mail inbox is niet van toepassing op deze kwestie. Nu tussen [erflater] en [eiser 1] en [eiser 2] niet is overeengekomen dat de inbox aan [erflater] ter beschikking zou worden gesteld, is deze inbox niet voor overgang vatbaar. Al met al dienen de vorderingen in conventie te worden afgewezen, aldus [eiser 1] en [eiser 2] .
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5De beoordeling in conventie5.1. Het door [eiser 1] en [eiser 2] in conventie gevorderde kan in kort geding alleen worden toegewezen, indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter het standpunt van [eiser 1] en [eiser 2] zal volgen, bijvoorbeeld als [gedaagde] een kennelijk ongegrond verweer voert, en indien van [eiser 1] en [eiser 2] niet kan worden gevergd dat zij de uitslag van de bodemprocedure afwachten.
5.2.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben een voldoende spoedeisend belang bij het gevorderde, nu de aandeelhouders van [bedrijf 1] tevens bestuurder van [bedrijf 1] zijn en [gedaagde] door het overlijden van [erflater] aan het bestuurderschap geen invulling meer kan geven zoals voorheen, terwijl de verhoudingen tussen [gedaagde] en de overige aandeelhouders zijn verstoord en vast staat dat de aandelen van [gedaagde] aan [eiser 1] en [eiser 2] zullen moeten worden overgedragen, omdat dit in de Aovk is bepaald. In beginsel wordt dat ook wel erkend door [gedaagde] , maar staat onenigheid over de prijs aan de uitvoering van die verplichting in de weg.
5.3.
Voor de bepaling van de prijs is de Aovk het uitgangspunt. Omdat geen van de partijen bij die overeenkomst wist wie mogelijk in de situatie zou komen dat de formule van prijsbepaling aan de orde zou komen, is het niet onredelijk of onbillijk om die toe te passen. Ook al leidt de formule zoals vastgelegd in artikel 6 lid 2 van de Aovk tot een (zeer veel) lagere prijs dan toepassing van normale waarderingsmaatstaven. De gemaakte afspraak moet daarbij worden gezien tegen de achtergrond van de aard van de onderneming, te weten een bedrijf in de dienstensector en het feit dat het hier gaat om een samenwerking van drie partners, waarbij de persoonlijke arbeidsinzet en de persoonlijke relaties van elk van hen in het veld de meest bepalende factor was in het succes van de onderneming. Daarbij past niet een formule die de waarde van een onderneming los van de arbeidsinzet van de aandeelhouders bepaalt op basis van eerdere winstgevendheid en daarop een multiplier toepast.
5.4.
Echter dient er wel rekening te worden gehouden met de eisen van redelijkheid en billijkheid. De vraag die daarbij gesteld moet worden is dan of de formule ook kan worden toegepast in een situatie die door (afwijkende) bijzondere omstandigheden een prijs oplevert die negatief is, althans aanzienlijk afwijkt van de bandbreedte die voorzien kon worden ten tijde van het sluiten van de Aovk.
5.5.
De bijzondere omstandigheid waarmee in ieder geval rekening gehouden dient te worden is de verhoging van de managementfees in de jaren 2020 en 2021 en een daardoor ontstane lagere winst.
5.6.
[gedaagde] heeft een beroep gedaan op artikel 7:177 BW (vervallen van schenking door de dood van de schenker). Dat beroep faalt, want bij sluiten van de Aovk was niet bekend wie van de lagere prijs dan de marktwaarde voor- of nadeel zou hebben en het was ook heel goed mogelijk dat de clausule nooit gebruikt zou worden. Dus is de Aovk niet een overeenkomst om niet waarbij de ene partij, de schenker, ten koste van eigen vermogen de andere partij, de begiftigde, verrijkt (als bedoeld in artikel 7:175 lid 1 BW).
5.7.
Voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat de prijs voor de aandelen dient te worden bepaald aan de hand van de formule zoals genoemd in artikel 6 lid 2 van de Aovk, doch met toepassing van een correctie vanwege de hiervoor genoemde bijzondere omstandigheid. Redelijk is om de berekening te corrigeren naar de situatie dat in de jaren 2020 en 2021 de managementfees niet zouden zijn verhoogd, maar dat de managementfees gelijk waren gebleven aan die van het jaar 2019.
5.8.
[erflater] is overleden in het jaar 2022 en het aanbieden van de aandelen vond ook plaats in het jaar 2022. Derhalve zijn de jaren 2019 tot en met 2021 relevant voor de prijsbepaling. Voor de intrinsieke waarde van de aandelen is de jaarrekening 2021 relevant. Anders dan [eiser 1] en [eiser 2] menen is niet aannemelijk dat moet worden uitgegaan van de intrinsieke waarde op de datum van overlijden of de datum waarop de aandelen zijn aangeboden.
5.9.
Als dan de prijs van de aandelen wordt berekend aan de hand van de formule als bedoeld in artikel 6 lid 2 Aovk gaat dat als volgt. De intrinsieke waarde van de vennootschap is volgens de jaarrekening 2021 gelijk aan € 17.364,00. Als ervan uitgegaan wordt dat de managementfee in 2020 en 2021 niet zou zijn verhoogd en er schattenderwijs vanuit wordt gegaan dat dan de winst na belasting in die jaren gelijk was gebleven aan de winst na belasting in 2019, dan zou de gemiddelde netto winst na belasting over drie jaar een bedrag van € 148.697,00 zijn en zou de goodwill, na aftrek van € 100.000,00 neerkomen op een bedrag van € 48.697,00. Als daarbij voornoemde intrinsieke waarde wordt opgeteld, komt de waarde van de aandelen neer op een totaalbedrag van € 66.061,00. De waarde van het aandelenbelang van [gedaagde] is een derde van dat bedrag, wat neerkomt op € 22.020,33.
5.10.
Al met al is voldoende aannemelijk dat de bodemrechter [gedaagde] zal veroordelen om over te gaan tot levering van haar aandelen in [bedrijf 1] aan [eiser 1] en [eiser 2] tegen betaling door [eiser 1] en [eiser 2] van het hiervoor genoemde bedrag van € 22.020,33. Van [eiser 1] en [eiser 2] kan gelet op hun spoedeisend belang niet worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwachten.
5.11.
Dit leidt tot de conclusie dat is voldaan aan het onder 5.1 genoemde criterium, zodat de subsidiaire vordering zal worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing is vermeld. Een termijn van veertien dagen om aan dit vonnis te voldoen wordt redelijk geacht.
5.12.
De gevorderde dwangsom zal als prikkel tot nakoming worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing is vermeld. Voor het geval dat [gedaagde] niet vrijwillig aan de veroordeling zal voldoen en zij de dwangsommen maximaal heeft verbeurd zal om praktische redenen nu reeds worden bepaald dat het vonnis op dat moment in de plaats treedt van de vereiste medewerking (volmacht) van [gedaagde] voor de overdracht van de aandelen en het verlijden van de daartoe noodzakelijke notariële akte van levering.
5.13.
[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] worden begroot op:
- dagvaarding € 106,73
- griffierecht 676,00
- salaris advocaat 1.079,00
Totaal € 1.861,73.
5.14.
De nakosten zullen worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing is vermeld.
6De beoordeling in reconventie
6.1.
