Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2023:2454
2023-04-26
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/13/709786 / FA RK 21-7167 en C/13/725440 / FA RK 22-7171
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Echtscheiding en nevenvoorzieningen
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (31.298 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken
zaaknummer / rekestnummer: C/13/709786 / FA RK 21-7167 (JK/SV) en C/13/725440 / FA RK 22-7172 (JK/SV)
Beschikking d.d. 26 april 2023 betreffende de echtscheiding
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. K. Tülü, gevestigd te Haarlem,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. W. Matadien, gevestigd te Amsterdam.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 16 november 2021;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- het F9-formulier met bijlagen van 18 augustus 2022 van de zijde van de man;
- het gewijzigd/aanvullend verzoek van de man van 5 maart 2023;
- het gewijzigd/aanvullend verzoek van de vrouw van 5 maart 2023;
- het F9-formulier met bijlage van de man van 8 maart 2023.
1.2.
Bij de stukken bevindt zich een door beide partijen ondertekend ouderschapsplan.
1.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 maart 2023.
Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en mevrouw M. Priem, tolk in de Turkse taal, en de man, bijgestaan door zijn advocaat en de heer T. Cetikaya, tolk in de Turkse taal. De advocaat van de man heeft pleitaantekeningen overgelegd. Dezen zijn aan het procesdossier toegevoegd.
1.4.
Na de mondelinge behandeling heeft de rechtbank nog de volgende stukken ontvangen:
het F9-formulier met bijlagen van 22 maart 2023 van de zijde van de vrouw;
het F9-formulier met bijlagen van 26 maart 2023 van de zijde van de man.
1.5.
De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken.
2. De beoordeling
2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op 14 juni 2010 te Amsterdam. Partijen hebben de Nederlandse en de Turkse nationaliteit.
2.2.
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats] , België en
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats] , België.
2.3.
Scheiding
2.3.1.
Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
2.3.2.
Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift beide partijen in ieder geval de Nederlandse nationaliteit bezaten, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
2.3.3.
Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
Inhoudelijke beoordeling
2.3.4.
Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.
2.4.
Verblijfplaats
2.4.1.
Beide partijen hebben verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw zal zijn.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
2.4.2.
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen.
Inhoudelijke beoordeling
2.4.3.
De rechtbank wijst de verzoeken toe, mede nu dit in het belang van de minderjarigen wordt geacht te zijn.
2.5.
Zorgregeling
2.5.1.
In afwijking van het ouderschapsplan heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de man de minderjarigen van zaterdag 12.00 uur tot zondag 12.00 uur en de helft van de vakanties bij zich zal hebben. De vrouw heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat zij wil weten waar zij aan toe is. Nu neemt de man contact op met de dochter om afspraken te maken en dat vindt de vrouw niet wenselijk. Het gaat nu te ad hoc en daardoor raken de kinderen teleurgesteld.
2.5.2.
De man heeft verweer gevoerd. Hoewel hij zou willen dat de minderjarigen bij hem overnachten, is dat gelet op zijn huidige woonsituatie op dit moment niet mogelijk. Ook een vaste dag afspreken is lastig, omdat hij werkt als touringcarchauffeur. Daardoor is hij soms tien dagen achterelkaar onderweg. Zijn rooster krijgt hij pas kort van te voren. Chauffeurs die er al langer werken krijgen het rooster wel eerder en hij hoopt daarom dat hij te zijner tijd met rooster ook eerder krijgt . Een vaste dag zou echter nu alleen maar voor teleurstellingen zorgen. De man stemt nu af met de minderjarigen wanneer hij iets leuks met hen kan doen. Hij wil deze situatie graag laten voortduren, maar dan in overleg met de vrouw in overleg met de vrouw zolang dat nodig is en hij geen woonruimte heeft waar hij de minderjarigen kan ontvangen.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
2.5.3.
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot vaststelling van een zorgreling tussen de man en de minderjarigen.
Inhoudelijke beoordeling
2.5.4.
De rechtbank overweegt dat op dit moment, gelet op de woonsituatie van de man en zijn baan als touringcarchauffeur, de door de vrouw verzochte zorgregeling praktisch niet haalbaar is. Haar verzoek wijst de rechtbank af. Het is wel gewenst dat de minderjarigen op regelmatige basis contact hebben met de man. Gebleken is dat beide partijen dit ook belangrijk vinden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen afgesproken dat zij via de e-mail met elkaar zullen communiceren over de zorgregeling. De man zal de vrouw zo tijdig als mogelijk informeren wanneer hij in Nederland is en op welke dag hij de minderjarigen bij zich kan hebben. De man zal de vrouw tijdig informeren en niet op de dag zelf. De rechtbank zal daarom deze zorgregeling in de beschikking vastleggen, mede nu dit in het belang van de minderjarigen is.
2.6.
Woning
2.6.1.
Beide partijen hebben verzocht om het huurrecht van de woning aan de vrouw toe te kennen.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
2.6.2.
De woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het huurrecht van deze woning.
2.6.3.
De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
2.6.4.
De rechtbank zal de verzoeken van partijen als op de wet gegrond toewijzen.
2.7.
Kinderbijdrage
2.7.1.
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen € 25,- per kind per maand zal betalen.
2.7.2.
De man heeft gesteld dat hij bereid is dit bedrag te betalen, hoewel hij een laag en wisselend inkomen heeft.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
2.7.3.
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij op grond van artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen.
2.7.4.
De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het recht van Nederland op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen toepassen, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
Inhoudelijke beoordeling
2.7.5.
Door de man is onweersproken gesteld dat hij een wisselend inkomen heeft van tussen de € 500,- en € 1.000,- netto per maand. Uit de draagkrachttabel 2023 volgt dat de man in dat geval een bijdrage van € 50,- per maand voor beide kinderen dient te betalen. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw daarom toe.
