Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2020:7389

2020-12-09 Civiel recht; Personen- en familierecht C/13/667338 / FA RK 19-3391
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2020-12-09
Publicatiedatum
2021-06-01
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/13/667338 / FA RK 19-3391
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2026/441

Inhoudsindicatie

Echtscheiding. Afwijzing partneralimentatie. Vaststelling wijze van verdeling.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (31.151 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken


zaaknummers / rekestnummers:
C/13/667338 / FA RK 19-3391 (echtscheiding met nevenvoorzieningen)
C/13/679142 / FA RK 20-425 (verdeling)




Beschikking d.d. 9 december 20202




in de zaak van:





[de man] ,

wonende te [woonplaats 1] , Portugal,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. H. Vosmeijer,



tegen





[de vrouw] ,

voorheen wonende te [woonplaats 1] , Portugal,
thans wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. Q. Overeijnder.






1De procedure tot nu toe


1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
- het verzoekschrift van de man, ontvangen op 17 mei 2019;
- het verweerschrift van de vrouw met zelfstandige verzoeken en bijlagen 1 tot en met 3, ontvangen op 6 september 2019;
- het verweerschrift van de man op de zelfstandige verzoeken met bijlage, ontvangen op 1 november 2019
- het F9-formulier van 16 juni 2020 van de vrouw met bijlage;
- het F9-formulier van 30 juni 2020 van de man met bijlage;
- de brief van 26 oktober 2020 van de man met bijlagen 2 tot en met 8;
- het F9-formulier van 24 oktober 2020 van de vrouw met bijlagen;
- de brief van 29 oktober 2020 van de man met bijlagen 9 tot en met 11;
- het F9-formulier van 2 november 2020 van de vrouw met bijlage.



1.2.
De verzoeken zijn besproken op de zitting van 4 november 2020, die achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden. Dat betekent dat er geen publiek aanwezig was. Aanwezig waren partijen met hun advocaten. De advocaat van de vrouw heeft ter zitting onder meer het woord gevoerd aan de hand van pleitnotities. De vrouw heeft ter zitting nadere stukken overgelegd.






2De feiten


2.1.
Partijen zijn op 3 november 1994 met elkaar gehuwd te [plaats] .



2.2.
Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.



2.3.

Bij beschikking van deze rechtbank van 7 augustus 2020 zijn tussen partijen voorlopige voorzieningen getroffen. In deze beschikking heeft de rechtbank – onder meer – het verzoek van de vrouw tot partneralimentatie afgewezen. De rechtbank heeft daartoe als volgt overwogen:

“4.3 De rechtbank stelt vast dat in de inkomenspositie van partijen een verschil zit, in die zin dat de man een hoger maandelijks inkomen ontvangt dan de vrouw.


De vrouw heeft echter naar het oordeel van de rechtbank in de onderhavige procedure, waarin de man de door de vrouw gestelde behoefte bovendien gemotiveerd heeft weersproken, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij bij het treffen van een voorlopige voorziening voldoende belang heeft. Sinds haar vertrek in 2017 uit de woning heeft zij zich immers kunnen redden met haar eigen inkomen, al dan niet met hulp van haar partner. Bij deze stand van zaken lag het op de weg van de vrouw nader te motiveren waarom van haar niet gevraagd kan worden te wachten op de beslissing in de bodemzaak. Dat heeft zij nagelaten. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.”







3De beoordeling


3.1.

Scheiding



3.1.1.
De man heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.



3.1.2.
De vrouw heeft verzocht het verzoek tot echtscheiding toe te wijzen. Zij heeft de gestelde duurzame ontwrichting niet betwist.



3.1.3.
Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift beide partijen in ieder geval de Nederlandse nationaliteit bezaten, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.



3.1.4.
Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.



3.1.5.
Het verzoek tot echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen.




3.2.

