Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2023:6459

2023-09-28 Strafrecht; Europees strafrecht 13/182842-23
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2023-09-28
Publicatiedatum
2023-10-16
Rechtsgebied
Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure
Eerste en enige aanleg
Zaaknummer
13/182842-23
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Pools vervolgings-EAB. Het feit (het niet betalen van kinderalimentatie) is naar Nederlands recht niet strafbaar. De rechtbank ziet echter af van weigering op dit punt, nu het feit onvoldoende aanknopingspunten heeft met de Nederlandse rechtsorde. Het feit is begaan in Polen door een Poolse onderdaan tegen een andere Poolse onderdaan. De opgeëiste persoon kan bovendien niet gelijkgesteld worden met een Nederlander, zodat overname van de straf door Nederland niet mogelijk is. Weigering van de overlevering zou leiden tot straffeloosheid, hetgeen voorkomen dient te worden. Het door de raadsman gevoerde evenredigheidsverweer slaagt niet. Ambtshalve overwegingen t.a.v. de Poolse rechtsorde (artikel 11 OLW). De rechtbank staat de overlevering toe.

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.619 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER



Parketnummer: 13/182842-23




Datum uitspraak: 28 september 2023







UITSPRAAK





op de vordering van 25 juli 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 3 maart 2022 door the Regional Court in Szczecin (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:




[opgeëiste persoon],

geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1978,
opgegeven woon- of verblijfplaats: [adres], [woonplaats],



hierna ‘de opgeëiste persoon’.





1Procesgang


De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 14 september 2023 in aanwezigheid van mr. G.M. Kolkman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda, die waarnam voor zijn kantoorgenoot, mr. J.C. Sneep. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Poolse taal.



De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.





2Identiteit van de opgeëiste persoon


Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.





3Grondslag en inhoud van het EAB


Het EAB vermeldt een decision of the District Court in Choszczno van 27 mei 2021 met referenties II Kp 83/21 en PR Ds 222.2019 of the District Prosecutor’s Office in Choszczno.



De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Pools recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.





4Strafbaarheid


4.1


Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.




4.2.


Standpunt van de raadsman

De overlevering voor het vonnis dient te worden geweigerd. Het feit waarvoor overlevering wordt gevraagd, het niet betalen van kinderalimentatie, is niet strafbaar naar Nederlands recht. Voorts zijn er ten aanzien van het feit aanknopingspunten te vinden met de Nederlandse rechtsorde. De opgeëiste persoon woonde immers gedurende een gedeelte van de periode waarop de niet nagekomen alimentatieverplichting ziet in Nederland. Het feit is dus deels begaan op Nederlands grondgebied. De raadsman verzoekt de rechtbank gebruik te maken van haar bevoegdheid om de overlevering op grond van artikel 7 OLW te weigeren.




4.3


Standpunt van de officier van justitie

Het niet betalen van alimentatie is weliswaar niet strafbaar naar Nederlands recht, maar van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 7 OLW dient te worden afgezien nu er geen aanknopingspunten zijn met de Nederlandse rechtsorde. Het feit is begaan in Polen door een Poolse onderdaan tegen een andere Poolse onderdaan. Daarbij zou weigering van de overlevering leiden tot straffeloosheid. Polen ontvluchten om onder alimentatieverplichtingen uit te komen mag niet lonen. De officier van justitie heeft ter onderbouwing van haar standpunt onder andere verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 januari 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:62.




4.4


Oordeel van de rechtbank

Het feit zoals omschreven in het EAB is naar Nederlands recht niet strafbaar. De rechtbank kan aan de hand van het EAB immers niet vaststellen dat de opgeëiste persoon tijdens het begaan van dit feit (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het in een hulpeloze toestand brengen of laten van zijn kind zoals bedoeld in artikel 255 van het Wetboek van Strafrecht.