2.8.
Verdeling
2.8.1.
Beide partijen hebben een verzoek gedaan tot verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
2.8.2.
Nu de Nederlandse rechter op grond van de Brussel II-bis Verordening rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen.
2.8.3.
Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing.
2.8.4.
Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze in de zin van het Verdrag hebben uitgebracht. Ten tijde van de huwelijkssluiting dan wel kort daarna hadden partijen alleen de Turkse nationaliteit gemeenschappelijk. Partijen hebben hun eerste gewone verblijfplaats in de zin van het Verdrag gevestigd in Nederland. Op grond van artikel 4, lid 2 onder 2a van het Verdrag is daarom vanaf de datum van de huwelijkssluiting het Turkse recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen.
De man heeft op 29 oktober 2013 de Nederlandse nationaliteit verkregen, welke de vrouw reeds bezat. Nu partijen op dat moment in België woonachtig waren, levert dat nog geen wijziging van het toepasselijk recht op. Vanaf het moment dat partijen zich op 10 oktober 2014 weer in Nederland hebben gevestigd, wijzigt op grond van artikel 7, lid 2 onder 2 van het Verdrag het toepasselijk recht en is vanaf dat moment het Nederlandse recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime. Dit betekent dat in de periode 14 juni 2010 tot 10 oktober 2014 het Turkse recht van toepassing is en dat partijen vanaf 10 oktober 2014 naar Nederlands recht in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd.
Inhoudelijke beoordeling
2.8.5.
De rechtbank overweegt dat hoewel partijen een convenant hebben ondertekend, geen van partijen nakoming van het convenant heeft verzocht. In plaats daarvan hebben beide partijen een verzoek gedaan tot verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat partijen over de verdeling niet tot overeenstemming zijn gekomen, daarom niet gehouden zijn aan de inhoud van het convenant en zal de (wijze) van verdeling vaststellen. .
Peildatum
2.8.6.
De peildatum voor de omvang en samenstelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap is de datum waarop het echtscheidingsverzoek bij de rechtbank is ingediend, te weten 11 november 2021. De peildatum voor de waardering van de verschillende vermogensbestanddelen is de datum waarop de verdeling feitelijk plaatsvindt dan wel een datum daar zo dicht mogelijk bij gelegen zoals de datum van deze beschikking. De bankrekeningen en schulden vormen daarop een uitzondering. De hoogte van deze bestanddelen wordt bepaald per 11 november 2021.
Omvang en samenstelling
2.8.7.
Tussen partijen is de verdeling van de volgende (gestelde) goederen en schulden in geschil, althans aan de orde:
Goederen
eenmanszaak [bedrijf 1] ;
een woning in Turkije;
twee auto’s, een Mazda met kenteken [kenteken 1] en een Volkswagen Crafter met kenteken [kenteken 2] ;
inboedel;
Schulden
een schuld aan DUO;
een schuld aan de zus van de man;
een schuld aan de gemeente Zaanstad;
een schuld aan Gulf Gas + Power;
een schuld aan een vriend van de man;
een schuld aan de belastingdienst;
een schuld aan het pensioenfonds;
een schuld aan [bedrijf 2] BV.
Eenmanszaak
2.8.8.
Vast staat dat de man de (activa en passiva van de) eenmanszaak na de peildatum heeft verkocht voor een bedrag van € 16.000,-. De onderneming zelf kan daarom niet meer worden verdeeld. Wel dient de verkoopopbrengst in de verdeling te worden betrokken. Hoewel de vrouw heeft gesteld dat de onderneming een hogere waarde had dan € 16.000,- heeft zij haar stelling niet onderbouwd. Nu uit de overgelegde verkoopovereenkomst een koopprijs van € 16.000,- blijkt, gaat de rechtbank daarvan uit. De verkoopopbrengst wordt aan de man toegedeeld onder de verplichting € 8.000,- (16.000 : 2) aan de vrouw te vergoeden.
Woning in Turkije
2.8.9.
Partijen hebben in de periode 2016/2017 een woning in Turkije gekocht. Hoewel deze woning op naam staat van de zus van de man is tussen partijen niet in geschil dat de woning tot de huwelijksgemeenschap behoort. De vrouw heeft primair gesteld dat gelet op het convenant de woning aan haar toekomt. Subsidiair heeft de vrouw zich op het standpunt gesteld dat haar, gelet op het convenant, de volledige waarde toekomt en meer subsidiair dat haar de helft van de waarde toekomt. De man heeft verweer gevoerd. Hij wil dat de woning wordt verkocht, waarna met de opbrengst de schulden van partijen worden afgelost. De man schat de waarde op € 100.000,-.
2.8.10.
De rechtbank wijst met verwijzing van wat is overwogen onder 2.8.5 het primaire en subsidiaire verzoek van de vrouw af.. De rechtbank zal als wijze van verdeling gelasten dat de woning moet worden verkocht en dat de verkoopopbrengst, na aftrek van de met de verkoop verband houdende kosten, ieder van partijen voor de helft toekomt. Partijen zullen dit de onderling overleg de verkoop moeten regelen. Zij zouden zich daarvoor kunnen wenden tot een makelaar of vergelijkbare functionaris in Turkije die de verkoop ter hand zal nemen. Het meer of anders verzochte wijst de rechtbank af.
De auto’s
2.8.11.
