Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2021:1896

2021-02-11 Strafrecht; Internationaal strafrecht 13/752048-20
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2021-02-11
Publicatiedatum
2021-04-19
Rechtsgebied
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Procedure
Eerste en enige aanleg
Zaaknummer
13/752048-20
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

EAB Duitsland. Verweren met betrekking tot genoegzaamheid en strafbaarheid verworpen. Overlevering geweigerd nu de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.502 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER


Parketnummer: 13/752048-20
RK nummer: 20/5724




Datum uitspraak: 11 februari 2021






UITSPRAAK





op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 1 december 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 27 oktober 2020 door the District Court of Osnabrück (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:




[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedag] 1973,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieadres],



hierna te noemen de opgeëiste persoon.





1Procesgang


De vordering is behandeld op de openbare zitting van 28 januari 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door haar raadsvrouw, mr. J.O.A.N. de Vries, advocaat te Utrecht.



De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.




2Identiteit van de opgeëiste persoon


De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat zij de Hongaarse nationaliteit heeft.





3Grondslag en inhoud van het EAB


In het EAB wordt melding gemaakt van een enforceable judgement of the District Court of Osnabrück van 10 april 2019, legally binding since 5 februari 2020, reference 12 KLs/720, Js 37962/17 – 12/18.



In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot dit vonnis heeft geleid.



De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaren en 9 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgen het EAB nog 2 jaren en 9 maanden met aftrek van de periode van 1 augustus 2018 tot en met 15 maart 2019. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.



Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.



3.1

Genoegzaamheid



Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft ter zitting om aanhouding van de zaak verzocht omdat het EAB niet in het Nederlands is vertaald, terwijl de opgeëiste persoon de Duitse en de Engelse taal onvoldoende machtig is.



Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft ter zitting een uiteenzetting van de beschuldigingen gegeven in de Nederlandse taal en geconcludeerd dat, nu de opgeëiste persoon daarmee op de hoogte is wat haar wordt verweten, aanhouding van de zaak niet nodig is.



Het oordeel van de rechtbank
Uit het bepaalde in artikel 2, derde lid, OLW volgt dat het EAB dient te zijn vertaald in de Nederlandse of Engelse taal, waaraan in deze zaak is voldaan. Op grond van artikel 23, derde lid, OLW heeft de opgeëiste persoon die deze talen (in deze zaak: de Engelse taal) onvoldoende beheerst recht op een schriftelijke vertaling van tenminste de relevante onderdelen van het EAB in een voor haar begrijpelijke taal. Doordat de officier deze relevante onderdelen in het Nederlands heeft voorgehouden, houdt de rechtbank het ervoor dat de opgeëiste persoon duidelijk is waar het EAB op ziet. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de doelstelling van artikel 23, derde lid, OLW en heeft de opgeëiste persoon geen belang meer bij aanhouding van de zaak voor vertaling van de relevante onderdelen van het EAB.






4Strafbaarheid



Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist




Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft gesteld dat de verweten gedragingen niet naar Nederlands recht te kwalificeren zijn. Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de rol van de opgeëiste persoon, alsmede de uiteindelijke verdeling van de buit, bij de verschillende feiten niet duidelijk is geworden.



Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gesteld dat de gestelde gedragingen ook in Nederland strafbaar zijn. Nu sprake is van medeplegen vallen alle feitelijkheden ook aan de opgeëiste persoon toe te rekenen. De officier van justitie heeft er in dit verband op gewezen dat sprake was van een vooropgezet plan.



Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank verwerpt het verweer. Met de officier van justitie is zij van oordeel dat uit de in het EAB opgenomen omschrijvingen van de feiten voldoende blijkt dat de opgeëiste persoon is veroordeeld in haar hoedanigheid als medepleger en dat bij de poging als omschreven onder feit 1 sprake was van een begin van uitvoering.



De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.



De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.



De feiten leveren naar Nederlands recht op:





poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen;




diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;




diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd.







6Artikel 6 OLW


Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft zich op het standpunt gesteld dat overlevering op grond van dit artikel dient te worden geweigerd. De opgeëiste persoon heeft in Nederland als burger van de Europese Unie duurzaam verblijfsrecht verworven. Wanneer zodanig verblijfsrecht eenmaal is verworven, blijft deze bestaan, ook al wordt nadien niet meer voldaan aan de materiële eisen die daaraan worden gesteld. Eventuele detentie kan een opbouw dus niet meer onderbreken. Het duurzaam verblijfsrecht kan slechts komen te vervallen wanneer een bevoegde autoriteit deze beëindigt.



Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat detentie de opbouw van het duurzaam verblijfsrecht onderbreekt. Hij heeft erop gewezen dat de opgeëiste persoon veel tijd in detentie heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft een brief overgelegd van de IND d.d. 20 januari 2021 waarin wordt meegedeeld dat de beschreven strafbare feiten er niet toe zullen leiden dat de opgeëiste persoon haar verblijfsrecht verliest.
De officier van justitie heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat, indien het beroep op artikel 6 OLW slaagt, de zaak dient te worden aangehouden in afwachting van de garantie dat Nederland de straf zal overnemen.



Het oordeel van de rechtbank
Zoals blijkt uit de zich bij de stukken bevindende GBA-V bevraging van 18 november 2020 beschikt de opgeëiste persoon sinds 16 november 2009 over een duurzaam verblijfsrecht, hetgeen niet zomaar kan worden beëindigd. Zoals wordt bevestigd in de door de officier van justitie overgelegde brief van de IND zal zij het duurzaam verblijfsrecht niet verliezen ten gevolge van de opgelegde straf voor de beschreven strafbare feiten.



De opgeëiste persoon moet derhalve worden gelijkgesteld met een Nederlander. Dit betekent dat artikel 6, tweede lid, OLW – dat bepaalt dat de overlevering ter tenuitvoerlegging van een aan een Nederlander bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf niet wordt toegestaan – van overeenkomstige toepassing is.



De overlevering kan alleen worden geweigerd als naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk deze straf in Nederland zal ondergaan. Dat is het geval. In dit kader verwijst de rechtbank naar hetgeen zij in haar uitspraak van
17 oktober 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:7754), in het bijzonder in overweging 6.3.11, heeft overwogen.



De rechtbank zal daarom de overlevering uitsluitend op grond van artikel 6, tweede lid, OLW weigeren.





7Beslissing



WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court of Osnabrück (Duitsland), onder verwijzing naar overweging 6.3.11 van de uitspraak van 17 oktober 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:7754).




HEFT OP het bevel tot gevangenhouding.






Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. O.P.M. Fruytier en A.K. Mireku, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 11 februari 2021.


































Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.