Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2020:7630

2020-05-29 Strafrecht 13/033147-20 (Promis)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2020-05-29
Publicatiedatum
2026-07-23
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
13/033147-20 (Promis)
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Een 41-jarige man is veroordeeld tot 3 maanden en 15 dagen gevangenisstraf omdat hij op 5 februari 2020 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 6,56 gram en 98,1 gram, van een materiaal bevattende cocaïne. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. Gelet op de hoeveelheid cocaïne die bij hem is aangetroffen, moet deze bestemd zijn geweest voor verdere verspreiding en handel.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (18.132 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM





VONNIS





Parketnummer: 13/033147-20 (Promis)



Datum uitspraak: 29 mei 2020



Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen





[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [naam PI] .






1Het onderzoek ter terechtzitting


Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 mei 2020.



De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.H.S. Kurniawan-Ayre, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E.M.C. van Nielen, naar voren hebben gebracht.





2Tenlastelegging


Aan verdachte is ten laste gelegd dat



1
hij op een of meerdere tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 27 december 2019 tot en met 31 januari 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een volautomatisch aanvalsgeweer, van
het merk Staatsarsenaal, model AKK (AK-47), kaliber 7,62 x 39 mm, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren, voorhanden heeft gehad;



2
hij op een of meerdere tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 27 december 2019 tot en met 31 januari 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, munitie van categorie II van de Wet wapens en munitie, te weten 28 patronen van het kaliber 7,62 x 39 mm,
voorhanden heeft gehad;



3
hij op of omstreeks 5 februari 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 6,56 gram en/of 98,1 gram, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;



4
hij op een of meerdere tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 31 december 2019 tot en met 4 februari 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen: "Ik ga je vermoorden, ik ben ontoerekeningsvatbaar. Ze weten dat ik ontoerekeningsvatbaar ben. Ik wil mijn wapen terug. Er gaan mensen in de problemen komen door dit wapen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.





3Waardering van het bewijs


3.1

Feiten en omstandigheden



De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.



Een ex-vriendin van verdachte heeft op 4 februari 2020 aangifte gedaan van bedreiging waarbij zij –kort samengevat– het volgende heeft verklaard. Bij het schoonmaken van haar slaapkamer op 31 december 2019 vond zij onder haar boxspringbed een plastic zak met daarin een vuurwapen, gewikkeld in een doek. Zij bracht de zak naar de berging. Verdachte kwam kort daarna bij haar in haar woning, zag dat het bed omhoog geklapt stond en vroeg naar het wapen. Aangeefster zei hem dat het wapen in een bergingkast lag, wat hij vervolgens controleerde. Een paar dagen later belde zij naar eigen zeggen met de politie maar is zij niet teruggebeld. Zij beëindigde de relatie met verdachte en veranderde op 6 januari 2020 de sloten van haar woning, waarna verdachte alleen nog kon binnenkomen na aanbellen.



Op 31 januari 2020 meldde aangeefster bij de politie dat verdachte haar bedreigde omdat hij het vuurwapen terug wilde. Verbalisanten gingen op die dag naar de woning van aangeefster en troffen daar op aanwijzing van aangeefster in de bergingkast in een vuilniszak een in een doek gewikkeld vuurwapen, een AK47, aan dat zij in beslag namen. Ook troffen zij in de vuilniszak munitie aan, die aangeefster stelde niet te hebben gezien omdat zij de zak nooit zou hebben geopend. Aangeefster vertelde de politie dat verdachte regelmatig in hetzelfde gebouw in een ander appartement verbleef. Op 5 februari 2020 trot de politie verdachte in genoemde woning aan en werd hij aangehouden. Bij fouillering van verdachte werden verdovende middelen aangetroffen. Het bleek te gaan om hoeveelheden van respectievelijk 6,56 gram en 99,1 gram van een materiaal dat cocaïne bevat. Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat hij dit voor iemand ‘van A naar B’ zou brengen en dat hem was gezegd dat het cocaïne was.



Uit sporenonderzoek aan het in de woning van aangeefster aangetroffen vuurwapen is gebleken dat daar DNA-materiaal van verschillende onbekende personen op zat, waarvan het materiaal van één onbekende persoon al eerder in de databank voor strafzaken was opgenomen.