Op de peildatum waren er twee auto’s. Een Mazda die in gebruik was bij de vrouw en een Volkswagen Crafter die in gebruik was bij de man. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de vrouw de Mazda na de peildatum heeft verkocht aan een sloopbedrijf voor een bedrag van € 500,-. De rechtbank zal de verkoopopbrengst van de Mazda toedelen aan de vrouw onder de verplichting € 250,- aan de man te vergoeden. Tijdens de mondelinge behandeling is verder gebleken dat de Volkswagen Crafter aan de man kan worden toegedeeld tegen een waarde van € 1.500,-. De man dient € 750,- aan de vrouw te vergoeden.
Inboedel
2.8.12.
Nu niet in geschil is dat de inboedel zonder verrekening van de waarde aan de vrouw kan worden toegedeeld, zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen.
Een schuld aan DUO op naam van de vrouw
2.8.13.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw verklaard dat de schuld bij DUO is ontstaan in de periode 2010/2011. De rechtbank overweegt dat op dat moment het Turkse huwelijksvermogensrecht van toepassing is. Deze schuld behoort daarom niet tot de te verdelen huwelijksgemeenschap. Het Turkse recht kent een verwervingsdeelneming. In beginsel behoren schulden daar niet toe, tenzij een schuld is aangegaan voor een goed dat wel in de verwervingsdeelneming valt. Daarvan is in dit geval geen sprake, zodat de vrouw volledig draagplichtig blijft voor deze schuld en de rechtbank hier geen beslissing over hoeft te nemen. De verzoeken ter zake deze schuld wijst de rechtbank daarom af.
Een schuld aan de zus van de man
2.8.14.
De man heeft gesteld dat hij tweemaal geld heeft geleend van zijn zus. Het betreft een bedrag van € 20.000,- en een bedrag van € 8.500,-. Laatstgenoemd bedrag is door zijn zus rechtstreeks aan de verhuurder van het winkelpand overgemaakt. Het bedrag van € 20.000,- is in Turkije uitbetaald. De omstandigheid dat zijn zus de Nederlandse taal niet machtig is, doet niets af aan de geloofwaardigheid van de geldleenovereenkomsten, aldus de man. Hij heeft in zijn systeem een vast format en dat gebruikt hij altijd als hij geld leent. Beide schulden vallen in de huwelijksgemeenschap aldus de man.
2.8.15.
De vrouw heeft betwist dat de man geld van zijn zus heeft geleend. De overgelegde overeenkomsten zijn ook niet door de zus van de man ondertekend. Indien de rechtbank wel van oordeel is dat de schulden tot de huwelijksgemeenschap behoren dan dienen deze volledig voor rekening van de man te komen en moet worden afgeweken van een draagplicht bij helfte. Deze schulden gaan alleen de man aan.
2.8.16.
De rechtbank overweegt dat uit de overgelegde stukken blijkt dat voor zover er een bedrag van € 8.500,- is geleend, dit is geleend nadat de huwelijksgemeenschap is ontbonden. Deze schuld valt daarom niet in de huwelijksgemeenschap en komt volledig voor rekening van de man. Voor zover de man zich erop beroept dat hiermee een huurschuld die in de huwelijksgemeenschap valt, is afgelost zou de man een regresvordering op de vrouw kunnen hebben voor zover hij meer dan de helft van de huurschuld naar de stand op de peildatum heeft afgelost, maar niet dat de gestelde schuld aan de zus van de man een van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap deel uitmakende schuld is.
Ten aanzien van de gestelde lening van € 20.000,- in 2019 heeft het volgende te gelden. De vrouw betwist dat de man dit geld heeft geleend. Er zijn, behalve de overeenkomst, geen stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat de zus daadwerkelijk € 20.000,- in contanten aan de man heeft verstrekt in de vorm van een lening, laat staan dat deze schuld nog bestond op de peildatum. Daarom kan de rechtbank niet vaststellen of gelet op de betwisting door de vrouw daadwerkelijk sprake is van een lening van € 20.000,- die in de huwelijksgemeenschap valt. De rechtbank wijst de verzoeken van de man af.
Een schuld aan een vriend van de man
2.8.17.
De man heeft gesteld in 2020 een bedrag van € 15.000,- te hebben geleend van een vriend. De vrouw is hoofdelijk aansprakelijk voor deze schuld, aldus de man.
De vrouw heeft het bestaan van deze schuld betwist.
2.8.18.
De rechtbank overweegt dat de man tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw onvoldoende heeft gesteld om tot het oordeel te kunnen komen dat er op de peildatum een schuld van € 15.000,- bestond. Weliswaar is er een overeenkomst overgelegd, maar er zijn geen stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat het bedrag van € 15.000,- ook daadwerkelijk is ontvangen en dat, voor zover er sprake was van een schuld, deze schuld nog bestond op de peildatum. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank het verzoek van de man afwijst.
Een schuld aan de gemeente Zaanstad
2.8.19.
Tussen partijen is in geschil wie de schuld aan de gemeente Zaanstad moet betalen. De man wil dat de schuld wordt verdeeld en dat als hij namens de vrouw aflost hem een regresvordering toekomt. De vrouw heeft betwist dat zij deze schuld moet betalen. Volgens de vrouw is de man deze schuld aangegaan door haar DigiD te gebruiken.
2.8.20.
De rechtbank overweegt dat schulden niet verdeeld kunnen worden. De rechtbank kan alleen een beslissing geven over de onderlinge draagplicht. Vast staat dat deze schuld betrekking heeft op tijdens de coronapandemie aangevraagde steun. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel dat ieder van partijen voor de helft draagplichtig is voor deze schuld. Voor afwijking is onvoldoende gesteld. De rechtbank zal aldus bepalen onder afwijzing van het anders verzochte.
Een schuld aan Gulf Gas + Power
2.8.21.