De vordering in reconventie is gebaseerd op artikel 843a Rv. Deze bepaling verbindt vier cumulatieve voorwaarden aan de toewijsbaarheid van een dergelijke vordering: 1) degene die de vordering instelt moet op dat moment een rechtmatig belang hebben, 2) het moet gaan om bepaalde bescheiden, 3) aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is en 4) degene van wie de bescheiden worden gevraagd moet deze te zijner beschikking of onder zijn berusting hebben. Is aan deze voorwaarden voldaan, dan bestaat niettemin geen gehoudenheid tot overlegging van bescheiden, indien daarvoor gewichtige redenen bestaan of indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.
6.2.
Voor zover [eiser 1] en [eiser 2] hebben gesteld dat voor toewijzing van de in reconventie gevorderde bescheiden en informatie geen aanleiding is in geval van toewijzing van de vordering in conventie geldt het volgende. Voor zover de vorderingen in reconventie toewijsbaar zijn en zullen worden toegewezen kan de daarmee door [gedaagde] verkregen informatie voor haar nuttig zijn in het licht van een eventuele bodemprocedure.
6.3.
Voor zover er gegevens worden gevorderd die van belang zijn voor het bepalen van de positie van een aandeelhouder binnen de vennootschap [bedrijf 1] , geldt dat daar geen belang bij is nu de aandelen moeten worden overgedragen.
6.4.
[gedaagde] heeft alleen rechtmatig belang bij stukken die van belang zijn bij de bepaling van de koopprijs van de aandelen – derhalve financiële stukken over de jaren 2019 tot en met 2021 – en bij specifieke stukken met betrekking tot de financiële verhouding tussen [gedaagde] en [bedrijf 1] .
6.5.
Gelet op het voorgaande heeft [gedaagde] enkel een rechtmatig belang bij de overlegging van de bescheiden zoals weergegeven in 4.1 onder I sub c en d, met dien verstande dat zij slechts een rechtmatig belang heeft ten aanzien van: (i) bescheiden met betrekking tot [bedrijf 1] en dus niet met betrekking tot [bedrijf 2] , (ii) de jaren 2019 tot en met 2021, en (iii) wat de crediteurenkaarten betreft alleen die met betrekking tot [gedaagde] .
Echter is ten aanzien van deze bescheiden niet voldaan aan de overige voorwaarden zoals hiervoor onder 6.1 genoemd. In dit geding zijn immers alleen [eiser 1] en [eiser 2] als aandeelhouders van [bedrijf 1] partij, terwijl de gevraagde bescheiden berusten onder [bedrijf 1] . De vorderingen zoals weergegeven in 4.1 onder I sub e en sub f zijn bovendien te onbepaald.
6.6.
Voor toewijzing van de vordering zoals weergegeven onder 4.1 sub II is geen rechtsgrond. Het verdient echter wel aanbeveling om aan een dergelijk verzoek (mits redelijk) van [gedaagde] vrijwillig te voldoen. Dit kan immers bijdragen aan beter werkbare verhoudingen tussen partijen.
6.7.
Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen in reconventie geheel zullen worden afgewezen.
6.8.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] worden begroot op € 539,50 (factor 0,5 × tarief € 1.079,00) aan salaris advocaat.
7De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie
7.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis over te gaan tot overdracht aan [eiser 1] en [eiser 2] van alle door [gedaagde] gehouden aandelen in [bedrijf 1] , waarbij [eiser 1] en [eiser 2] ieder de helft van alle aandelen zal verkrijgen en bij een oneven aantal aandelen, één aandeel meer aan [eiser 2] zal worden overgedragen, vrij van enig beperkt en/of ander recht, tegen betaling door [eiser 1] en [eiser 2] van een bedrag van € 22.020,33 aan [gedaagde] te voldoen en veroordeelt [gedaagde] tot het meewerken aan het passeren van de voor overdracht vereiste notariële akte,
7.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser 1] en [eiser 2] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag dat zij niet aan de in 7.1 uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,
7.3.
bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vereiste medewerking (volmacht) van [gedaagde] (als bedoeld in artikel 3:300 lid 1 BW) voor de overdracht van de aandelen en het verlijden van de daartoe noodzakelijke notariële akte van levering, indien [gedaagde] niet binnen 114 dagen voldoet aan de veroordeling onder 7.1,
7.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] tot op heden begroot op € 1.861,73, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag van volledige voldoening,
7.5.
veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] , begroot op € 163,00 voor salaris advocaat, te vermeerderen met € 85,00 en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag van volledige voldoening,
7.6.
verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
7.7.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
7.8.
weigert de gevraagde voorzieningen,
7.9.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] tot op heden begroot op € 539,50, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag van volledige voldoening,
7.10.
verklaart deze kostenveroordeling in reconventie uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J.E. Tiddens, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2023.
Bij afwezigheid van mr. R.H.C. Jongeneel, is dit vonnis ondertekend door mr. I.H.J. Konings, voorzieningenrechter, die het vonnis uitsprak.
type: JT
coll: LO
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel
zaaknummer / rolnummer: C/13/731092 / KG ZA 23-212 HJ/JT
Vonnis in kort geding van 28 april 2023
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid[eiser 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
eiseressen in conventie,
verweersters in reconventie,
advocaat mr. F. Eikelboom te Amsterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. S. Jansen te Alkmaar.
Partijen zullen hierna [eiser 1] en [eiser 2] en [gedaagde] worden genoemd.
1De procedure
1.1.
Tijdens de mondelinge behandeling op 14 april 2023 hebben [eiser 1] en [eiser 2] de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. [gedaagde] heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van een op voorhand ingediende conclusie van antwoord en heeft tegenvorderingen (eis in reconventie) ingediend. [eiser 1] en [eiser 2] hebben de tegenvorderingen bestreden, mede aan de hand van een op voorhand ingediende conclusie van antwoord in reconventie. Beide partijen hebben producties en een pleitnota ingediend. Vonnis is bepaald op vandaag.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling waren voor zover van belang aanwezig:
- [naam 1] namens [eiser 1] en [naam 2] namens [eiser 2] , bijgestaan door mr. Eikelboom;
- [naam 3] namens [gedaagde] , bijgestaan door mr. Jansen.
2De feiten
2.1.
[naam 1] (hierna: [naam 1] ) is enig aandeelhouder en bestuurder van [eiser 1] . [naam 2] (hierna: [naam 2] ) is enig aandeelhouder en bestuurder van [eiser 2] .
2.2.
Enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde] was (tot zijn overlijden) [erflater] (hierna: [erflater] ). Momenteel worden de aandelen in [gedaagde] gehouden door de gezamenlijke erven van [erflater] . Dat zijn de ouders van [erflater] en zijn broer [naam 4] (hierna: [naam 4] ). [naam 4] is volgens een KvK-uittreksel (na registratie op 29 juli 2022) met terugwerkende kracht sinds 9 maart 2022 in functie als bestuurder van [gedaagde] . [naam 4] is tevens (gevolmachtigd) beheerder en vereffenaar van de nalatenschap van [erflater] .
2.3.
[eiser 1] , [eiser 2] en [gedaagde] houden tezamen – ieder voor 1/3e deel – alle aandelen in [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ). [bedrijf 1] drijft een projectconsultancybureau voor de civiele techniek. Zij koppelt ervaren ingenieurs, oriënterende afstudeerders, starters en ZZP’ers aan projecten in wegen, water en beton. De afnemers van [bedrijf 1] zijn aannemers, ingenieursbureaus en overheidsinstanties. Het aantal personen dat werkzaam is bij [bedrijf 1] schommelt momenteel rond de vijftig.