De rechtbank ziet echter – anders dan de raadsman – aanleiding om van weigering af te zien, omdat het feit onvoldoende aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde heeft. Het feit is begaan in Polen door een Poolse onderdaan tegen een andere Poolse onderdaan. De opgeëiste persoon kan bovendien niet gelijkgesteld worden met een Nederlander, zodat overname van de straf door Nederland niet mogelijk is. Weigering van de overlevering zou leiden tot straffeloosheid, hetgeen voorkomen dient te worden.



Het verweer wordt verworpen.










5Evenredigheidsverweer


5.1


Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft betoogd dat overlevering onevenredig bezwarend is voor de opgeëiste persoon en dat de overlevering daarom geweigerd dient te worden. De opgeëiste persoon komt slechts een half jaar ononderbroken rechtmatig verblijf tekort om voor gelijkstelling met een Nederlander in de zin van artikel 6 OLW in aanmerking te komen. Ook ontbreekt de dubbele strafbaarheid, nu het feit naar Nederlands recht niet strafbaar is. De opgeëiste persoon is daarnaast altijd welwillend geweest om de alimentatie aan zijn ex-partner te betalen, maar een afhoudende opstelling van zijn ex-partner heeft tot gevolg gehad dat hij niet in staat is geweest aan zijn alimentatieverplichting te voldoen. Daarnaast is van belang dat overlevering schrijnende gevolgen zal hebben voor de zoon van de opgeëiste persoon, die financieel afhankelijk is van zijn vader.



Recent is er namens de opgeëiste persoon een verzoek ingediend om het verhoor inzake de Poolse strafvervolging plaats te laten vinden bij het Poolse consulaat in Den Haag. De opgeëiste persoon is in afwachting van een beslissing op dat verzoek. De raadsman verzoekt de rechtbank om de zaak drie maanden aan te houden in afwachting van die beslissing.




5.2


Standpunt van de officier van justitie

Een beroep op de onevenredigheid van een EAB zal slechts onder bijzondere omstandigheden slagen. De situatie waarin de opgeëiste persoon verkeert is vervelend, maar niet zo uitzonderlijk dat van overlevering dient te worden afgezien.



Het verzoek van de raadsman om de zaak voor drie maanden aan te houden, dient te worden afgewezen omdat de rechtbank is gebonden aan de wettelijke beslistermijn.




5.3


Oordeel van de rechtbank

Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van (on)evenredigheid van de overlevering dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de zogenaamde stelselevenredigheid van de OLW en de evenredigheid in een concreet geval. Het stelsel van de OLW is, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit, gebaseerd op het uitgangspunt dat het gebruik van de bevoegdheden tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken.



Dat neemt niet weg dat overlevering in een concreet individueel geval onder omstandigheden onevenredig bezwarend kan zijn voor de opgeëiste persoon. Gelet op de stelselevenredigheid kan een beroep op de onevenredigheid van een EAB echter slechts onder bijzondere omstandigheden slagen. Hoewel de rechtbank oog heeft voor de persoonlijke belangen van de opgeëiste persoon is naar het oordeel van de rechtbank van zulke bijzondere omstandigheden in het onderhavige geval niet gebleken. De rechtbank verwerpt het verweer.



Het aanhoudingsverzoek van de raadsman wijst de rechtbank af. Hierbij is van belang dat de Poolse autoriteiten het EAB niet hebben ingetrokken en dus nog steeds de overlevering van de opgeëiste persoon wensen. De rechtbank ziet daarom, mede gelet op de wettelijke beslistermijn, geen aanleiding om de zaak aan te houden.






6Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU


De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.



Nu geen elementen zijn aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van de strafzaak van de opgeëiste persoon, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.





7Slotsom


De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.





8Toepasselijke wetsartikelen


De artikelen 2, 5 en 7 OLW.





9Beslissing



STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Regional Court in Szczecin (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.




Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. A.K. Glerum en M. Westerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 september 2023.













































Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.





Zie artikel 23 Overleveringswet.


Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.


Zie onderdeel e) van het EAB.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank van 1 maart 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ3203.


Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.


Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).