De man heeft gesteld dat er een schuld is in verband met de energiekosten van het bedrijf. Deze schuld is ontstaan doordat de vrouw weigerde de onderneming aan de man over te dragen. De vrouw heeft gesteld dat de man de volledige draagplicht moet krijgen, omdat hij de onderneming dreef.
2.8.22.
De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat er op de peildatum een dergelijke schuld was die in de gemeenschap valt. De rechtbank ziet in het over en weer gestelde geen redenen om aan te nemen dat het ontstaan van de schuld hoofdzakelijk te wijten is aan de ene, dan wel de andere partij en derhalve af te wijken van de hoofdregel dat ieder van partijen voor de helft draagplichtig is voor deze schuld, nog daargelaten dat verwijtbaarheid nog niet automatisch volledige draagplicht meebrengt. De rechtbank zal aldus beslissen onder afwijzing van het meer of anders verzochte.
Schuld Belastingdienst en pensioenfonds
2.8.23.
Vast staat dat er een schuld is ontstaan bij de belastingdienst en het pensioenfonds. Partijen verwijten elkaar over en weer het ontstaan daarvan. Ook met betrekking tot deze schulden is niet goed vast te stellen of ze voornamelijk zijn te wijten aan een van partijen en zo ja, welke. Daarom is ieder van partijen voor de helft draagplichtig voor de schulden zoals deze er waren op de peildatum. De rechtbank zal, onder afwijzing van het meer of anders verzochte, aldus beslissen.
Schuld [bedrijf 2] BV
2.8.24.
De vrouw heeft gesteld dat er ten behoeve van de onderneming een bedrag van € 20.000,- is geleend van de onderneming van haar broer [bedrijf 2] BV. De man heeft nagelaten deze lening vanuit de inkomsten terug te betalen, zodat de vrouw verzoekt te bepalen dat de man volledig draagplichtig is voor deze schuld.
2.8.25.
De man heeft het bestaan van deze schuld betwist. Volgens de man is er wel gesproken over een lening, maar is deze lening uiteindelijk niet verstrekt. Volgens de overgelegde leenovereenkomst zou de eerste vervaltermijn 1 maart 2020 zijn geweest. [bedrijf 2] BV heeft na het verstrijken van deze termijn geen actie ondernomen om betaald te worden, hetgeen een aanwijzing is dat er niets is geleend. Ook tijdens de bespreking op het kantoor van de advocaat van de vrouw in verband met het convenant is deze gestelde lening er buiten gelaten. De man had € 20.000,- in contanten en dat is het bedrag dat op de bankrekening van de vrouw via haar broer is gestort.
2.8.26.
De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel door de vrouw een overeenkomst van geldlening, gedateerd 14 maart 2018, is overgelegd alsmede een bankafschrift waarop is vermeld dat op 3 mei 2019 een bedrag van € 20.000,- is overgemaakt op de bankrekening van de vrouw, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat er op de peildatum sprake is van een schuld van € 20.000,-. Het tijdsverloop tussen de overeenkomst en de storting is opvallend groot. Doorslaggevend is echter dat de man het bestaan van de lening voldoende gemotiveerd heeft betwist. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank het verzoek van de vrouw zal afwijzen.
2.9.
Opheffen maritaal beslag
2.9.1.
De man heeft verzocht te bepalen dat het door de vrouw op 15 februari 2023 gelegde maritaal beslag gelegd op de roerende zaken van de onderneming wordt opgeheven. De rechtbank overweegt dat uit artikel 770b, lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt dat het beslag vervalt zodra er een de toedeling van de goederen heeft plaatsgevonden. Nu de rechtbank in deze beschikking de opbrengst van de verkoop van de onderneming toedeelt vervalt het beslag en, heeft de man geen belang meer bij zijn verzoek en wijst de rechtbank dit af.
3De beslissing
De rechtbank:
In de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/709786 / FA RK 21-7167:
3.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te Amsterdam op 14 juni 2010;
3.2.
bepaalt dat voornoemde minderjarigen hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;
3.3.
bepaalt dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn: in onderling overleg waarbij de man zal de vrouw zo tijdig mogelijk via de e-mail zal berichten over de tijdstippen waarop hij de minderjarigen bij zich zal hebben;
3.4.
bepaalt dat de man € 25,- per kind per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de voornoemde minderjarigen;
3.5.
bepaalt dat de vrouw huurster zal zijn van de woning aan het adres [adres] met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
3.6.
verklaart de beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling, de kinderbijdrage en het huurrecht uitvoerbaar bij voorraad;
3.7.
wijst het meer of anders verzochte af;
In de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/725440 / FA RK 22-7171:
3.8.
deelt de verkoopopbrengst van de eenmanszaak van € 16.000,- toe aan de man, onder de verplichting € 8.000,- aan de vrouw te vergoeden;
3.9.
gelast als wijze van verdeling van de woning te Turkije dat deze woning dient te worden verkocht, door partijen in onderling overleg te regelen, waarna de opbrengst minus de met de verkoop verband houdende kosten, tussen partijen bij helfte wordt gedeeld;
3.10.
deelt de verkoopopbrengst van de Mazda ad € 500,- toe aan de vrouw onder de verplichting € 250,- aan de man te vergoeden;
3.11.
deelt de Volkswagen Crafter toe aan de man voor een bedrag van € 1.500,- onder de verplichting € 750,- aan de vrouw te vergoeden;
3.12.
deelt de inboedel van de voormalige echtelijke woning toe aan de vrouw zonder nadere verrekening;
3.13.
bepaalt dat ieder van partijen voor de helft draagplichtig is voor de schuld per 11 november 2021 aan Gulf Gas + Power, de gemeente Zaandam, de belastingdienst en het pensioenfonds;
3.14.
verklaart de beslissing ten aanzien van de verdeling uitvoerbaar bij voorraad;
3.15.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Kloosterhuis, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.J. van der Veen op 26 april 2023.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken
zaaknummer / rekestnummer: C/13/709786 / FA RK 21-7167 (JK/SV) en C/13/725440 / FA RK 22-7172 (JK/SV)
Beschikking d.d. 26 april 2023 betreffende de echtscheiding
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. K. Tülü, gevestigd te Haarlem,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. W. Matadien, gevestigd te Amsterdam.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 16 november 2021;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- het F9-formulier met bijlagen van 18 augustus 2022 van de zijde van de man;
- het gewijzigd/aanvullend verzoek van de man van 5 maart 2023;
- het gewijzigd/aanvullend verzoek van de vrouw van 5 maart 2023;
- het F9-formulier met bijlage van de man van 8 maart 2023.