Partneralimentatie



3.2.1.
De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) vast te stellen van € 1.384,26 netto per maand, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie redelijk acht, met ingang van 1 juni 2019. De vrouw heeft hiertoe gesteld dat zij behoefte heeft aan een bijdrage van de man omdat zij niet in staat is om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De vrouw ontvangt een WAO-uitkering van € 388,36 per maand en is al jarenlang 100% afgekeurd. Volgens de vrouw heeft de man voldoende draagkracht om volledig in haar aanvullende behoefte van € 1.384,26 per maand te voorzien. De vrouw betwist dat zij al twee en een half jaar samenwoont met haar nieuwe partner.



3.2.2.
De man heeft verweer gevoerd tegen het verzoek tot partneralimentatie en geconcludeerd tot afwijzing. Volgens de man kan partneralimentatie pas verzocht worden vanaf de datum van de echtscheidingsbeschikking, maar aangezien de vrouw samenwoont met haar nieuwe partner heeft zij geen recht meer op partneralimentatie, aldus de man. Verder heeft de man verweer gevoerd tegen de door de vrouw gestelde behoefte en behoeftigheid. Ttot slot heeft de man gesteld dat hij onvoldoende draagkracht heeft om een bijdrage aan de vrouw te betalen.



Bevoegdheid en toepasselijk recht




3.2.3.
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het alimentatieverzoek op grond van artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008).



3.2.4.
Op grond van artikel 3 van het Alimentatie Protocol van 23 november 2007 worden de onderhoudsverplichtingen in beginsel beheerst door het recht van de staat waar de onderhoudsgerechtigde de gewone verblijfsplaats heeft. Nu de vrouw voorheen in Portugal woonde en zich op 7 mei 2020 weer in Nederland heeft gevestigd betekent dit dat in beginsel tot 7 mei 2020 Portugees recht van toepassing is op het verzoek tot partneralimentatie en vanaf 7 mei 2020 Nederlands recht. Conform artikel 5 van het Alimentatie Protocol is artikel 3 van de Alimentatieverordening niet van toepassing indien één van de echtgenoten zich daartegen verzet en het recht van een andere staat, in het bijzonder de staat van de laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats, nauwer met het huwelijk is verbonden. In dat geval is het recht van die andere staat van toepassing. Beide partijen verzetten zich tegen toepassing van artikel 3 van voornoemde verordening. Zij stellen dat het recht van Nederland nauwer met het huwelijk is verbonden, omdat partijen bijna gedurende hun hele huwelijk in Nederland hebben gewoond en pas in 2017 naar Portugal zijn geëmigreerd. De rechtbank volgt partijen hierin en zal Nederlands recht op het verzoek tot partneralimentatie toepassen.



Inhoudelijk




3.2.5.
De rechtbank volgt de man in zijn stelling dat partneralimentatie op grond van artikel 1:157 lid 1 BW niet eerder kan ingaan dan vanaf de datum van deze (echtscheidings)-beschikking. Tussen partijen is echter niet in geschil dat de vrouw in ieder geval vanaf 7 mei 2020 samenwoont met haar nieuwe partner als waren zij gehuwd. Dit betekent dat de alimentatieverplichting van de man in ieder geval vanaf 7 mei 2020 is geëindigd op grond van artikel 1:160 BW, waardoor de vrouw per saldo geen recht (meer) heeft op partneralimentatie over de door haar verzochte periode. Voor zover de vrouw meent vóór de datum van deze beschikking behoeftig te zijn geweest had het op haar weg gelegen om wijziging van de voorlopige voorzieningen te verzoeken. Dit heeft zij niet gedaan, hetgeen voor haar rekening en risico dient te komen. Gelet op het voorgaande zal het verzoek tot partneralimentatie worden afgewezen. De overige stellingen behoeven daarom geen bespreking.




3.3.

Verdeling



3.3.1.

Partijen hebben beiden verzocht te bepalen dat de tussen partijen bestaande gemeenschap wordt verdeeld op de door hem c.q. haar voorgestelde wijze.