2.4.
Het bestuur van [bedrijf 1] wordt gevormd door [eiser 1] , [eiser 2] en [gedaagde] , zij het dat [gedaagde] sinds het overlijden van [erflater] geen actieve invulling geeft aan haar bestuurstaak.
2.5.
[eiser 1] , [eiser 2] en [gedaagde] houden verder tezamen – ieder voor 1/3e deel – alle aandelen in [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ). De bestuurders van [bedrijf 2] zijn [naam 1] en [naam 2] .
2.6.
Bij aandeelhoudersbesluit van 1 januari 2015 hebben [eiser 1] , [eiser 2] en [gedaagde] als aandeelhouders van [bedrijf 1] een regeling getroffen voor langdurig ziekteverzuim van de (indirect) bestuurders van [eiser 1] en [eiser 2] in de personen van [naam 1] , [naam 2] en [erflater] . Daartoe hebben zij het volgende verklaard:
“Bij langdurig ziekteverzuim voor voornoemde personen [ [naam 1] , [naam 2] en [erflater] , vzr.] stelt [bedrijf 1] BV zicht verplicht 6 maanden lang de management fee’s te voldoen aan aandeelhouder.Is er na 6 maanden nog sprake van verzuim/ziekte stopt deze verplichting tot betaling van management fee.Bestuurders/Aandeelhouders dienen dan zelf een regeling te treffen.”2.7. Begin 2015 spraken [erflater] , [naam 1] en [naam 2] over hun samenwerking als (indirecte) aandeelhouders en bestuurders van [bedrijf 1] . De gesprekken vonden plaats onder begeleiding van een accountant (dhr. [naam 5] ) en een fiscalist (dhr. [naam 6] ). De afspraken die [erflater] , [naam 1] en [naam 2] maakten, zijn door hen vastgelegd in een aandeelhoudersovereenkomst (hierna: de Aovk). Partij bij de Aovk zijn [eiser 1] , [eiser 2] , [gedaagde] en [bedrijf 1] .
2.8.
In de op 1 maart 2015 ondertekende Aovk staat voor zover van belang het volgende:
“(…)
Artikel 3. Aanbiedingsverplichting
1. Onverminderd het bepaalde in de statuten van [bedrijf 1] B.V. inzake de aanbieding van aandelen is een aandeelhouder/certificaathouder verplicht al haar aandelen of certificaten in het
kapitaal van de vennootschap aan haar mede-aandeelhouder aan te bieden, indien en voor zover
zich één of meer van de in lid 2 genoemde situaties voordoen.
2. De situaties, ten gevolge waarvan de in dit artikel onder lid 1 genoemde aanvullende
aanbiedingsverplichting voor de desbetreffende aandeelhouder/natuurlijk persoon optreedt, zijn:
a. Bij overlijden; (…)
(…)
Artikel 4. Good leaver / bad leaver intermediate leaver
1. Van een bad leaver is sprake indien de arbeids- of managementovereenkomst met de
desbetreffende bestuurder/aandeelhouder wordt beëindigd op grond van een dwingende of
gewichtige reden (…), danwel er sprake is van onrechtmatige daad respectievelijk relatiebeding en/of personeelsbeding uit deze overeenkomst geschonden zijn en de schending is bekrachtigd door de rechterlijke instantie danwel de arbitragecommissie. Van een bad leaver is eveneens sprake indien [eiser 1] BV danwel haar dga voor 1 januari 2019 de arbeids/managementovereenkomst beëindigt. Behoudens indien een situatie aan de orde is van fusie of verkoop met/aan één derde,
respectievelijk medeaandeelhouders qua handelen of gedrag onder de bad leaver bepalingen zouden kwalificeren.
2. Van een intermediate leaver is sprake in geval van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 3
lid 2 letter g.5, mits deze situatie van arbeidsongeschiktheid zich voordoet na 1 januari 2019.
3. In alle andere gevallen is sprake van een good leaver.
4. De vergadering van aandeelhouders is bevoegd en gerechtigd te bepalen dat, in afwijking van het
onder lid 1 en 2 gemelde, een bad leaver of intermediate leaver zal worden beschouwd als een
good leaver.
(…)
Artikel 6. Koop aandelen en prijsbepaling
De afwikkeling van de koop na uitoefening van het recht tot koop, respectievelijk na aanbieding als
hiervoor bedoeld, zal geschieden onder de navolgende bepalingen:
1. Op de koop van de aandelen in het kapitaal van de vennootschap en de verdere afwikkeling van een en ander is het in de statuten van de vennootschap bepaalde integraal van toepassing, tenzij in
deze overeenkomst afwijkende bepalingen zijn opgenomen;
2. voor de waardebepaling in geval van een good leaver geldt de intrinsieke waarde van de
vennootschap volgens de actuele balans, te verhogen met goodwill zijnde de gemiddelde netto winst
na belasting van de afgelopen 3 jaar onder aftrek van een bedrag van € 100.000;
3. in geval van intermediate leaver geldt voor [eiser 1] BV de waardering als bedoeld onder b
met dien verstande dat 50% van de goodwill in aanmerking wordt genomen;
4. in geval van bad leaver ontvangt [eiser 1] BV de laagste van kostprijs of marktwaarde, vast te stellen door een gekwalificeerd accountant. (…)”
2.9.
In 2020 is [erflater] arbeidsongeschikt geworden en op 3 maart 2022 is [erflater] overleden.
2.10.
Bij brief van 25 november 2022 heeft [naam 4] als bestuurder van [gedaagde] – kort gezegd – de door [gedaagde] gehouden aandelen in [bedrijf 1] aangeboden aan [eiser 1] en [eiser 2] , met het verzoek om in overleg te treden over de aanbiedingsprocedure.
2.11.
Op 1 december 2022 heeft een aandeelhoudersvergadering van [bedrijf 1] plaatsgevonden. Tijdens deze vergadering hebben [naam 1] en [naam 2] aan [naam 4] uitgelegd wat [bedrijf 1] doet en hoe de verhoudingen liggen tussen [gedaagde] , [eiser 1] , [eiser 2] en [bedrijf 1] . Onder meer zijn de teruggelopen resultaten in de afgelopen jaren en de in hoogte toegenomen managementfees besproken.
2.12.
Bij e-mail van 9 december 2022 (en op 13 december 2022 verzonden brief van gelijke strekking) heeft [bedrijf 1] mede namens [eiser 1] en [eiser 2] voor zover van belang het volgende aan [naam 4] ( [gedaagde] ) geschreven:
”Op 27 november 2022 zond jij aan [bedrijf 1] een brief (gedateerd 25 november 2022) waarin [gedaagde] haar aandelen aanbiedt. Dit in verband met het overlijden van [erflater] . We hebben het hierover ook gehad tijdens de vergaderingen op 1 december 2022.
Wij hebben het toen ook gehad over de afspraken die [erflater] ( [gedaagde] ), en wij ( [eiser 1] en
[eiser 2] ) daarover hebben gemaakt in de aandeelhoudersovereenkomst. Deze komen er op neer
dat de prijs die voor deze aandelen moet worden betaald, wordt berekend volgens een formule. Zie
artikelen 3, 4 en 6.2. De prijs is volgens deze formule gelijk aan de intrinsieke waarde van de
vennootschap volgens de actuele balans, te verhogen met goodwill zijnde de gemiddelde netto
winst na belasting van de afgelopen 3 jaar onder aftrek van een bedrag van EUR 100.000. We hebben op 1 december 2022 gezegd dat wij de aangeboden aandelen tegen de op deze wijze
berekende prijs willen kopen.