1.2.
Bij de stukken bevindt zich een door beide partijen ondertekend ouderschapsplan.
1.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 maart 2023.
Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en mevrouw M. Priem, tolk in de Turkse taal, en de man, bijgestaan door zijn advocaat en de heer T. Cetikaya, tolk in de Turkse taal. De advocaat van de man heeft pleitaantekeningen overgelegd. Dezen zijn aan het procesdossier toegevoegd.
1.4.
Na de mondelinge behandeling heeft de rechtbank nog de volgende stukken ontvangen:
het F9-formulier met bijlagen van 22 maart 2023 van de zijde van de vrouw;
het F9-formulier met bijlagen van 26 maart 2023 van de zijde van de man.
1.5.
De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken.
2. De beoordeling
2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op 14 juni 2010 te Amsterdam. Partijen hebben de Nederlandse en de Turkse nationaliteit.
2.2.
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats] , België en
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats] , België.
2.3.
Scheiding
2.3.1.
Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
2.3.2.
Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift beide partijen in ieder geval de Nederlandse nationaliteit bezaten, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
2.3.3.
Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
Inhoudelijke beoordeling
2.3.4.
Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.
2.4.
Verblijfplaats
2.4.1.
Beide partijen hebben verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw zal zijn.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
2.4.2.
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen.
Inhoudelijke beoordeling
2.4.3.
De rechtbank wijst de verzoeken toe, mede nu dit in het belang van de minderjarigen wordt geacht te zijn.
2.5.
Zorgregeling
2.5.1.
In afwijking van het ouderschapsplan heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de man de minderjarigen van zaterdag 12.00 uur tot zondag 12.00 uur en de helft van de vakanties bij zich zal hebben. De vrouw heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat zij wil weten waar zij aan toe is. Nu neemt de man contact op met de dochter om afspraken te maken en dat vindt de vrouw niet wenselijk. Het gaat nu te ad hoc en daardoor raken de kinderen teleurgesteld.
2.5.2.
De man heeft verweer gevoerd. Hoewel hij zou willen dat de minderjarigen bij hem overnachten, is dat gelet op zijn huidige woonsituatie op dit moment niet mogelijk. Ook een vaste dag afspreken is lastig, omdat hij werkt als touringcarchauffeur. Daardoor is hij soms tien dagen achterelkaar onderweg. Zijn rooster krijgt hij pas kort van te voren. Chauffeurs die er al langer werken krijgen het rooster wel eerder en hij hoopt daarom dat hij te zijner tijd met rooster ook eerder krijgt . Een vaste dag zou echter nu alleen maar voor teleurstellingen zorgen. De man stemt nu af met de minderjarigen wanneer hij iets leuks met hen kan doen. Hij wil deze situatie graag laten voortduren, maar dan in overleg met de vrouw in overleg met de vrouw zolang dat nodig is en hij geen woonruimte heeft waar hij de minderjarigen kan ontvangen.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
2.5.3.
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot vaststelling van een zorgreling tussen de man en de minderjarigen.
Inhoudelijke beoordeling
2.5.4.
De rechtbank overweegt dat op dit moment, gelet op de woonsituatie van de man en zijn baan als touringcarchauffeur, de door de vrouw verzochte zorgregeling praktisch niet haalbaar is. Haar verzoek wijst de rechtbank af. Het is wel gewenst dat de minderjarigen op regelmatige basis contact hebben met de man. Gebleken is dat beide partijen dit ook belangrijk vinden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen afgesproken dat zij via de e-mail met elkaar zullen communiceren over de zorgregeling. De man zal de vrouw zo tijdig als mogelijk informeren wanneer hij in Nederland is en op welke dag hij de minderjarigen bij zich kan hebben. De man zal de vrouw tijdig informeren en niet op de dag zelf. De rechtbank zal daarom deze zorgregeling in de beschikking vastleggen, mede nu dit in het belang van de minderjarigen is.
2.6.
Woning
2.6.1.
Beide partijen hebben verzocht om het huurrecht van de woning aan de vrouw toe te kennen.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
2.6.2.
De woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het huurrecht van deze woning.
2.6.3.
De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
2.6.4.
De rechtbank zal de verzoeken van partijen als op de wet gegrond toewijzen.
2.7.
Kinderbijdrage
2.7.1.
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen € 25,- per kind per maand zal betalen.
2.7.2.
De man heeft gesteld dat hij bereid is dit bedrag te betalen, hoewel hij een laag en wisselend inkomen heeft.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
2.7.3.
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij op grond van artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen.
2.7.4.
De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het recht van Nederland op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen toepassen, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
Inhoudelijke beoordeling
2.7.5.
Door de man is onweersproken gesteld dat hij een wisselend inkomen heeft van tussen de € 500,- en € 1.000,- netto per maand. Uit de draagkrachttabel 2023 volgt dat de man in dat geval een bijdrage van € 50,- per maand voor beide kinderen dient te betalen. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw daarom toe.
