Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2020:3837
2020-08-12
Civiel recht
C/13/676672 / HA ZA 19-1313
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verdeling. Peildatum waardering voormalige echtelijke woning in dit geval op grond van de redelijkheid en de billijkheid vastgesteld op datum in het verleden omdat partijen zich hebben gedragen alsof de verdeling reeds was afgewikkeld
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (19.483 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/676672 / HA ZA 19-1313
Vonnis van 12 augustus 2020
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. S. Salhi te 's-Gravenhage,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. A. el Aqde te Amsterdam.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 10 juni 2020;
de conclusie van antwoord in reconventie;
het proces-verbaal van comparitie.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Partijen zijn op 25 juni 2005 gehuwd te [woonplaats] (Marokko). Het huwelijk van partijen is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 25 september 2013 van de rechtbank te [woonplaats] (Marokko) in de registers van de burgerlijke stand te ’s-Gravenhage.
2.2.
Partijen hebben de Marokkaanse en de Nederlandse nationaliteit.
2.3.
Partijen hebben op 17 augustus 2007 gezamenlijk, ieder voor de onverdeelde helft, de eigendom verworven van de onroerende zaak aan de [adres] (hierna: de woning). Partijen zijn voor de financiering van de woning gezamenlijk een hypothecaire geldlening aangegaan bij Nationale Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V..
3Het geschil
in conventie
3.1.
De man vordert samengevat – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen en te bepalen dat de echtelijke woning aan de [adres] alsmede de hieraan gekoppelde hypotheekschuld en polissen bij Nationale Nederlanden, zonder nadere verrekening, aan de man wordt toegedeeld;
II. teneinde de volledige eigendom van de woning aan de [adres] te doen overgaan op de man, primair te bepalen dat het vonnis in de plaats zal treden van de definitief op te maken notariële akte verdeling registergoed, subsidiair, de vrouw te veroordelen haar medewerking te verlenen om tezamen met de man, binnen een maand na betekening van het vonnis, althans binnen een zodanige termijn als de rechtbank juist acht, definitief op te maken notariële akte tot verdeling registergoed c.q. levering van de woning aan de man, onder verbeurte van een dwangsom ad € 250,- althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, voor iedere dag na het verstrijken van de termijn, een dagdeel daaronder begrepen, dat de vrouw nalaat om de voor het opmaken van de akte noodzakelijke medewerking te verlenen;
III. de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure.
3.2.
De vrouw voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
De vrouw vordert – samengevat en na intrekking van haar overige vorderingen tijdens de comparitie – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de wijze van verdeling te gelasten als volgt:
Voor het geval toedeling van de woning aan de man kan worden gerealiseerd onder ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid:
- te bepalen dat de woning [adres] alsmede de hypothecaire geldlening verbonden spaarpolis aan de man wordt toegedeeld, onder de voorwaarde dat binnen drie maanden na de te wijzen beschikking, duidelijk is dat de man de overname van het aandeel van de vrouw in de woning zal kunnen financieren en dat de vrouw zal kunnen worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid uit hoofde van de hypothecaire geldlening en onder de verplichting:
- de hypothecaire geldlening geheel voor zijn rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen en de vrouw zal doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze hypothecaire geldlening;
- de helft van de overwaarde van de woning (deze overwaarde bestaande uit de taxatiewaarde na aftrek van de hypothecaire geldlening op het moment van de notariële overdracht aan de man, waarbij de waarde van de aan de lening verbonden spaarpolis per peildatum is opgeteld) aan de vrouw te vergoeden;
- te bepalen dat de levering van de woning aan de man plaats dient te vinden binnen vier weken nadat de man aan de vrouw (binnen de hiervoor gemelde termijn van drie maanden) heeft bericht dat hij de woning kan overnemen;
- te bepalen dat de kosten van het notariële transport van de woning voor rekening van de man komen.
Voor het geval toedeling van de woning onder ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid niet binnen drie maanden zal zijn gerealiseerd:
- voor dat geval te bepalen dat verkoop van de woning geschiedt binnen vier weken nadat de termijn voor notariële overdracht van het aandeel van de vrouw in de woning aan de man, is verstreken door middel van een opdracht aan één door partijen samen aangewezen gemeenschappelijke taxateur/makelaar, hetzij aan een door ieder van partijen aangewezen taxateur/makelaar die dan gezamenlijk een derde taxateur/makelaar aanwijzen;
- te bepalen dat ieder van partijen is gehouden deze taxateur/makelaar daartoe opdracht te geven;
- te bepalen dat, indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening erin slagen gezamenlijk de vraagprijs te betalen, de taxateur/makelaar een door hem/haar vast te stellen bindende marktconforme vraagprijs bepaalt;
- te bepalen dat partijen in overleg met de taxateur/makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt, indien en voor zover die prijs volgens beide partijen, gezien de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunne of een aanbod de best mogelijke prijs is, te bepalen dat de taxateur/makelaar die naar beste weten en kunnen bindend bepaalt;
- te bepalen dat als de verkoopprijs bindend is vastgesteld beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan derden;
- te bepalen dat als de verkoopprijs bindend is vastgesteld beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan derden;
- te bepalen dat de hypothecaire geldlening, nadat daarop de waarde van de aan die lening gekoppelde spaarpolis per waarde peildatum in mindering is gebracht, bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht zal worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de voormalige echtelijke woning;
- te bepalen dat het restant gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld, dan wel dat ieder van partijen de helft van de restschuld zal dragen;
- te bepalen dat iedere partij bij overdracht aan een derde gehouden is de helft van de kosten van de taxateur/makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen;