Jullie wilden echter afwijken van deze formule, omdat bij de berekening van de successierechten
volgens jullie door de Belastingdienst zal worden uitgegaan van een hogere waarde. Jullie vrezen
daarom dat jullie meer successierechten moeten betalen dan jullie als koopprijs voor de aandelen
zullen ontvangen als volgens deze formule wordt afgerekend. Omdat er onvoldoende vermogen in
[gedaagde] zit, zou dit jullie noodzaken om de erfenis niet te aanvaarden (…).
We hebben hier serieus over nagedacht en begrijpen enerzijds dat dit vervelend voor jullie is.
Anderzijds vinden we het toch redelijk om vast te houden aan de eerder met [erflater] gemaakte
afspraken. We hebben nu eenmaal niet afgesproken dat de prijs voor de aandelen bij overlijden
afhankelijk is van de ideeën die de Belastingdienst mogelijk zal hebben over de waarde van deze
aandelen. Er is een formule afgesproken. [erflater] was daarmee akkoord en deze formule zou net zo
goed voor onze erven gelden als wij zouden overlijden.
Daarnaast denken we dat de Belastingdienst kan worden overtuigd dat bij de berekening van de
successierechten moet worden uitgegaan van de waarde volgens de formule. Deze haakt immers
aan bij het opgebouwde vermogen en de goodwill. Deze goodwill wordt op een gangbare manier
berekend. Bovendien kan de Belastingdienst niet voorbij gaan aan het feit dat [gedaagde] op het
moment van overlijden van [erflater] verkeerde in de situatie dat zij haar aandelen moest aanbieden
tegen de prijs die in de formule is vastgelegd. Dat is een factor die onmiskenbaar van invloed is op
de waardering van [gedaagde] .
Wij ( [eiser 1] en [eiser 2] ) willen de aandelen dus niet kopen tegen een prijs die op een
andere wijze wordt bepaald dan volgens de overeengekomen formule.
Bij deze bevestigen we officieel namens het bestuur van [bedrijf 1] dat [eiser 2] en [eiser 1]
hebben gemeld dat zij alle aangeboden aandelen willen kopen tegen de prijs bepaald volgens de
formule en dat het bestuur hen heeft aangewezen als gegadigden en dat elk de helft van de
aangeboden aandelen krijgt toegewezen (…). In het geval sprake is van een oneven aantal aandelen zal [eiser 2] een aandeel meer kopen (…).
Zou je binnen twee weken kunnen bevestigen dat [gedaagde] Beheer zal meewerken aan de overdracht van
de aandelen?”
2.13.
Bij e-mail van 23 december 2022 heeft [naam 4] aan [naam 1] en [naam 2] – kort gezegd – geschreven dat hij op een later moment inhoudelijk terug komt op hun brief van 13 december 2022. In het kader van die reactie heeft [naam 4] in diezelfde e-mail verzocht om toezending bepaalde stukken, waaronder interne jaarrekeningen en jaarstukken van [bedrijf 1] vanaf de start van de onderneming tot en 2018, de concept-jaarrekening 2022 van [bedrijf 1] , verslagen van aandeelhoudersvergaderingen, jaarplannen en bedrijfsplannen van [bedrijf 1] vanaf de start van de onderneming tot 23 december 2022.
2.14.
Bij brief van 5 januari 2023 heeft (de advocaat van) [eiser 1] en [eiser 2] [gedaagde] – kort gezegd – geschreven dat [gedaagde] reeds in bezit is van alle informatie die zij nodig heeft om de gevraagde bevestiging te kunnen geven. Verder is in die brief bevestigd dat er geen afspraken zijn gemaakt waarin wordt afgeweken van artikel 3, 4 en 6 van de Aovk. Tevens bevat de brief een schema waarin is uitgerekend welke koopprijs voor de aandelen volgens [eiser 1] en [eiser 2] is verschuldigd. De brief eindigt met een sommatie aan [gedaagde] om binnen een week te bevestigen dat de aandelen in [bedrijf 1] binnen twee weken zullen worden overgedragen aan [eiser 1] en [eiser 2] waarbij de koopprijs nihil zal zijn, dan wel een symbolisch bedrag van bijvoorbeeld € 1,-.
2.15.
Bij separate brief van 5 januari 2023 heeft (de advocaat van) [eiser 1] en [eiser 2] [gedaagde] – kort gezegd – nader toegelicht dat en waarom de door [gedaagde] verzochte informatie niet relevant is en dat de informatieverzoeken zich niet verhouden tot de omstandigheid dat [gedaagde] zich niet actief wil opstellen als bestuurder van [bedrijf 1] . Bij een derde separate brief van 5 januari 2023 heeft (de advocaat van) [eiser 1] en [eiser 2] [gedaagde] – kort gezegd – toegelicht dat de stelling van [gedaagde] dat zij wil aanblijven als bestuurder maar voor zichzelf geen actieve rol ziet onacceptabel is, nu een niet actieve bestuurder zijn taak op een onbehoorlijke wijze vervult. In dat kader hebben [eiser 1] en [eiser 2] [gedaagde] aangeraden om zich nogmaals te beraden of het verstandig is om aan te blijven als bestuurder van [bedrijf 1] .
2.16.
Bij brief van 20 januari 2023 heeft (de advocaat van) [gedaagde] – kort gezegd – toegelicht dat en waarom er geen noodzaak is tot het neerleggen van de bestuursrol door [gedaagde] en dat en waarom de verzochte nadere informatie wel benodigd is, om vervolgens (nogmaals) aan [eiser 1] en [eiser 2] te verzoeken en zo nodig te sommeren om binnen zeven dagen de volgende stukken met betrekking tot [bedrijf 1] en [bedrijf 2] te doen toekomen:“- de interne jaarrekeningen over 2014 tot en met 2018- de grootboekrekeningen over 2014 tot en met 2022- besluiten, informatie en afspraken over: - managementvergoeding - leningen en rentes - dividenduitkeringen- tussentijdse financiële cijfers over 2022- eventuele jaarplannen, bedrijfsplannen en/of vergelijkbare uitgangspunten.”Daarnaast heeft [gedaagde] (wederom) toegang tot de e-mailbox van [erflater] ( [gedaagde] ) bij [bedrijf 1] verzocht aan [eiser 1] en [eiser 2] . Tenslotte is voorgehouden dat indien niet tijdig aan de informatieverzoeken zal worden voldaan een 843a Rv procedure zal worden gestart.
2.17.
Bij e-mail van 30 januari 2023 heeft (de advocaat van) [eiser 1] en [eiser 2] [gedaagde] voor zover van belang geschreven dat [gedaagde] haar aandelen in [bedrijf 1] al had moeten overdragen, dat zij dus geen belang heeft bij de verzochte informatie en dat het in het algemeen ongebruikelijk is om informatie uit grootboekrekeningen aan aandeelhouders te verschaffen.
2.18.