2.8.
Verdeling
2.8.1.
Beide partijen hebben een verzoek gedaan tot verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
2.8.2.
Nu de Nederlandse rechter op grond van de Brussel II-bis Verordening rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen.
2.8.3.
Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing.
2.8.4.
Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze in de zin van het Verdrag hebben uitgebracht. Ten tijde van de huwelijkssluiting dan wel kort daarna hadden partijen alleen de Turkse nationaliteit gemeenschappelijk. Partijen hebben hun eerste gewone verblijfplaats in de zin van het Verdrag gevestigd in Nederland. Op grond van artikel 4, lid 2 onder 2a van het Verdrag is daarom vanaf de datum van de huwelijkssluiting het Turkse recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen.
De man heeft op 29 oktober 2013 de Nederlandse nationaliteit verkregen, welke de vrouw reeds bezat. Nu partijen op dat moment in België woonachtig waren, levert dat nog geen wijziging van het toepasselijk recht op. Vanaf het moment dat partijen zich op 10 oktober 2014 weer in Nederland hebben gevestigd, wijzigt op grond van artikel 7, lid 2 onder 2 van het Verdrag het toepasselijk recht en is vanaf dat moment het Nederlandse recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime. Dit betekent dat in de periode 14 juni 2010 tot 10 oktober 2014 het Turkse recht van toepassing is en dat partijen vanaf 10 oktober 2014 naar Nederlands recht in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd.
Inhoudelijke beoordeling
2.8.5.
De rechtbank overweegt dat hoewel partijen een convenant hebben ondertekend, geen van partijen nakoming van het convenant heeft verzocht. In plaats daarvan hebben beide partijen een verzoek gedaan tot verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat partijen over de verdeling niet tot overeenstemming zijn gekomen, daarom niet gehouden zijn aan de inhoud van het convenant en zal de (wijze) van verdeling vaststellen. .
Peildatum
2.8.6.
De peildatum voor de omvang en samenstelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap is de datum waarop het echtscheidingsverzoek bij de rechtbank is ingediend, te weten 11 november 2021. De peildatum voor de waardering van de verschillende vermogensbestanddelen is de datum waarop de verdeling feitelijk plaatsvindt dan wel een datum daar zo dicht mogelijk bij gelegen zoals de datum van deze beschikking. De bankrekeningen en schulden vormen daarop een uitzondering. De hoogte van deze bestanddelen wordt bepaald per 11 november 2021.
Omvang en samenstelling
2.8.7.
Tussen partijen is de verdeling van de volgende (gestelde) goederen en schulden in geschil, althans aan de orde:
Goederen
eenmanszaak [bedrijf 1] ;
een woning in Turkije;
twee auto’s, een Mazda met kenteken [kenteken 1] en een Volkswagen Crafter met kenteken [kenteken 2] ;
inboedel;
Schulden
een schuld aan DUO;
een schuld aan de zus van de man;
een schuld aan de gemeente Zaanstad;
een schuld aan Gulf Gas + Power;
een schuld aan een vriend van de man;
een schuld aan de belastingdienst;
een schuld aan het pensioenfonds;
een schuld aan [bedrijf 2] BV.
Eenmanszaak
2.8.8.
Vast staat dat de man de (activa en passiva van de) eenmanszaak na de peildatum heeft verkocht voor een bedrag van € 16.000,-. De onderneming zelf kan daarom niet meer worden verdeeld. Wel dient de verkoopopbrengst in de verdeling te worden betrokken. Hoewel de vrouw heeft gesteld dat de onderneming een hogere waarde had dan € 16.000,- heeft zij haar stelling niet onderbouwd. Nu uit de overgelegde verkoopovereenkomst een koopprijs van € 16.000,- blijkt, gaat de rechtbank daarvan uit. De verkoopopbrengst wordt aan de man toegedeeld onder de verplichting € 8.000,- (16.000 : 2) aan de vrouw te vergoeden.
Woning in Turkije
2.8.9.
Partijen hebben in de periode 2016/2017 een woning in Turkije gekocht. Hoewel deze woning op naam staat van de zus van de man is tussen partijen niet in geschil dat de woning tot de huwelijksgemeenschap behoort. De vrouw heeft primair gesteld dat gelet op het convenant de woning aan haar toekomt. Subsidiair heeft de vrouw zich op het standpunt gesteld dat haar, gelet op het convenant, de volledige waarde toekomt en meer subsidiair dat haar de helft van de waarde toekomt. De man heeft verweer gevoerd. Hij wil dat de woning wordt verkocht, waarna met de opbrengst de schulden van partijen worden afgelost. De man schat de waarde op € 100.000,-.
2.8.10.
De rechtbank wijst met verwijzing van wat is overwogen onder 2.8.5 het primaire en subsidiaire verzoek van de vrouw af.. De rechtbank zal als wijze van verdeling gelasten dat de woning moet worden verkocht en dat de verkoopopbrengst, na aftrek van de met de verkoop verband houdende kosten, ieder van partijen voor de helft toekomt. Partijen zullen dit de onderling overleg de verkoop moeten regelen. Zij zouden zich daarvoor kunnen wenden tot een makelaar of vergelijkbare functionaris in Turkije die de verkoop ter hand zal nemen. Het meer of anders verzochte wijst de rechtbank af.
De auto’s
2.8.11.
Op de peildatum waren er twee auto’s. Een Mazda die in gebruik was bij de vrouw en een Volkswagen Crafter die in gebruik was bij de man. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de vrouw de Mazda na de peildatum heeft verkocht aan een sloopbedrijf voor een bedrag van € 500,-. De rechtbank zal de verkoopopbrengst van de Mazda toedelen aan de vrouw onder de verplichting € 250,- aan de man te vergoeden. Tijdens de mondelinge behandeling is verder gebleken dat de Volkswagen Crafter aan de man kan worden toegedeeld tegen een waarde van € 1.500,-. De man dient € 750,- aan de vrouw te vergoeden.