Bevoegdheid Nederlandse rechter




3.3.2.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat verweerder op de hoogte is gebracht van zijn recht om de bevoegdheid van de Nederlandse rechter te betwisten, alsmede wat de gevolgen zijn van het al dan niet verschijnen. Nu de rechtsmacht van de Nederlandse rechter niet voortvloeit uit andere bepalingen van de Verordening huwelijksvermogensstelsels en overeenkomstig artikel 26, lid 1, onder b) Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensstelsel van partijen en de man is verschenen en de rechtsmacht van de Nederlandse rechter niet heeft betwist en de zaak niet onder artikel 5, lid 1, van de verordening valt, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 8 van de verordening rechtsmacht om kennis te nemen van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen.



Toepasselijk recht




3.3.3.
Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing. Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht. Zij hadden bij de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna alleen de nationaliteit van Nederland gemeenschappelijk in de zin van artikel 15, lid 1 van het Verdrag. Zij hebben na de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna hun eerste gewone verblijfplaats op het grondgebied van dezelfde staat gevestigd. De gemeenschappelijke nationaliteit van partijen is die van een zogenaamd nationaliteitsland. Het land van de gemeenschappelijke nationaliteit heeft de verklaring van artikel 5 van het Verdrag afgelegd. Partijen woonden vóór het huwelijk al ten minste 5 jaar in het land van hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijksvoltrekking. Dit land beschouwt zich als een nationaliteitsland. Op grond van het bepaalde in artikel 4, lid 2 aanhef en sub 1 van het Verdrag werd vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking het gemeenschappelijke nationale recht van partijen, te weten het Nederlandse recht, van toepassing op hun huwelijksvermogensregime. Dit recht is daarop nog steeds van toepassing.



Algehele gemeenschap




3.3.4.
Nu niet is gesteld of gebleken dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, moet gelet op het bepaalde in artikel 1:93 en 1:94, lid 1 BW (oud) worden aangenomen dat tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen bestaat. Dit betekent dat de gemeenschap ingevolge artikel 1:100 BW bij helfte dient te worden verdeeld.



Peildatum voor de omvang en samenstelling




3.3.5.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:99, eerste lid, sub b BW wordt de gemeenschap van goederen van rechtswege ontbonden op het moment van het indienen van het verzoekschrift tot echtscheiding. In deze zaak is het verzoekschrift ingediend op 17 mei 2019. Daarom geldt die datum als peildatum voor de omvang en samenstelling van de gemeenschap.



Peildatum voor de waardering




3.3.6.
Voor wat betreft de waarde van de boedelbestanddelen zal ten aanzien van de schulden en banksaldi in beginsel worden uitgegaan van de waarde per voornoemde peildatum (17 mei 2019) en ten aanzien van de overige boedelbestanddelen in beginsel van de waarde op het moment van de feitelijke verdeling.



Omvang van de gemeenschap




3.3.7.

Gelet op de hiervoor genoemde datum van ontbinding van de gemeenschap van goederen moet voor de verdeling gekeken worden naar de goederen en schulden die op
17 mei 2019 aanwezig waren. Partijen zijn het erover eens dat de saldi op 17 mei 2019 van de hierna volgende rekeningen in de gemeenschap vallen:




[rekeningnummer 1] op naam van de vrouw;



[rekeningnummer 2] op naam van de vrouw;



[rekeningnummer 3] op naam van de man;



[naam bank] [rekeningnummer 4] op naam van de man;





[rekeningnummer 5] op naam van man;



[rekeningnummer 6] op naam van partijen;



[rekeningnummer 7] op naam van partijen;





3.3.8.
Partijen zijn het er verder over eens dat iedere partij de rekeningen op zijn of haar eigen naam behoudt. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen gezamenlijke rekeningen, voor zover dit nog niet is gebeurd, zullen opheffen. Ten aanzien van de saldi op de bankrekeningen geldt het uitgangspunt dat het positieve saldo op de peildatum van 17 mei 2019 bij helfte wordt verdeeld. Voor zover er een negatief saldo is, zijn partijen hier bij helfte draagplichtig voor. Partijen dienen elkaar een kopie van een bankafschrift te verschaffen waaruit het saldo op 17 mei 2019 blijkt.