In de daarop volgende periode hebben (de advocaten van) partijen nader met elkaar gecorrespondeerd waarbij zij hebben volhard in hun eerder ingenomen standpunten ten aanzien van de wijze van bepalen van de hoogte van de koopprijs voor de aandelen en in hun standpunt omtrent het al dan niet verstrekken van de door [gedaagde] gevraagde informatie.
2.19.
Bij brief van 2 maart 2023 heeft (de advocaat van) [gedaagde] voor zover van belang nog het volgende aan [eiser 1] en [eiser 2] geschreven:
“(…) Thans heeft cliënte (…) zoals ook tijdens de Algemene Vergadering besproken is, een onafhankelijke partij een waardebepaling laten uitvoeren gebaseerd op de gangbare fair market value aan de hand van de huidige jaarstukken met daarbij een correctie/normalisatie voor het onrechtmatig handelen van uw cliënten, te weten de ten onrechte gewijzigde en niet marktconforme management fees en de rente op de aandeelhoudersleningen. Conform goed gebruik is gerekend met de in de branche van de vennootschappen gehanteerde multiple 5. Deze multiple houdt rekening met een liquiditeitskorting en afslag voor een “beperkt” belang van 30%. Daaruit volgt dat de aandelen voor beide vennootschappen [ [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , vzr.] een totale waarde hebben van € 4.376.000,-. Dit heeft tot gevolg dat het aandelenbelang dat gehouden wordt door cliënte een waarde heeft in totaal ad € 1.458.500,- (…)”
3Het geschil in conventie
3.1.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen om bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
I. primair [gedaagde] te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis over te gaan tot overdracht aan [eiser 1] en [eiser 2] van alle door [gedaagde] gehouden aandelen in [bedrijf 1] , waarbij [eiser 1] en [eiser 2] ieder de helft van alle aandelen zal verkrijgen en bij een oneven aantal aandelen, één aandeel meer aan [eiser 2] zal worden overgedragen, vrij van enig beperkt en/of ander recht, zonder dat [eiser 1] en [eiser 2] hierbij een koopsom hoeven te betalen, althans tegen betaling door [eiser 1] en [eiser 2] van een bedrag van € 1,00 althans € 5.788,00 aan [gedaagde] te voldoen en [gedaagde] te veroordelen mee te werken aan het passeren van de voor overdracht vereiste notariële akte;
II. subsidiair [gedaagde] te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis over te gaan tot overdracht aan [eiser 1] en [eiser 2] van alle door [gedaagde] gehouden aandelen in [bedrijf 1] , waarbij [eiser 1] en [eiser 2] ieder de helft van alle aandelen zal verkrijgen en bij een oneven aantal aandelen, één aandeel meer aan [eiser 2] zal worden overgedragen, vrij van enig beperkt en/of ander recht, tegen betaling door [eiser 1] en [eiser 2] van een bedrag van € 13.726,00 althans € 50.726,00 aan [gedaagde] te voldoen en [gedaagde] te veroordelen mee te werken aan het passeren van de voor overdracht vereiste notariële akte;
primair en subsidiair
III. te bepalen dat voor zover [gedaagde] niet voldoet aan het primair of subsidiair gevorderde, zij een dwangsom verbeurt van € 5.000,00 te vermeerderen met € 1.000,00 voor iedere dag dat de niet nakoming langer voortduurt met een maximum van € 100.000,00 althans een in goede justitie te bepalen bedrag en te bepalen dat indien [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet, dat het vonnis in de plaats treedt van de vereiste/benodigde medewerking van [gedaagde] voor de levering van de aandelen aan [eiser 1] en [eiser 2] en dat de passerend notaris gemachtigd zal zijn alle ter zake van de eigendomsoverdracht vereiste formaliteiten te vervullen;
IV. [gedaagde] te veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[eiser 1] en [eiser 2] stellen daartoe – samengevat – het volgende. [naam 1] , [naam 2] en [erflater] zijn in 2015 overeengekomen dat indien een van hen zou komen te overlijden, dat dan de aandelen in [bedrijf 1] , die door diens persoonlijke vennootschap worden gehouden, ter overname moeten worden aangeboden aan de andere twee aandeelhouders van [bedrijf 1] . Teneinde de hoogte van de prijs van de over te dragen aandelen te kunnen bepalen hebben zij in artikel 6 van de Aovk prijsbepalingsclausules opgenomen. Als het aan [erflater] had gelegen zou er overigens een formule in artikel 6 Aovk zijn opgenomen die tot een lagere prijs voor de aandelen zou hebben geleid. Na het overlijden van [erflater] heeft [gedaagde] haar aandelen in [bedrijf 1] aangeboden en [eiser 1] en [eiser 2] hebben dat aanbod geaccepteerd, maar [gedaagde] weigert thans over te gaan tot levering van de aandelen. [gedaagde] beschikt over voldoende informatie om over te kunnen gaan tot levering. Nu [erflater] wordt aangemerkt als een good leaver geldt de formule zoals is opgenomen in artikel 6 lid 2 van de Aovk. Bij de berekening van de prijs aan de hand van die formule dient primair uitgegaan te worden van het moment van aanvaarding van het aanbod en dient subsidiair uitgegaan te worden van het moment van overlijden van [erflater] . Een waardering van de aandelen aan de hand van de fair market value zoals door [gedaagde] beoogd kan niet aan de orde zijn, gelet op de wijze waarop de onderneming van [bedrijf 1] wordt gedreven. Gelet op de lastige omstandigheden waarbinnen [bedrijf 1] momenteel opereert, er investeringen van de aandeelhouder nodig zijn die [gedaagde] niet bereid is te doen en nu [naam 4] zijn taak als indirect bestuurder onbehoorlijk vervult, hebben zij een spoedeisend belang bij hun vorderingen, aldus [eiser 1] en [eiser 2] .
3.3.
[gedaagde] voert daartegen – samengevat – het volgende verweer. Doordat [eiser 1] en [eiser 2] de gevraagde informatie niet willen verstrekken, kan [gedaagde] feitelijk geen stelling innemen over haar (rechts)positie en een eventuele levering van de aandelen. Pas nadat [gedaagde] deugdelijke informatie heeft ontvangen en nadat er duidelijkheid is over eventuele afspraken die golden tussen de aandeelhouders van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , kan er verder worden gekeken hoe een en ander moet worden uitgelegd en toegepast moet worden. Dat er een aanbiedingsplicht is staat nog niet vast. Ook de hoogte van de prijs voor de over te dragen aandelen staat nog allerminst vast. [eiser 1] en [eiser 2] hebben geen spoedeisend belang bij hun vorderingen. [gedaagde] belemmert [bedrijf 1] niet ten aanzien van moeilijke dossiers, staat niet in de weg aan investeringen en vervult haar bestuurstaak niet onbehoorlijk. Toewijzing van de vorderingen kan zeer ernstige gevolgen voor [gedaagde] hebben. Na levering van de aandelen worden de informatievoorzieningen voor [gedaagde] nog beperkter en komt zij in een eventuele bodemprocedure op grote achterstand te staan. Dit steekt temeer nu [gedaagde] bedenkingen heeft bij de huidige jaarrekeningen. De managementvergoeding in 2021 zou zijn verhoogd in verband met de NOW-subsidie, terwijl in dat jaar aan [bedrijf 1] geen NOW-subsidie is toegekend. [gedaagde] vreest dat na levering van haar aandelen omzet van [bedrijf 2] zal worden verschoven naar [bedrijf 1] . [eiser 1] en [eiser 2] hebben dan in de hand hoe laag de waarde van de aandelen in [bedrijf 2] zullen uitvallen. Deze zaak leent zich niet voor behandeling in kort geding. Ten aanzien van de berekening van de koopprijs van de aandelen is onduidelijk: (i) wat de ijkdatum van de waardebepaling is, (ii) wat de toe te passen waarderingsgrondslag is, (iii), hoe begrippen zoals intrinsieke waarde moeten worden uitgelegd, en (iv) of de juiste financiële gegevens ten grondslag liggen aan de berekening. Als wordt uitgegaan van de uitleg van [eiser 1] en [eiser 2] dan komt het neer op een verkoop tegen een veel te lage prijs, die moet worden gezien als een schenking. Nu deze schenking niet voor het overlijden is uitgevoerd, vervalt deze op grond van artikel 7:177 BW. De aandelen hoeven dus niet te worden geleverd. Nu de jaarstukken en cijfers ter discussie staan en sprake is van onregelmatigheden in de bedrijfsvoering van [bedrijf 1] , leent de formule uit artikel 6 lid 2 Aovk zich, in verband met de vennootschapsrechtelijke goede trouw en gezien de redelijkheid en billijkheid, niet langer voor toepassing. Partijen dienen terug te vallen op hetgeen in de statuten is bepaald. De vorderingen moeten worden afgewezen. Bij onverhoopte toewijzing is een dwangsom niet nodig en indeplaatsstelling van het vonnis gaat te ver, aldus [gedaagde] .