Inboedel
2.8.12.
Nu niet in geschil is dat de inboedel zonder verrekening van de waarde aan de vrouw kan worden toegedeeld, zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen.
Een schuld aan DUO op naam van de vrouw
2.8.13.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw verklaard dat de schuld bij DUO is ontstaan in de periode 2010/2011. De rechtbank overweegt dat op dat moment het Turkse huwelijksvermogensrecht van toepassing is. Deze schuld behoort daarom niet tot de te verdelen huwelijksgemeenschap. Het Turkse recht kent een verwervingsdeelneming. In beginsel behoren schulden daar niet toe, tenzij een schuld is aangegaan voor een goed dat wel in de verwervingsdeelneming valt. Daarvan is in dit geval geen sprake, zodat de vrouw volledig draagplichtig blijft voor deze schuld en de rechtbank hier geen beslissing over hoeft te nemen. De verzoeken ter zake deze schuld wijst de rechtbank daarom af.
Een schuld aan de zus van de man
2.8.14.
De man heeft gesteld dat hij tweemaal geld heeft geleend van zijn zus. Het betreft een bedrag van € 20.000,- en een bedrag van € 8.500,-. Laatstgenoemd bedrag is door zijn zus rechtstreeks aan de verhuurder van het winkelpand overgemaakt. Het bedrag van € 20.000,- is in Turkije uitbetaald. De omstandigheid dat zijn zus de Nederlandse taal niet machtig is, doet niets af aan de geloofwaardigheid van de geldleenovereenkomsten, aldus de man. Hij heeft in zijn systeem een vast format en dat gebruikt hij altijd als hij geld leent. Beide schulden vallen in de huwelijksgemeenschap aldus de man.
2.8.15.
De vrouw heeft betwist dat de man geld van zijn zus heeft geleend. De overgelegde overeenkomsten zijn ook niet door de zus van de man ondertekend. Indien de rechtbank wel van oordeel is dat de schulden tot de huwelijksgemeenschap behoren dan dienen deze volledig voor rekening van de man te komen en moet worden afgeweken van een draagplicht bij helfte. Deze schulden gaan alleen de man aan.
2.8.16.
De rechtbank overweegt dat uit de overgelegde stukken blijkt dat voor zover er een bedrag van € 8.500,- is geleend, dit is geleend nadat de huwelijksgemeenschap is ontbonden. Deze schuld valt daarom niet in de huwelijksgemeenschap en komt volledig voor rekening van de man. Voor zover de man zich erop beroept dat hiermee een huurschuld die in de huwelijksgemeenschap valt, is afgelost zou de man een regresvordering op de vrouw kunnen hebben voor zover hij meer dan de helft van de huurschuld naar de stand op de peildatum heeft afgelost, maar niet dat de gestelde schuld aan de zus van de man een van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap deel uitmakende schuld is.
Ten aanzien van de gestelde lening van € 20.000,- in 2019 heeft het volgende te gelden. De vrouw betwist dat de man dit geld heeft geleend. Er zijn, behalve de overeenkomst, geen stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat de zus daadwerkelijk € 20.000,- in contanten aan de man heeft verstrekt in de vorm van een lening, laat staan dat deze schuld nog bestond op de peildatum. Daarom kan de rechtbank niet vaststellen of gelet op de betwisting door de vrouw daadwerkelijk sprake is van een lening van € 20.000,- die in de huwelijksgemeenschap valt. De rechtbank wijst de verzoeken van de man af.
Een schuld aan een vriend van de man
2.8.17.
De man heeft gesteld in 2020 een bedrag van € 15.000,- te hebben geleend van een vriend. De vrouw is hoofdelijk aansprakelijk voor deze schuld, aldus de man.
De vrouw heeft het bestaan van deze schuld betwist.
2.8.18.
De rechtbank overweegt dat de man tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw onvoldoende heeft gesteld om tot het oordeel te kunnen komen dat er op de peildatum een schuld van € 15.000,- bestond. Weliswaar is er een overeenkomst overgelegd, maar er zijn geen stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat het bedrag van € 15.000,- ook daadwerkelijk is ontvangen en dat, voor zover er sprake was van een schuld, deze schuld nog bestond op de peildatum. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank het verzoek van de man afwijst.
Een schuld aan de gemeente Zaanstad
2.8.19.
Tussen partijen is in geschil wie de schuld aan de gemeente Zaanstad moet betalen. De man wil dat de schuld wordt verdeeld en dat als hij namens de vrouw aflost hem een regresvordering toekomt. De vrouw heeft betwist dat zij deze schuld moet betalen. Volgens de vrouw is de man deze schuld aangegaan door haar DigiD te gebruiken.
2.8.20.
De rechtbank overweegt dat schulden niet verdeeld kunnen worden. De rechtbank kan alleen een beslissing geven over de onderlinge draagplicht. Vast staat dat deze schuld betrekking heeft op tijdens de coronapandemie aangevraagde steun. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel dat ieder van partijen voor de helft draagplichtig is voor deze schuld. Voor afwijking is onvoldoende gesteld. De rechtbank zal aldus bepalen onder afwijzing van het anders verzochte.
Een schuld aan Gulf Gas + Power
2.8.21.
De man heeft gesteld dat er een schuld is in verband met de energiekosten van het bedrijf. Deze schuld is ontstaan doordat de vrouw weigerde de onderneming aan de man over te dragen. De vrouw heeft gesteld dat de man de volledige draagplicht moet krijgen, omdat hij de onderneming dreef.