II. de man te veroordelen in de kosten van de procedure.
3.5.
De man voert verweer.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
in conventie en in reconventie
Rechtsmacht
4.1.
De Nederlandse rechter heeft op grond van artikel 6, sub a van de Huwelijksvermogensrecht Verordening rechtsmacht ten aanzien van de vorderingen nu partijen allebei hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.
Toepasselijk recht
4.2.
Nu partijen gehuwd zijn na 1 september 1992 zal de rechtbank het toepasselijk recht op het huwelijksvermogensregime van partijen vast stellen aan de hand van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (hierna: het Verdrag).
Vast staat dat na het huwelijk van partijen de man teruggekeerd is naar Nederland en dat de vrouw in Marokko is blijven wonen. Daarom was direct na de huwelijkssluiting op grond van artikel 4, lid 2 onder 3 van het Verdrag het Marokkaanse recht van toepassing.
4.3.
Partijen verschillen van mening over de feitelijke gang van zaken nadien. Volgens de man hebben partijen zich op 22 februari 2006 gezamenlijk in Spanje gevestigd, waar zij ongeveer een jaar hebben gewoond waarna zij samen in Nederland zijn gaan wonen. De man heeft gesteld dat gelet hierop vanaf het moment dat partijen zich in Spanje hebben gevestigd, het Spaanse recht van toepassing is geworden op het huwelijksvermogensregime van partijen. De vrouw heeft betwist dat partijen in Spanje zijn gaan wonen. Volgens de vrouw is zij na het huwelijk op illegale wijze met de man naar Nederland gekomen. Zij weet niet meer precies hoe dit is gegaan. Dit was na zes maanden na de huwelijkssluiting, maar een eerste huwelijksdomicilie in de zin van het Verdrag kan ook na zes maanden worden gevestigd. Later bleek dat het lastig was een verblijfsvergunning te krijgen, waarna voor de zogenoemde België route is gekozen. De man heeft partijen in Spanje ingeschreven en op die manier kon de vrouw zich later ook officieel bij de man in Nederland vestigen. De vrouw heeft betwist dat zij feitelijk in Spanje heeft gewoond. Volgens de vrouw is na de huwelijkssluiting het Marokkaanse recht van toepassing geworden en is dat pas gewijzigd op het moment dat zij in 2016 de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen.
4.4.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de door de man overgelegde stukken blijkt dat beide partijen op 22 februari 2006 in de gemeente [gemeente] (Spanje) zijn ingeschreven. Verder blijkt uit de door de man overgelegde stukken dat de vrouw zich op 27 maart 2007 in Nederland heeft gevestigd. De vrouw heeft tegenover de betwisting door de man niet aangetoond dat zij voor deze datum al woonachtig was in Nederland. Naar het oordeel van de rechtbank is er gelet op de data van het huwelijk en de inschrijving in de verschillende registers geen sprake van een eerste huwelijksdomicilie in de zin van het Verdrag. De rechtbank is niet in staat, nu partijen de stellingen van de ander over en weer betwisten, vast te stellen in welk land zij zich als eerste gezamenlijk hebben gevestigd. Dit is ofwel Nederland geweest ofwel Spanje. Op grond van artikel 7, lid 2 onder 3 van het Verdrag is dan ofwel vanaf 22 februari 2006 het Spaanse recht van toepassing ofwel vanaf 27 maart 2007 het Nederlandse recht. Nu in ieder geval vast staat dat partijen de woning in Nederland gezamenlijk hebben aangekocht, zal de rechtbank Nederlands recht toepassen. De woning behoort immers ofwel tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap naar Nederlands recht ofwel betreft een eenvoudige gemeenschap naar Nederlands recht.
in conventie
4.5.