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4Het geschil in reconventie
4.1.
[gedaagde] vordert om bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
I. [eiser 1] en [eiser 2] te gebieden om aan [gedaagde] , met betrekking tot
[bedrijf 1] en [bedrijf 2] , binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis:
a. de interne jaarrekeningen (en daarmee niet de gedeponeerde versies) over 2014 tot en met 2019 ter beschikking te stellen;
b. de (concept) jaarrekening 2022 ter beschikking te stellen;
c. de grootboekrekeningen over 2014 tot en met 2022 ter beschikking te stellen, met
betrekking tot:
i. lening posities, overlopende passiva ter zake van de te betalen rentebedragen;
rentelasten per lening en NTB Rente leningen;
ii. mutaties ter zake van dividenden;
iii. managementvergoedingskosten en NTB management fee;
d. de crediteurenkaarten over de jaren 2019-2022 met betrekking tot [eiser 2] , [eiser 1] , [gedaagde] en [bedrijf 1] / [bedrijf 2] ter beschikking te stellen;
e. inzicht te geven in, althans een toelichting te geven op de besluiten, informatie en
afspraken ter zake van i) managementvergoedingen, ii) leningen en rentes, iii)
dividenduitkeringen en de onderliggende documentatie daaromtrent;
f. afschrift te geven van, althans inzicht te geven in alle relevante verslagen van
aandeelhoudersvergaderingen en (op papier of op andere wijze) vastgelegde besluiten van de aandeelhouders(vergadering) van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] vanaf de start van de onderneming tot en met de datum van het overlijden van wijlen [erflater] ;g. afschrift te geven van, althans inzicht te geven in de tussen [naam 2] , [naam 1] en wijlen de heer [erflater] gevoerde WhatsApp-correspondentie in de periode vanaf de start van de onderneming tot en met de datum van het overlijden van wijlen [erflater] ;
h. onbeperkt toegang te geven tot de mailbox, dan wel aan [gedaagde] een kopie ter
beschikking te stellen van de volledige inhoud van de mailbox (inbox, verzonden items en gearchiveerde e-mails), van wijlen [erflater] bij [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] onder het e-mailadres [e-mailadres] ;
i. afschrift te geven van, althans inzicht te geven in jaarplannen, bedrijfsplannen en
soortgelijke documenten van [bedrijf 1] vanaf de start van de onderneming tot nu;
II. [eiser 1] en [eiser 2] te gebieden om, met [gedaagde] in de cc van het bericht, de opdracht te geven aan de accountant van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , de heer [naam 7]
van Global Accounting, om [gedaagde] op haar verzoek de noodzakelijke
toelichting, reactie en informatie te geven bij/over de (concept)jaarrekeningen, 2019, 2020 en 2021 en de eventueel daarop volgende vragen van de zijde van [gedaagde] te beantwoorden;
III. [eiser 1] en [eiser 2] te veroordelen tot betaling van een dwangsom aan [gedaagde] van € 2.000,00 per (sub)gebod, per dag of dagdeel, waaronder tevens een weekenddag
begrepen, met een maximum van € 100.000,00, bij niet-nakoming van hetgeen onder nummers I. (en haar subleden) en II. van het petitum gevorderde, dan wel indien [eiser 1] en/of [eiser 2] niet de juiste en/of ondeugdelijke financiële informatie verstrekken, tot het moment dat volledige en juiste financiële informatie aan [gedaagde] verstrekt is;
IV. [eiser 1] en [eiser 2] hoofdelijk te veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
[gedaagde] stelt daartoe – samengevat – het volgende. [gedaagde] heeft recht en belang bij de gevorderde stukken en informatie. Zij heeft die stukken en informatie nodig om de door [eiser 1] en [eiser 2] geponeerde stellingen te verifiëren, de onderlinge rechtsverhoudingen (zoals rekeningcourantverhoudingen en leningen) vast te stellen, de rechtsgeldigheid en geoorloofdheid van verrichte rechtshandelingen (managementfees, leningen en dividenden) vast te stellen, en om eventueel de waarde van de aandelen vast te stellen. Duidelijk zal met die informatie worden wat de bedoelingen van partijen precies waren. Bepaalde stukken zoals de jaarrekeningen, jaarplannen en bedrijfsplannen, daar heeft een aandeelhouder gewoon recht op. Ten aanzien van de leningen bestaat nog altijd veel onduidelijkheid. Beantwoording van de door de forensisch deskundige gestelde vragen is noodzakelijk om vast te kunnen stellen of de posities van de leningen in de jaarrekeningen kloppend zijn. Wat ook van belang is voor de waarde van de aandelen. Die vragen kunnen worden beantwoord aan de hand van bijvoorbeeld over te leggen grootboekkaarten. De managementfee-bedragen in de jaarrekeningen lijken niet aan te sluiten bij de werkelijk verrichte betalingen. Een hogere managementfee leidt tot een lagere winst en dus een lagere prijs voor de aandelen. Onduidelijk is of de managementfee aan [gedaagde] wel volledig is uitbetaald. Grootboekkaarten en crediteurenkaarten kunnen hierin duidelijkheid verschaffen. Ondanks de gestelde onmogelijkheid om dividend uit te keren in 2020 en 2021 zou er in die jaren volgens de (concept)jaarrekening toch dividend zijn uitgekeerd. Deze onduidelijkheid kan worden opgehelderd aan de hand van de gevorderde interne jaarrekeningen en grootboekkaarten. Ten slotte heeft [gedaagde] recht en belang bij toegang tot de e-mailbox van wijlen [erflater] . [gedaagde] is (indirect) bestuurder van [bedrijf 1] en dient alleen om die reden al toegang te hebben tot de eerdere mailbox die werd gebruikt door [gedaagde] . De mailbox kan een verhelderend inzicht geven. [naam 4] heeft in zijn hoedanigheid als executeur en opvolgend bestuurder van [gedaagde] de toegang tot die mailbox nodig om te kunnen vaststellen wat de precieze vermogensrechtelijke situatie van wijlen [erflater] is. Dit is ook nodig voor de afwikkeling van de nalatenschap. Partijen kunnen pas tot een oplossing komen als iedereen over de juiste informatie beschikt. Voordat [gedaagde] zelf de jaarrekeningen over 2021 en 2022 kan vaststellen dient zij ook over de gevraagde stukken te beschikken. Zij heeft dus een spoedeisend belang bij haar vorderingen, aldus [gedaagde] .