3.3.9.
Partijen verschillen van mening of de hierna volgende goederen en schulden deel uitmaakten van de gemeenschap op 17 mei 2019:


saldi op hierna te noemen bankrekeningen;


een bedrag van € 30.000,- aan contanten in de kluis;


het door de vrouw opgenomen bedrag van € 20.100,-;


diverse schulden.





Ad a. saldi op diverse bankrekeningen




3.3.10.
Ter zitting is niet duidelijk geworden of de bankrekeningen met nummers [rekeningnummer 8] , [rekeningnummer 9] en de rekening met nummer [rekeningnummer 10] rekeningen op naam van de vrouw zijn, zoals de man gemotiveerd heeft gesteld. Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat zij de tenaamstelling van voornoemde rekeningen nog nader gaan uitzoeken. Voor zover de rekeningen inderdaad op naam van de vrouw staan, geldt hiervoor hetzelfde als hiervoor is overwogen ten aanzien van de verdeling bij helfte van het saldo op 17 mei 2019, dan wel de draagplicht bij een negatief saldo.



Ad. b. het bedrag van € 30.000,- aan contanten in de kluis




3.3.11.
De man heeft primair gesteld dat er op de peildatum een contant bedrag van € 30.000,- in de kluis/geldkist van partijen aanwezig was. Hij voert hiertoe aan dat partijen toen zij vanuit Nederland naar Portugal vertrokken een bedrag van € 30.000,- in contanten mee naar Portugal hebben genomen. De man stelt het geld in mei 2018 nog te hebben geteld, toen was het € 30.000,-. Volgens de man dient het geld aan de vrouw te worden toegedeeld, onder de verplichting hem een bedrag van € 15.000,- te betalen. Voor zover het bedrag op de peildatum niet langer aanwezig is, stelt de man zich met een beroep op artikel 1:164 BW op het standpunt dat de vrouw dit bedrag heeft verspild en zij dan ook € 30.000,- aan de gemeenschap dient te vergoeden, zodat hem ook uit die hoofde een bedrag van € 15.000,- toekomt.



3.3.12.
De vrouw betwist dat er op 17 mei 2019 een bedrag van € 30.000,- aan contanten aanwezig zou zijn geweest. In 2017 is er twee maal (en wel op 7 april 2017 en 9 juni 2017) een bedrag van € 10.000,- van de SNS spaarrekening van partijen met rekeningnummer [rekeningnummer 3] overgemaakt naar de lopende betaalrekening bij de Rabobank met nummer [rekeningnummer 7] . Het totale bedrag van € 20.000,- is vervolgens in contanten meegenomen naar Portugal en in de periode van juni 2017 tot december 2018 uitgegeven. Het gaat volgens de vrouw om de volgende uitgaven:


€ 5.000,- schenking aan haar zoon [naam zoon] in november 2017;


€ 2.000,- cash betaling voor het vervoer van huisraad van Nederland naar Portugal in juli 2017;


€ 4.000,- in verband met elf bezoeken naar Nederland (zij bijlage 1 bij productie 1 verweerschrift van de vrouw);


€ 5.000,- cash verdeling tussen de man en de vrouw;


€ 4.000,- extra uitgaven (cadeaus kinderen van de vrouw, vliegreizen en verblijf kinderen van de vrouw en ontspanningsactiviteiten).


Volgens de vrouw is op 3 juli 2017 eveneens een bedrag van € 10.000,- overgemaakt, met welk geld de kosten van de makelaar € 2.475,- en de notaris van € 7.610,43 is voldaan.