3.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie



De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten. Met betrekking tot de feiten 1, 2 en 4 heeft zij naar voren gebracht dat de verklaringen van aangeefster betrouwbaar zijn en steun vinden in andere feiten en omstandigheden. Zo is er daadwerkelijk een AK47 en bijbehorende munitie in de woning van aangeefster aangetroffen. Verdachte verbleef daar ook in de voorafgaande periode en het is onwaarschijnlijk dat een willekeurige bezoeker op die plek een wapen zou bewaren. Het feit dat er op het vuurwapen DNA-sporen van verschillende personen zijn aangetroffen rijmt bovendien met hetgeen aangeefster heeft verklaard over de bedreiging, namelijk dat verdachte zei “er gaan mensen in de problemen komen door dit wapen”. De verklaring van aangeefster dat verdachte haar elke dag meerdere keren belde en dat zij niet meer opnam wordt ondersteund door de bevindingen ter zake van haar telefoon. Dat geldt ook voor haar verklaring dat verdachte haar op 31 januari 2020 bleef bellen. Daarnaast vinden haar verklaringen steun in de WhatsAppberichten op haar telefoon, waar zij aan verdachte schreef: “Val me niet lastig met je dingen en je mensen”, “Jij nog die kawlo jongen heeft me een fucking vuurwapen gegeven” en “Wil er niets van weten”. Ten slotte kan in de verklaring van verdachte dat hij een posttraumatische stressstoornis heeft en veel nare dingen heeft gezien, in zekere mate ondersteuning worden gevonden voor wat verdachte volgens aangeefster bij zijn bedreigingen zou hebben gezegd, te weten dat hij “ontoerekeningsvatbaar” was.




3.3

Het standpunt van de verdediging



De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde onder 1, 2 en 4 en daartoe
-kort gezegd- aangevoerd dat voor deze feiten onvoldoende wettig bewijs voorhanden is, nu het bewijs enkel berust op de verklaring van aangeefster. Dit is gelet op het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) onvoldoende. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.




3.4

Het oordeel van de rechtbank



De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat voor het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde onvoldoende wettig bewijs voorhanden is. De essentie van het ten laste gelegde is immers dat het in de woning van aangeefster aangetroffen vuurwapen en de bijbehorende munitie aan verdachte toebehoorden. Nu het bewijs daarvoor enkel zou berusten op de verklaringen van aangeefster, is dit gelet op het bepaalde in artikel 342, tweede lid, Sv onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. In de eerste plaats is daarbij van belang dat de verklaring van aangeefster dat het vuurwapen en de munitie aan verdachte toebehoren niet is gebaseerd op eigen waarneming of wetenschap daarvan. Aangeefster veronderstelt blijkens haar verklaring immers dat het verdachte moet zijn geweest omdat volgens haar niemand anders dan verdachte in haar slaapkamer is geweest en hij doodsbedreigingen zou hebben geuit en het wapen zou opeisen. Verder ondersteunt, anders dan de officier van justitie heeft betoogd, het aantreffen van het vuurwapen in de woning van aangeefster niet dit essentiële element voor de bewezenverklaring. Het feit dat het aantreffen van het vuurwapen aansluit op de verklaringen van aangeefster over de bedreigingen die verdachte tegen haar zou hebben geuit, kan evenmin dienen als steunbewijs, nu beide verklaringen van haarzelf en dus van dezelfde bron afkomstig zijn. Omgekeerd geldt hetzelfde voor de onder 4 ten laste gelegde bedreiging. Ook hiervoor is geen ondersteunend bewijs voorhanden dat afkomstig is uit een andere bron. Uit de WhatsAppberichten waarop de officier van justitie heeft gewezen blijkt niet eenduidig dat aangeefster daarin verdachte beschuldigt van het achterlaten van het wapen. Bovendien zijn ook deze berichten van dezelfde bron afkomstig. De gemiste oproepen in de telefoon van aangeefster ondersteunen naar het oordeel van de rechtbank de gestelde bedreigingen ook in onvoldoende mate. Nu er onvoldoende wettig bewijs is voor het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde kan wat partijen naar voren hebben gebracht over de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster buiten beschouwing blijven. De rechtbank zal verdachte van deze feiten vrijspreken.






4Bewezenverklaring


De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat hij op 5 februari 2020 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 6,56 gram en 98,1 gram, van een materiaal bevattende cocaïne.