4.3.
[eiser 1] en [eiser 2] voeren daartegen – samengevat – het volgende verweer. [gedaagde] beschikt reeds over alle informatie die zij nodig heeft. Die informatie is opgenomen in de jaarrekeningen waarbij de accountant van [bedrijf 1] een samenstellingsverklaring heeft afgegeven. Dat volstaat. [eiser 1] en [eiser 2] hebben niets te verbergen. Betwist wordt dat [gedaagde] haar informatieverzoeken heeft gedaan in haar hoedanigheid als bestuurder. [gedaagde] zoekt kennelijk een excuus om zich te kunnen verzetten tegen de nakoming van de Aovk. Zij is bezig met een fishing expedition. Het verrichte forensisch onderzoek is onvoldragen en de bevindingen kunnen niet gebruikt worden in deze procedure. Als [gedaagde] informatie wil verkrijgen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] dient zij jegens hen een vordering in te stellen en niet tegen [eiser 1] en [eiser 2] . [eiser 1] en [eiser 2] zijn bovendien geen bestuurders van [bedrijf 2] , dat zijn namelijk [naam 1] en [naam 2] , maar die zijn geen partij in deze procedure. Een vordering in reconventie ten aanzien van [bedrijf 2] staat ook in een te ver verwijderd verband van de zaak in conventie. [gedaagde] vordert deels informatie die al aan haar is verstrekt. Zij vordert informatie waarbij zij geen belang heeft. Zij vordert documenten waarvan zij moet weten dat die nog niet bestaan, zoals de concept jaarrekening 2022. Ook vordert zij documenten waarvan zij niet weet of deze bestaan en die veel te weinig concreet zijn omschreven. Het informatierecht van een aandeelhouder strekt overigens niet tot het kunnen vaststellen van de positie van de erven van [erflater] . [gedaagde] is bovendien geen erfgenaam van [erflater] . De door [gedaagde] aangehaalde jurisprudentie met betrekking tot de toegang tot de e-mail inbox is niet van toepassing op deze kwestie. Nu tussen [erflater] en [eiser 1] en [eiser 2] niet is overeengekomen dat de inbox aan [erflater] ter beschikking zou worden gesteld, is deze inbox niet voor overgang vatbaar. Al met al dienen de vorderingen in conventie te worden afgewezen, aldus [eiser 1] en [eiser 2] .
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5De beoordeling in conventie5.1. Het door [eiser 1] en [eiser 2] in conventie gevorderde kan in kort geding alleen worden toegewezen, indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter het standpunt van [eiser 1] en [eiser 2] zal volgen, bijvoorbeeld als [gedaagde] een kennelijk ongegrond verweer voert, en indien van [eiser 1] en [eiser 2] niet kan worden gevergd dat zij de uitslag van de bodemprocedure afwachten.
5.2.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben een voldoende spoedeisend belang bij het gevorderde, nu de aandeelhouders van [bedrijf 1] tevens bestuurder van [bedrijf 1] zijn en [gedaagde] door het overlijden van [erflater] aan het bestuurderschap geen invulling meer kan geven zoals voorheen, terwijl de verhoudingen tussen [gedaagde] en de overige aandeelhouders zijn verstoord en vast staat dat de aandelen van [gedaagde] aan [eiser 1] en [eiser 2] zullen moeten worden overgedragen, omdat dit in de Aovk is bepaald. In beginsel wordt dat ook wel erkend door [gedaagde] , maar staat onenigheid over de prijs aan de uitvoering van die verplichting in de weg.
5.3.
Voor de bepaling van de prijs is de Aovk het uitgangspunt. Omdat geen van de partijen bij die overeenkomst wist wie mogelijk in de situatie zou komen dat de formule van prijsbepaling aan de orde zou komen, is het niet onredelijk of onbillijk om die toe te passen. Ook al leidt de formule zoals vastgelegd in artikel 6 lid 2 van de Aovk tot een (zeer veel) lagere prijs dan toepassing van normale waarderingsmaatstaven. De gemaakte afspraak moet daarbij worden gezien tegen de achtergrond van de aard van de onderneming, te weten een bedrijf in de dienstensector en het feit dat het hier gaat om een samenwerking van drie partners, waarbij de persoonlijke arbeidsinzet en de persoonlijke relaties van elk van hen in het veld de meest bepalende factor was in het succes van de onderneming. Daarbij past niet een formule die de waarde van een onderneming los van de arbeidsinzet van de aandeelhouders bepaalt op basis van eerdere winstgevendheid en daarop een multiplier toepast.
5.4.
Echter dient er wel rekening te worden gehouden met de eisen van redelijkheid en billijkheid. De vraag die daarbij gesteld moet worden is dan of de formule ook kan worden toegepast in een situatie die door (afwijkende) bijzondere omstandigheden een prijs oplevert die negatief is, althans aanzienlijk afwijkt van de bandbreedte die voorzien kon worden ten tijde van het sluiten van de Aovk.
5.5.
De bijzondere omstandigheid waarmee in ieder geval rekening gehouden dient te worden is de verhoging van de managementfees in de jaren 2020 en 2021 en een daardoor ontstane lagere winst.
5.6.
[gedaagde] heeft een beroep gedaan op artikel 7:177 BW (vervallen van schenking door de dood van de schenker). Dat beroep faalt, want bij sluiten van de Aovk was niet bekend wie van de lagere prijs dan de marktwaarde voor- of nadeel zou hebben en het was ook heel goed mogelijk dat de clausule nooit gebruikt zou worden. Dus is de Aovk niet een overeenkomst om niet waarbij de ene partij, de schenker, ten koste van eigen vermogen de andere partij, de begiftigde, verrijkt (als bedoeld in artikel 7:175 lid 1 BW).
5.7.
Voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat de prijs voor de aandelen dient te worden bepaald aan de hand van de formule zoals genoemd in artikel 6 lid 2 van de Aovk, doch met toepassing van een correctie vanwege de hiervoor genoemde bijzondere omstandigheid. Redelijk is om de berekening te corrigeren naar de situatie dat in de jaren 2020 en 2021 de managementfees niet zouden zijn verhoogd, maar dat de managementfees gelijk waren gebleven aan die van het jaar 2019.
5.8.
[erflater] is overleden in het jaar 2022 en het aanbieden van de aandelen vond ook plaats in het jaar 2022. Derhalve zijn de jaren 2019 tot en met 2021 relevant voor de prijsbepaling. Voor de intrinsieke waarde van de aandelen is de jaarrekening 2021 relevant. Anders dan [eiser 1] en [eiser 2] menen is niet aannemelijk dat moet worden uitgegaan van de intrinsieke waarde op de datum van overlijden of de datum waarop de aandelen zijn aangeboden.
5.9.
