Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2022:6035

2022-07-07 Strafrecht; Internationaal strafrecht 13/110813-22
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2022-07-07
Publicatiedatum
2022-10-21
Rechtsgebied
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Procedure
Eerste en enige aanleg
Zaaknummer
13/110813-22
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Duits vervolgings-EAB, terugkeergarantie ex art. 6 OLW, art. 23 OLW verweer verworpen, verweer ne bis in idem verworpen. Overlevering toestaan.

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.163 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER



Parketnummer: 13/110813-22
RK nummer: 22/2429




Datum uitspraak: 7 juli 2022







UITSPRAAK





op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 9 mei 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 13 april 2022 door het Amtsgericht Darmstadt (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:





[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] , [plaats] ,
gedetineerd in de [detentieadres] ,



hierna te noemen de opgeëiste persoon.






1Procesgang


De vordering is behandeld op de openbare zitting van 23 juni 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam.




2Identiteit van de opgeëiste persoon


De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse en Turkse nationaliteit heeft.





3Grondslag en inhoud van het EAB


In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel van het Amtsgericht Darmstadt (Duitsland) van 5 april 2022 (dossiernummer: 25 Gs 1885/22).



De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbaar feiten.



Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van en de bijlage bij het EAB waarnaar in onderdeel e) wordt verwezen.





4Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW


Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder de nummers 1 en 9, te weten:




deelneming aan een criminele organisatie





witwassen van opbrengsten van misdrijven




Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.





5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW


De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.



De Generalstaatsanwaltschaft in Frankfurt am Main (Duitsland) heeft op 14 juni 2022 de volgende garantie gegeven:




“We hereby guarantee that, in case the wanted person is sentenced to an unconditional and irrevocable prison sentence in Germany, it will be allowed to enforce this sentence in the Netherlands.”




Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.





6Overschrijding van de termijn als bedoeld in artikel 23, tweede lid, OLW


De raadsman heeft bepleit dat er consequenties moeten worden verbonden aan het feit dat de officier van justitie de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB niet binnen drie dagen na ontvangst van het EAB heeft ingediend, zoals wettelijk is vereist. De rechtbank dient hierbij mee te wegen dat de opgeëiste persoon hierdoor langer in overleveringsdetentie heeft gezeten dan noodzakelijk was. Het is van belang om sancties op te leggen wanneer regelgeving niet wordt nageleefd, aldus de raadsman.



Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit verweer niet slaagt. De OLW stelt geen sanctie op het overschrijden van de termijn ex artikel 23, tweede lid, OLW. Overschrijding daarvan heeft dus in beginsel geen gevolgen voor de ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vordering. Dit is anders als sprake is van ernstige schending van beginselen van een goede procesorde waarbij doelbewust of met grote veronachtzaming van de belangen van de opgeëiste persoon tekort wordt gedaan aan zijn recht op een behoorlijke behandeling van de zaak. Daarvan is in deze zaak echter niet gebleken.




7
7. Ne bis in idem



Standpunt van de raadsman




De raadsman heeft aangevoerd dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat recent al onherroepelijk is geoordeeld dat de opgeëiste persoon moet worden overgeleverd aan Duitsland en wel voor praktisch dezelfde strafbare feiten. Artikel 9, eerste lid, sub c, OLW bepaalt dat overlevering van de opgeëiste persoon kan worden geweigerd voor een feit ter zake waarvan hij naar het recht van een andere lidstaat niet meer kan worden vervolgd, ten gevolge van een in die lidstaat ter zake van hetzelfde feit genomen onherroepelijke beslissing. Er is in Duitsland onherroepelijk besloten dat de opgeëiste persoon overgeleverd moest worden voor dezelfde strafbare feiten als die waarvoor nu (opnieuw) de overlevering wordt verzocht. Wanneer voornoemde bepaling extensief wordt geïnterpreteerd, kan worden gesteld dat niet nogmaals de overlevering van de opgeëiste persoon kan worden gevraagd. Op grond van het voorgaande dient de rechtbank de overlevering dan ook te weigeren, hoewel dit, gezien de eerdere beslissing, niet zal voorkomen dat de opgeëiste persoon feitelijk zal worden overgedragen aan Duitsland.




Standpunt van de officier van justitie




De officier van justitie heeft hiertegen aangevoerd dat de opgeëiste persoon niet twee keer voor dezelfde feiten wordt overgeleverd. Het EAB dat nu ter beoordeling voorligt, ziet weliswaar op grotendeels dezelfde feiten als genoemd in het EAB waarvoor de overlevering al is toegestaan, maar het hier voorliggende EAB ziet op een ruimere periode waarbinnen de feiten zijn gepleegd en ook een grotere hoeveelheid geld dan in het eerdere EAB. Duitsland heeft, om de opgeëiste ook voor deze ruimere feitomschrijving overgeleverd te krijgen en te kunnen vervolgen, ervoor gekozen een nieuw EAB uit te vaardigen. De opgeëiste persoon is voor dit nieuwe, tweede EAB opnieuw aangehouden en voorgeleid. Er is geen sprake van een ne bis in idem-situatie.




Oordeel van de rechtbank




De rechtbank stelt vast dat het EAB dat nu voorligt ziet op een ruimere periode en op deels andere strafbare feiten dan het EAB waarvoor de overlevering al is toegestaan. Alleen al om die reden is geen sprake van een situatie waarin de opgeëiste persoon twee keer voor exact dezelfde feiten wordt overgeleverd. Bovendien staat, zo daar wel sprake van zou zijn, een eerdere overlevering niet — zonder meer — in de weg aan hernieuwde overlevering van dezelfde opgeëiste persoon wegens dezelfde feiten aan dezelfde lidstaat. Nog daargelaten dat (ook) geen sprake is van een situatie dat de opgeëiste persoon ‘naar het recht van een andere lidstaat niet meer kan worden vervolgd, ten gevolge van een in die lidstaat ter zake van hetzelfde feit genomen onherroepelijke beslissing’, is, gelet op het voorgaande, het ne bis in idem-beginsel dan ook niet geschonden. De rechtbank verwerpt het verweer.






8Slotsom


Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.





9Toepasselijke wetsartikelen


De artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.





10Beslissing



STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Darmstadt (Duitsland) voor de feiten zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB en de bijlage bij het EAB waarnaar in onderdeel e) wordt verwezen.




Aldus gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. A.J. Scheijde en D. Hein, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.D. Reinders, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 7 juli 2022.





















De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.


















Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.





Rechtbank Amsterdam 18 maart 2005, ECLI:NL:RBAMS:2005:AT2566 en rechtbank Amsterdam 10 oktober 2006, ECLI:NL:RBAMS:2006:AZ1408.


Rechtbank Amsterdam 2 september 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:7735 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBAMS:2014:7735) en rechtbank Amsterdam 30 januari 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:587 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBAMS:2015:587).