2.8.22.
De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat er op de peildatum een dergelijke schuld was die in de gemeenschap valt. De rechtbank ziet in het over en weer gestelde geen redenen om aan te nemen dat het ontstaan van de schuld hoofdzakelijk te wijten is aan de ene, dan wel de andere partij en derhalve af te wijken van de hoofdregel dat ieder van partijen voor de helft draagplichtig is voor deze schuld, nog daargelaten dat verwijtbaarheid nog niet automatisch volledige draagplicht meebrengt. De rechtbank zal aldus beslissen onder afwijzing van het meer of anders verzochte.
Schuld Belastingdienst en pensioenfonds
2.8.23.
Vast staat dat er een schuld is ontstaan bij de belastingdienst en het pensioenfonds. Partijen verwijten elkaar over en weer het ontstaan daarvan. Ook met betrekking tot deze schulden is niet goed vast te stellen of ze voornamelijk zijn te wijten aan een van partijen en zo ja, welke. Daarom is ieder van partijen voor de helft draagplichtig voor de schulden zoals deze er waren op de peildatum. De rechtbank zal, onder afwijzing van het meer of anders verzochte, aldus beslissen.
Schuld [bedrijf 2] BV
2.8.24.
De vrouw heeft gesteld dat er ten behoeve van de onderneming een bedrag van € 20.000,- is geleend van de onderneming van haar broer [bedrijf 2] BV. De man heeft nagelaten deze lening vanuit de inkomsten terug te betalen, zodat de vrouw verzoekt te bepalen dat de man volledig draagplichtig is voor deze schuld.
2.8.25.
De man heeft het bestaan van deze schuld betwist. Volgens de man is er wel gesproken over een lening, maar is deze lening uiteindelijk niet verstrekt. Volgens de overgelegde leenovereenkomst zou de eerste vervaltermijn 1 maart 2020 zijn geweest. [bedrijf 2] BV heeft na het verstrijken van deze termijn geen actie ondernomen om betaald te worden, hetgeen een aanwijzing is dat er niets is geleend. Ook tijdens de bespreking op het kantoor van de advocaat van de vrouw in verband met het convenant is deze gestelde lening er buiten gelaten. De man had € 20.000,- in contanten en dat is het bedrag dat op de bankrekening van de vrouw via haar broer is gestort.
2.8.26.
De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel door de vrouw een overeenkomst van geldlening, gedateerd 14 maart 2018, is overgelegd alsmede een bankafschrift waarop is vermeld dat op 3 mei 2019 een bedrag van € 20.000,- is overgemaakt op de bankrekening van de vrouw, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat er op de peildatum sprake is van een schuld van € 20.000,-. Het tijdsverloop tussen de overeenkomst en de storting is opvallend groot. Doorslaggevend is echter dat de man het bestaan van de lening voldoende gemotiveerd heeft betwist. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank het verzoek van de vrouw zal afwijzen.
2.9.
Opheffen maritaal beslag
2.9.1.
De man heeft verzocht te bepalen dat het door de vrouw op 15 februari 2023 gelegde maritaal beslag gelegd op de roerende zaken van de onderneming wordt opgeheven. De rechtbank overweegt dat uit artikel 770b, lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt dat het beslag vervalt zodra er een de toedeling van de goederen heeft plaatsgevonden. Nu de rechtbank in deze beschikking de opbrengst van de verkoop van de onderneming toedeelt vervalt het beslag en, heeft de man geen belang meer bij zijn verzoek en wijst de rechtbank dit af.
3De beslissing
De rechtbank:
In de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/709786 / FA RK 21-7167:
3.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te Amsterdam op 14 juni 2010;
3.2.
bepaalt dat voornoemde minderjarigen hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;
3.3.
bepaalt dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn: in onderling overleg waarbij de man zal de vrouw zo tijdig mogelijk via de e-mail zal berichten over de tijdstippen waarop hij de minderjarigen bij zich zal hebben;
3.4.
bepaalt dat de man € 25,- per kind per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de voornoemde minderjarigen;
3.5.
bepaalt dat de vrouw huurster zal zijn van de woning aan het adres [adres] met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
3.6.
verklaart de beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling, de kinderbijdrage en het huurrecht uitvoerbaar bij voorraad;
3.7.
wijst het meer of anders verzochte af;
In de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/725440 / FA RK 22-7171:
3.8.
deelt de verkoopopbrengst van de eenmanszaak van € 16.000,- toe aan de man, onder de verplichting € 8.000,- aan de vrouw te vergoeden;
3.9.
gelast als wijze van verdeling van de woning te Turkije dat deze woning dient te worden verkocht, door partijen in onderling overleg te regelen, waarna de opbrengst minus de met de verkoop verband houdende kosten, tussen partijen bij helfte wordt gedeeld;
3.10.
deelt de verkoopopbrengst van de Mazda ad € 500,- toe aan de vrouw onder de verplichting € 250,- aan de man te vergoeden;
3.11.
deelt de Volkswagen Crafter toe aan de man voor een bedrag van € 1.500,- onder de verplichting € 750,- aan de vrouw te vergoeden;
3.12.
deelt de inboedel van de voormalige echtelijke woning toe aan de vrouw zonder nadere verrekening;
3.13.
bepaalt dat ieder van partijen voor de helft draagplichtig is voor de schuld per 11 november 2021 aan Gulf Gas + Power, de gemeente Zaandam, de belastingdienst en het pensioenfonds;
3.14.
verklaart de beslissing ten aanzien van de verdeling uitvoerbaar bij voorraad;
3.15.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Kloosterhuis, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.J. van der Veen op 26 april 2023.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.