3.3.13.
De rechtbank overweegt als volgt. Het is aan de man die zich beroept op het rechtsgevolg van verdeling van een bedrag van € 30.000,- aan contanten om te stellen en zo nodig te bewijzen dat op de peildatum van de omvang van de gemeenschap, derhalve op 17 mei 2019, het bedrag van € 30.000,- nog aanwezig was. Het enkele feit dat partijen - naar de man stelt - in 2017 nog een bedrag van € 48.000,- aan banksaldi hadden en een effectenpolis van € 15.000,- kan nog niet tot de conclusie leiden dat op 17 mei 2019, derhalve anderhalf jaar later, nog steeds een bedrag van € 30.000,- contant aanwezig was. De man heeft nota bene zelf gezegd dat hij na mei 2018 het geld zelf niet meer heeft gezien. De man heeft weliswaar gesteld dat het geld nog wel aanwezig moet zijn omdat de vrouw in die periode nog toegang had tot de bankrekeningen van partijen en dus geen contant geld nodig had, maar hij heeft hiervan geen concreet bewijs (aangeboden). Dat de man de door de vrouw gestelde uitgaven over de periode juni 2017- oktober 2018 betwist, maakt evenmin dat hiermee vast is komen te staan dat anderhalf jaar na opname het bedrag van € 20.000,- nog steeds aanwezig was, laat staan een bedrag van € 30.000,-. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank niet kan vaststellen dat het bedrag van € 30.000,- aan contanten op 17 mei 2019 in de gemeenschap viel en het daarmee dus ook niet kan worden verdeeld.



3.3.14.

De man heeft subsidiair betoogd dat de vrouw het bedrag van € 30.000,- heeft verspild. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:164 BW geldt dat indien een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap van goederen door één van hen is benadeeld doordat hij na de aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvóór lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der gemeenschap heeft verspild, of rechtshandelingen als bedoeld in artikel 1:88 BW zonder de vereiste toestemming of beslissing van de rechtbank heeft verricht, hij gehouden is na de inschrijving van de beschikking waarbij de echtscheiding is uitgesproken, de aangerichte schade aan de gemeenschap te vergoeden.
Nu onvoldoende is gesteld of gebleken dat het bedrag van € 30.000,- nog wel aanwezig was op 17 november 2019, kan alleen al om die reden geen sprake zijn van een geslaagd beroep op artikel 1:164 BW. Immers, de reikwijdte van dit artikel ziet op de periode 17 november 2018 tot 17 mei 2019 en niet kan worden vastgesteld dat het geld op 17 november 2018 aanwezig was en pas daarna zou zijn verspild. Het subsidiaire beroep wordt dan ook verworpen.




Ad c. het door de vrouw opgenomen bedrag van € 20.100,-




3.3.15.
De man stelt dat de vrouw eind november 2018 in totaal een bedrag van € 20.100,- van de gezamenlijke rekening van partijen naar haar eigen rekening heeft overgemaakt. Het gaat om de volgende afschrijvingen:


€ 6.519,- op 20 november 2018;


€ 1.250,- op 22 november 2018; en


€ 12.331,- op 30 november 2018.


Ook ten aanzien van deze bedragen stelt de man zich met een beroep op artikel 1:164 BW op het standpunt dat de vrouw deze bedragen aan de gemeenschap dient te vergoeden wegens verkwisting dan wel verspilling, zodat hem een bedrag van € 10.500,- toekomt.



