Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2023:2522

2023-03-31 Civiel recht; Verbintenissenrecht 10301565 \ CV EXPL 23-1351
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2023-03-31
Publicatiedatum
2023-04-21
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
10301565 \ CV EXPL 23-1351
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

PV mondelinge uitspraak. Nakoming overeenkomst. Vervulling voorwaarde uit ovk. Beletten vervullen voorwaarde 6:23 BW. Recht op redelijk loon 7:411 BW.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.961 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM


Afdeling privaatrecht





Zaaknummer: 10301565 \ CV EXPL 23-1351




proces-verbaal van mondelinge uitspraak van 31 maart 2023




in de zaak van





[eiser]
,
wonende te Hilversum,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. F.E. de Neef,



tegen




ACADEMICA UNIVERSITY OF APPLIED SCIENCES BV,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Academica,
vertegenwoordigd door haar statutair bestuurder [naam 1] .




De zitting wordt gehouden op de rechtbank in Amsterdam. Deze zitting wordt gehouden op grond van de beslissing van 10 februari 2023.



De zaak wordt behandeld door mr. T.T. Hylkema, kantonrechter, en mr. E.H. van Kolfschooten als griffier.



Aanwezig zijn:

- [eiser] , voornoemd,
- mr. De Neef, voornoemd,
- [naam 1] , statutair bestuurder van Academica,
- [naam 2] , directeur van Academica.


Tot de nagekomen stukken behoren:

- de aanvullende productie 12 van [eiser] van 17 maart 2023.


In deze zaak heeft heden een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De aantekeningen van de zitting bevinden zich in het dossier. De kantonrechter heeft bepaald dat de uitspraak mondeling zal worden gedaan.



De kantonrechter doet de volgende uitspraak.





1De beoordeling


1.1.

Niet in geschil is dat [eiser] werkzaamheden heeft verricht voor Academica. Die werkzaamheden bestonden uit het werven van interim-directeuren die vervolgens door Academica zouden worden geplaatst bij onderwijsinstellingen. [eiser] eist betaling van zijn gewerkte uren en betaling van de afgesproken margevergoeding. [eiser] eist in deze procedure bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. Academica te veroordelen tot betaling van € 7.560, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 19 oktober 2022;
II. Academica te veroordelen tot betaling van € 738 aan buitengerechtelijke incassokosten;
III. Academica te veroordelen tot betaling van € 14.400 terzake van het overeengekomen aandeel van [eiser] in de opslag van 30% over de honoraria van de te plaatsen interim-directeuren;
IV. Academica te veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.




1.2.

[eiser] legt aan zijn vordering de afspraken die hij met Academica heeft gemaakt ten grondslag. [eiser] wil dat Academica deze afspraken nakomt.



1.3.
De afspraken tussen [eiser] en Academica zijn vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst met een looptijd van 1 juli 2021 tot 30 juni 2022. In deze overeenkomst is over betaling van de werkzaamheden van [eiser] het volgende opgenomen:


“(…) 5.3 Tot uitbetaling van de opgebouwde verrichte werkzaamheden aan Opdrachtnemer [ [eiser] ] wordt overgegaan nadat Partijen daadwerkelijk inkomsten genereren via de geplaatste interim-directeuren. (…)”




1.4.
Academica noemt deze afspraak over betaling aan [eiser] een ‘no cure no pay-afspraak’. Zo zou je deze afspraak inderdaad kunnen zien.



1.5.
Vaststaat in ieder geval dat de genoemde voorwaarde niet is vervuld; er zijn geen interim-directeuren die door [eiser] zijn geworven ingezet door Academica. Dat betekent dat [eiser] in beginsel geen recht heeft op een vergoeding van zijn werkzaamheden. Dat was niet anders geweest als de overeenkomst tussen [eiser] en Academica nog steeds zou lopen.



1.6.

[eiser] heeft twee argumenten aangevoerd waarom hij toch betaald zou moeten worden: een beroep op artikel 7:411 Burgerlijk Wetboek (BW) en een beroep op artikel 6:23 BW.



1.7.
Het eerste argument (het beroep op artikel 7:411 BW) houdt in dat de overeenkomst tussen [eiser] en Academica na juli 2022 stilzwijgend is verlengd en vervolgens is opgezegd door Academica. Op grond van artikel 7:411 BW moet in dat geval een redelijk deel van het loon worden betaald, aldus [eiser] . Dat argument slaagt niet. Ook al zou de overeenkomst stilzwijgend zijn verlengd – volgens [eiser] door het blijven verrichten van werkzaamheden, onder meer het organiseren van de bijeenkomst op 7 september 2022 – dan nog doorkruist de wettelijke bepaling van artikel 7:411 BW niet de contractuele ‘no cure no pay-afspraak’ die in de overeenkomst staat. De afspraak was nu eenmaal dat [eiser] pas betaald zou krijgen als een interim-directeur zou worden ingezet en Academica daarmee inkomsten zou genereren. Die situatie heeft zich niet voorgedaan.



1.8.

Het tweede argument van [eiser] is een beroep op artikel 6:23 BW. In dit artikel staat in lid 1:
“Wanneer de partij die bij de niet-vervulling belang had, de vervulling heeft belet, geldt de voorwaarde als vervuld, indien redelijkheid en billijkheid dit verlangen.”
Met andere woorden, als betaling afhankelijk is van vervulling van een voorwaarde en de andere contractspartij belet/ verhindert dat die voorwaarde wordt vervuld, dan moet onder omstandigheden toch betaald worden.
Maar dan moet wel komen vast te staan dat Academica de vervulling van die voorwaarde daadwerkelijk heeft belet. Daar is geen sprake van. Academica heeft een andere beleidskeuze gemaakt, door te stoppen met het project om interim-directeuren te werven en te plaatsen. Dat stond haar vrij, Academica was niet verplicht jegens [eiser] om het project voort te zetten of de door [eiser] aangedragen interim-directeuren te plaatsen.




1.9.
De conclusie die hieruit volgt, is dat de twee argumenten van [eiser] voor betaling van zijn werkzaamheden niet slagen. Dat betekent dat [eiser] geen aanspraak kan maken op vergoeding van zijn werkzaamheden.



1.10.
De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen.



1.11.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van Academica op nihil, omdat Academica geen griffierecht heeft betaald en procedeerde in persoon.






2De beslissing


De kantonrechter



2.1.
wijst de vorderingen af,



2.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Academica tot dit vonnis vastgesteld op nihil.




Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de kantonrechter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.