Als dan de prijs van de aandelen wordt berekend aan de hand van de formule als bedoeld in artikel 6 lid 2 Aovk gaat dat als volgt. De intrinsieke waarde van de vennootschap is volgens de jaarrekening 2021 gelijk aan € 17.364,00. Als ervan uitgegaan wordt dat de managementfee in 2020 en 2021 niet zou zijn verhoogd en er schattenderwijs vanuit wordt gegaan dat dan de winst na belasting in die jaren gelijk was gebleven aan de winst na belasting in 2019, dan zou de gemiddelde netto winst na belasting over drie jaar een bedrag van € 148.697,00 zijn en zou de goodwill, na aftrek van € 100.000,00 neerkomen op een bedrag van € 48.697,00. Als daarbij voornoemde intrinsieke waarde wordt opgeteld, komt de waarde van de aandelen neer op een totaalbedrag van € 66.061,00. De waarde van het aandelenbelang van [gedaagde] is een derde van dat bedrag, wat neerkomt op € 22.020,33.
5.10.
Al met al is voldoende aannemelijk dat de bodemrechter [gedaagde] zal veroordelen om over te gaan tot levering van haar aandelen in [bedrijf 1] aan [eiser 1] en [eiser 2] tegen betaling door [eiser 1] en [eiser 2] van het hiervoor genoemde bedrag van € 22.020,33. Van [eiser 1] en [eiser 2] kan gelet op hun spoedeisend belang niet worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwachten.
5.11.
Dit leidt tot de conclusie dat is voldaan aan het onder 5.1 genoemde criterium, zodat de subsidiaire vordering zal worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing is vermeld. Een termijn van veertien dagen om aan dit vonnis te voldoen wordt redelijk geacht.
5.12.
De gevorderde dwangsom zal als prikkel tot nakoming worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing is vermeld. Voor het geval dat [gedaagde] niet vrijwillig aan de veroordeling zal voldoen en zij de dwangsommen maximaal heeft verbeurd zal om praktische redenen nu reeds worden bepaald dat het vonnis op dat moment in de plaats treedt van de vereiste medewerking (volmacht) van [gedaagde] voor de overdracht van de aandelen en het verlijden van de daartoe noodzakelijke notariële akte van levering.
5.13.
[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] worden begroot op:
- dagvaarding € 106,73
- griffierecht 676,00
- salaris advocaat 1.079,00
Totaal € 1.861,73.
5.14.
De nakosten zullen worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing is vermeld.
6De beoordeling in reconventie
6.1.
De vordering in reconventie is gebaseerd op artikel 843a Rv. Deze bepaling verbindt vier cumulatieve voorwaarden aan de toewijsbaarheid van een dergelijke vordering: 1) degene die de vordering instelt moet op dat moment een rechtmatig belang hebben, 2) het moet gaan om bepaalde bescheiden, 3) aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is en 4) degene van wie de bescheiden worden gevraagd moet deze te zijner beschikking of onder zijn berusting hebben. Is aan deze voorwaarden voldaan, dan bestaat niettemin geen gehoudenheid tot overlegging van bescheiden, indien daarvoor gewichtige redenen bestaan of indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.
6.2.
Voor zover [eiser 1] en [eiser 2] hebben gesteld dat voor toewijzing van de in reconventie gevorderde bescheiden en informatie geen aanleiding is in geval van toewijzing van de vordering in conventie geldt het volgende. Voor zover de vorderingen in reconventie toewijsbaar zijn en zullen worden toegewezen kan de daarmee door [gedaagde] verkregen informatie voor haar nuttig zijn in het licht van een eventuele bodemprocedure.
6.3.
Voor zover er gegevens worden gevorderd die van belang zijn voor het bepalen van de positie van een aandeelhouder binnen de vennootschap [bedrijf 1] , geldt dat daar geen belang bij is nu de aandelen moeten worden overgedragen.
6.4.
[gedaagde] heeft alleen rechtmatig belang bij stukken die van belang zijn bij de bepaling van de koopprijs van de aandelen – derhalve financiële stukken over de jaren 2019 tot en met 2021 – en bij specifieke stukken met betrekking tot de financiële verhouding tussen [gedaagde] en [bedrijf 1] .
6.5.
Gelet op het voorgaande heeft [gedaagde] enkel een rechtmatig belang bij de overlegging van de bescheiden zoals weergegeven in 4.1 onder I sub c en d, met dien verstande dat zij slechts een rechtmatig belang heeft ten aanzien van: (i) bescheiden met betrekking tot [bedrijf 1] en dus niet met betrekking tot [bedrijf 2] , (ii) de jaren 2019 tot en met 2021, en (iii) wat de crediteurenkaarten betreft alleen die met betrekking tot [gedaagde] .
Echter is ten aanzien van deze bescheiden niet voldaan aan de overige voorwaarden zoals hiervoor onder 6.1 genoemd. In dit geding zijn immers alleen [eiser 1] en [eiser 2] als aandeelhouders van [bedrijf 1] partij, terwijl de gevraagde bescheiden berusten onder [bedrijf 1] . De vorderingen zoals weergegeven in 4.1 onder I sub e en sub f zijn bovendien te onbepaald.
6.6.
Voor toewijzing van de vordering zoals weergegeven onder 4.1 sub II is geen rechtsgrond. Het verdient echter wel aanbeveling om aan een dergelijk verzoek (mits redelijk) van [gedaagde] vrijwillig te voldoen. Dit kan immers bijdragen aan beter werkbare verhoudingen tussen partijen.
6.7.
Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen in reconventie geheel zullen worden afgewezen.
6.8.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] worden begroot op € 539,50 (factor 0,5 × tarief € 1.079,00) aan salaris advocaat.
7De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie
7.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis over te gaan tot overdracht aan [eiser 1] en [eiser 2] van alle door [gedaagde] gehouden aandelen in [bedrijf 1] , waarbij [eiser 1] en [eiser 2] ieder de helft van alle aandelen zal verkrijgen en bij een oneven aantal aandelen, één aandeel meer aan [eiser 2] zal worden overgedragen, vrij van enig beperkt en/of ander recht, tegen betaling door [eiser 1] en [eiser 2] van een bedrag van € 22.020,33 aan [gedaagde] te voldoen en veroordeelt [gedaagde] tot het meewerken aan het passeren van de voor overdracht vereiste notariële akte,
7.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser 1] en [eiser 2] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag dat zij niet aan de in 7.1 uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,
7.3.
bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vereiste medewerking (volmacht) van [gedaagde] (als bedoeld in artikel 3:300 lid 1 BW) voor de overdracht van de aandelen en het verlijden van de daartoe noodzakelijke notariële akte van levering, indien [gedaagde] niet binnen 114 dagen voldoet aan de veroordeling onder 7.1,
7.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] tot op heden begroot op € 1.861,73, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag van volledige voldoening,
7.5.
veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] , begroot op € 163,00 voor salaris advocaat, te vermeerderen met € 85,00 en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag van volledige voldoening,
7.6.
verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
7.7.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
7.8.
weigert de gevraagde voorzieningen,
7.9.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] tot op heden begroot op € 539,50, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag van volledige voldoening,
7.10.
verklaart deze kostenveroordeling in reconventie uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J.E. Tiddens, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2023.
Bij afwezigheid van mr. R.H.C. Jongeneel, is dit vonnis ondertekend door mr. I.H.J. Konings, voorzieningenrechter, die het vonnis uitsprak.
type: JT
coll: LO