3.3.16.
De vrouw erkent dat zij voornoemde bedragen van de gezamenlijke rekening naar haar eigen rekening heeft overgemaakt, maar zij stelt dit te hebben gedaan zodat derden er niet zomaar bij konden. Volgens de vrouw is het geld gezamenlijk door partijen verbruikt. Zij betwist dat dat zij € 20.100,- heeft verkwist. Zij heeft naar eigen zeggen de volgende uitgaven gedaan:


€ 11.000,- zijnde een bedrag van € 2.200,- per maand gedurende vijf maanden voor levensonderhoud over de periode van januari 2019 tot en met mei 2019;


€ 2.200,- vakantiegeld. Dit is gelijk aan wat de man heeft ontvangen in deze periode;


€ 2.500 reis- en verblijfkosten en kosten extra personeel voor [naam zoon] december 2018 in verband met huwelijkse crisis;


€ 1.481,50 ziektekostenverzekering 2019;


€ 1.500,- verblijfskosten van 2 weken in Nederland voor ziekenhuis onderzoeken december 2018;


€ 500,- dierenpension en dierenarts december 2018;


€ 800,- kerstcadeaus voor drie kinderen met partners en twee kleinkinderen in 2018.





3.3.17.
Nu de vrouw heeft erkend dat zij ná 17 november 2018 een bedrag van € 21.100,- naar haar privé rekening heeft overgemaakt en verbruikt staat vast dat dit bedrag binnen de periode van art 1:164 BW valt. De rechtbank dient dan ook te beoordelen of sprake is van verspilling als bedoeld in voormeld artikel. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.



3.3.18.
Ingevolge artikel 1:84 lid 1 BW komen, indien het inkomen ontoereikend is, de kosten van de huishouding ten laste van het gemeenschappelijke vermogen van partijen zolang het huwelijk niet is ontbonden. Voor zover de vrouw het bedrag van € 21.100,- heeft aangewend voor de kosten van de huishouding of voor andere noodzakelijke (ten laste van de gemeenschap komende) kosten, kan derhalve niet worden geoordeeld dat sprake is verspilling en daarmee van benadeling van de gemeenschap voor het daarmee gemoeide deel van het bedrag. Het ligt op de weg van de vrouw inzicht te geven in de wijze waarop zij het voornoemde bedrag heeft besteed.



3.3.19.

De rechtbank stelt vast dat de vrouw de door haar genoemde kosten en de betaling daarvan niet heeft onderbouwd met stukken. De enkele verwijzing naar een door de vrouw opgesteld overzicht van die kosten is daarvoor onvoldoende. Voor zover die kosten überhaupt zijn aan te merken als kosten van de huishouding - bij voorlopige voorzieningen was nota bene gezegd dat de man geen bijdrage aan de vrouw diende te betalen en verzocht de vrouw een lager bedrag dan zij nu stelt zichzelf te hebben toegekend - kan de rechtbank de hoogte daarvan niet vaststellen alsmede kan zij niet vaststellen of deze kosten daadwerkelijk door de vrouw zijn voldaan. De vrouw heeft hiermee onvoldoende gemotiveerd de stelling van de man betwist dat de vrouw de gemeenschap voor een bedrag van € 20.100,- heeft benadeeld. Dit brengt met zich mee dat de vrouw de aangerichte schade aan de gemeenschap dient te vergoeden en uit dien hoofde de helft van dit bedrag
(€ 10.500,-) aan de man moet betalen. De rechtbank zal aldus beslissen.




Ad d. diverse schulden




3.3.20.
De vrouw heeft gesteld dat de lening bij [naam geldlener 1] van € 4.000,- en de lening bij [naam geldlener 2] van € 1.540,- in de gemeenschap vallen, welke schulden bij helfte moeten worden verdeeld. De man heeft betwist dat deze leningen vóór de peildatum zijn aangegaan, waardoor deze volgens de man buiten de gemeenschap vallen. Daarnaast heeft de man op zijn beurt gesteld dat de lening bij [naam geldlener 3] van € 2.250,- en de lening bij [naam geldlener 4] van € 2.000,- binnen de gemeenschap vallen, zodat de vrouw een bedrag van € 2.125,- aan de man verschuldigd is. De vrouw heeft het bestaan van deze leningen betwist.