5De strafbaarheid van het feit


Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.





6De strafbaarheid van verdachte


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.





7Motivering van de straf en maatregel


7.1

De eis van de officier van justitie



De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2, 3 en 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden, met aftrek van voorarrest.




7.2

Het strafmaatverweer van de verdediging



De verdediging heeft erop gewezen dat het oriëntatiepunt van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor het voorhanden hebben van 100-150 gram cocaïne een taakstraf van 240 uur is, wat gelijk staat aan een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.




7.3

Het oordeel van de rechtbank



De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.



De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.



Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. Gelet op de hoeveelheid cocaïne die bij verdachte is aangetroffen, moet deze bestemd zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaat gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.



De rechtbank ziet in de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, die ongewenst vreemdeling is met een zwaar inreisverbod en feitelijk dakloos is, aanleiding om geen taakstraf maar een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Gelet op de LOVS-oriëntatiepunten zou bij het voorhanden hebben van een hoeveelheid van 100 tot 150 gram cocaïne een taakstraf van 240 uur passend zijn, wat vergelijkbaar is met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden. Niet is gebleken van redenen om in dit geval af te wijken van dit uitgangspunt. Nu verdachte net iets meer dan 100 gram voorhanden heeft gehad, zal de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van drie en een halve maand, oftewel drie maanden en vijftien dagen opleggen.




Onttrekking aan het verkeer




De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwerpen, op de beslaglijst genummerd 1 tot en met 8, 11 en 12, worden onttrokken aan het verkeer.



De verdediging heeft over de beslaglijst geen standpunt ingenomen.



De rechtbank overweegt als volgt.



De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten:



STK Wapen (Omschrijving: 5876493, Merk: Kalashnikov Ak 47)


8 STK Munitie (Omschrijving: 5876497, Merk: S & B 7.62x39)


1 STK Fust (Omschrijving: 5876518, Merk: Boterhamzakjes)


1 STK Hashish (Omschrijving: 5879284)


1 STK Poeder (Omschrijving: 5879269)


1 STK Poeder (Omschrijving: 5879272)


1 STK Pil (Omschrijving: 5879278)


1 STK Hennep (Omschrijving: 5879279),


, dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien deze voorwerpen zijn aangetroffen in het onderzoek naar de misdrijven waarvan verdachte wordt verdacht, terwijl deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan dan wel de voorbereiding van soortgelijke misdrijven en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet dan wel het algemeen belang (in het geval van de boterhamzakjes).


De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

11. 41 STK Cocaïne (Omschrijving: 5879234)
12. 1 STK Cocaïne (Omschrijving: 5879236)
dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien deze voorwerpen zijn bestemd tot het begaan van het onder 3 bewezen geachte en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.





8Toepasselijke wettelijke voorschriften


De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.



De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.





9Beslissing


Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.



Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.



Het bewezen verklaarde levert op:




opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, aanhef en onder C, van de Opiumwet gegeven verbod




Verklaart het bewezene strafbaar.



Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.



Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden en 15 (vijftien) dagen.



Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.



Verklaart onttrokken aan het verkeer:

1. STK Wapen (Omschrijving: 5876493, Merk: Kalashnikov Ak 47)
28 STK Munitie (Omschrijving: 5876497, Merk: S & B 7.62x39)
1. STK Fust (Omschrijving: 5876518, Merk: Boterhamzakjes)
1. STK Hashish (Omschrijving: 5879284)
1. STK Poeder (Omschrijving: 5879269)
1. STK Poeder (Omschrijving: 5879272)
1. STK Pil (Omschrijving: 5879278)
1. STK Hennep (Omschrijving: 5879279)
41 STK Cocaïne (Omschrijving: 5879234)
1. STK Cocaïne (Omschrijving: 5879236)


Gelast de teruggave aan verdachte van:

1. STK Telefoontoestel (Omschrijving: 5879283, Merk: Huawei)
13 STK Sleutel (Omschrijving: 5881118)




Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C.M. Hamer voorzitter,
mrs. M.A.E. Somsen en H.P. Kijlstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 mei 2020.



De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.




Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.


Proces-verbaal van bevindingen van 5 februari 2020, p. A39, kennisgevingen van inbeslagneming van 7 februari 2020, p. A69 en A70


Rapport Laboratorium Forensische Opsporing van 17 februari 2020, niet genummerd