3.3.21.
De rechtbank stelt voorop dat zij geen schulden kan verdelen, aangezien een schuld geen goed is en voor de overgang van schulden de medewerking nodig is van de crediteur. Wel kan de rechtbank bepalen wat de gevolgen tussen partijen onderling zijn indien één van beide partijen de betaling van de schulden op zich neemt. Als hoofdregel geldt dat partijen in beginsel gelijk draagplichtig zijn voor gemeenschapsschulden. Slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden kan hiervan worden afgeweken.



3.3.22.
Ten aanzien van de lening bij [naam geldlener 1] overweegt de rechtbank dat uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt dat de vrouw deze leningen is aangegaan ná de peildatum, zodat deze niet in de gemeenschap vallen.



3.3.23.
Ten aanzien van de leningen van de man bij [naam geldlener 3] en [naam geldlener 4] is de rechtbank van oordeel dat de man het bestaan van deze leningen, gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw onvoldoende heeft aangetoond met de door hem overgelegde leningsovereenkomst. Zo is geen bewijs van betaling overgelegd of een rekeningafschrift waaruit blijkt dat dit geld is bijgeschreven. Evenmin blijkt van aflossingen die het bestaan van een leenovereenkomst kunnen onderbouwen. Het verzoek van de man ten aanzien van de draagkracht van de schulden zal dan ook worden afgewezen.




3.4.
Al het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.





4De beslissing


De rechtbank:




In de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/667338 / FA RK 19-3391:




4.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op 3 november 1994;



4.2.
wijst het meer of anders verzochte af.



In de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/679142 / FA RK 20-425:





4.3.
gelast de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap als volgt:


4.3.1.
deelt aan de vrouw toe het saldo op de hieronder genoemde bankrekeningen, onder de gehoudenheid van de vrouw om de man de helft van het saldo op 17 mei 2019 te betalen;



[rekeningnummer 1] op naam van de vrouw;



[rekeningnummer 2] op naam van de vrouw;




4.3.2.
deelt voorts aan de vrouw toe de helft van het saldo op 17 mei 2019 op de hierna volgende rekeningen:



[rekeningnummer 6] op naam van partijen;



[rekeningnummer 7] op naam van partijen;





4.3.3.
deelt aan de man toe het saldo op de hieronder genoemde bankrekeningen, onder de gehoudenheid van de man om de vrouw de helft van het saldo op 17 mei 2019 te betalen;
- [naam bank] [rekeningnummer 4] op naam van de man;
- [rekeningnummer 5] op naam van man;



4.3.4.
deelt voorts aan de man toe de helft van het saldo op 17 mei 2019 op de hierna volgende rekeningen:



[rekeningnummer 6] op naam van partijen;



[rekeningnummer 7] op naam van partijen;





4.3.5.
bepaalt dat voor zover voornoemde bankrekeningen een negatief saldo hebben, partijen hiervoor bij helfte draagplichtig zijn;



4.3.6.
bepaalt dat partijen elkaar over en weer inzage moeten verschaffen in de saldi op 17 mei 2019 op voornoemde rekeningen;



4.3.7.
bepaalt dat, in het geval de bankrekeningen met nummer [rekeningnummer 8] , [rekeningnummer 9] en de rekening met nummer [rekeningnummer 10] rekeningen op naam van de vrouw zijn, het saldo op deze rekeningen aan de vrouw dient te worden toebedeeld onder de gehoudenheid de helft van de saldi op 17 mei 2019 aan de man te betalen; voor zover deze rekeningen een negatief saldo hebben, zijn beide partijen bij helfte draagplichtig;




4.4.
veroordeelt de vrouw een bedrag van € 10.500,- (tienduizend vijfhonderd euro) aan de man te betalen;



4.5.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;



4.6.
wijst het meer of anders verzochte af.


Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Troost, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.M. Geerding op 9 december 2020.



De griffier is buiten staat
de beschikking te tekenen.







Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.