De man heeft aan zijn vordering – kort weergegeven – ten grondslag gelegd dat partijen in 2012 zijn overeengekomen dat de woning aan hem zou worden toegedeeld onder de verplichting de hypothecaire geldlening op zich te nemen, zonder verrekening van de op dat moment bestaande onderwaarde van de woning. Ook de overige schulden zou de man op zich nemen zonder verrekening daarvan met de vrouw. Dit was voor de vrouw een gunstige afspraak. Partijen hebben deze afspraak vervolgens niet geëffectueerd en nu wil de vrouw niet meer meewerken aan uitvoering van de afspraak. Dat hij niet eerder een procedure is gestart komt volgens de man door de omstandigheden dat hij erg geleden heeft onder de scheiding en ook bang was dat een procedure gevolgen zou hebben voor zijn relatie met de kinderen van partijen. De man was bang dat hij de kinderen niet meer zou mogen zien. Partijen hebben zich na 2012 wel gedragen alsof de woning al was verdeeld. De man heeft alle lasten van de woning voor zijn rekening genomen alsook het onderhoud verzorgd en betaald. De vrouw heeft bij de gemeente in verband met haar uitkering krachtens de Participatiewet ook niet opgegeven dat zij eigenaar is van een woning. Ook heeft de vrouw dit vermogen niet in haar belastingaangifte opgenomen. In het echtscheidingsverzoek dat in 2012 namens de vrouw bij de Nederlandse rechter is ingediend staat de woning ook als gemeenschappelijk eigendom vermeld en wordt ook verzocht de woning aan de man toe te delen.
4.6.
De vrouw heeft – samengevat – het volgende verweer gevoerd. De vrouw heeft betwist dat partijen in 2012 overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van de woning en dat voor de waardering uitgegaan moet worden van een peildatum in 2012. Volgens vaste rechtspraak geldt, aldus de vrouw, dat voor de waardering uitgegaan moet worden van de datum waarop de verdeling plaatsvindt. De vrouw heeft verder gesteld dat zij niet wist dat de woning ook op haar naam stond. Zij is daar pas in 2018 achter gekomen, toen zij de man vroeg om een handtekening voor het aanvragen van een paspoort voor de kinderen van partijen. De man wilde enkel zijn handtekening zetten, aldus de vrouw, indien zij zou tekenen voor de overdracht van haar aandeel in de woning aan de man. De vrouw wenst de helft van de huidige overwaarde van de woning van de man te krijgen.
4.7.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de woning aan de man kan worden toegedeeld.
De rechtbank overweegt dat als peildatum voor de waarde in beginsel de datum van de verdeling geldt, behoudens andersluidende afspraken of afwijking op grond van de redelijkheid en de billijkheid. In dit geschil heeft op grond van redelijkheid en billijkheid als datum van de waardebepaling van de woning de datum van de echtscheiding in 2012 te gelden.
Daartoe overweegt de rechtbank dat de man na de echtscheiding met (stilzwijgende) instemming van de vrouw in de woning is blijven wonen, dat hij alle schulden van partijen, zowel de hypotheekschuld als overige schulden als zijn schulden heeft beschouwd en daarop aanzienlijke bedragen heeft afbetaald, dat de man alle overige met de bewoning van de woning gemaakte kosten, waaronder ook de onderhoudskosten, voor zijn rekening heeft genomen, alsmede dat de vrouw eerst aanspraak heeft gemaakt op een aandeel in de waarde van de woning, toen de man haar heeft gevraagd mee te werken aan het opmaken van een notariële leveringsakte, waarbij het aandeel van de vrouw in de woning aan de man zou worden overgedragen. Partijen hebben zich na 2012 ook gedragen alsof de woning na de echtscheiding was verdeeld. De vrouw heeft de woning immers niet gemeld bij de gemeente toen zij aanspraak heeft gemaakt op een uitkering krachtens de Participatiewet, terwijl de gemeente de bijstand ook nog op de man heeft verhaald. Ook heeft de vrouw, zo is door de man onweersproken gesteld, de eigendom van de woning niet bij de belastingdienst gemeld. Dat de vrouw eerst in 2018 erachter kwam dat zij een woning bezat, acht de rechtbank niet aannemelijk. Niet alleen was de vrouw blijkens de door de man overgelegde leveringsakte aanwezig bij de notaris op het moment van levering van de woning, ook is in het namens de vrouw in 2012 ingediende echtscheidingsverzoek de verdeling van de woning aan de orde gesteld.
4.8.
De man heeft onbetwist gesteld dat de hypothecaire schuld in 2012 € 228.700,- bedroeg, terwijl de woning € 224.000,- waard was. Er was derhalve sprake van een onderwaarde. De man maakt echter geen aanspraak daarop ten laste van de vrouw. Bij deze stand van zaken zal de rechtbank de woning alsmede de aan de hypotheek gekoppelde polissen aan de man toedelen en de man verplichten de hypothecaire schuld als eigen schuld te voldoen en de man veroordelen eraan mee te werken dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, zonder dat de man of de vrouw tot enige betaling uit over- of onderbedeling zal worden veroordeeld.
4.9.
Ook de primaire vordering van de man dat dit vonnis in de plaats zal treden van de definitief op te maken notariële akte verdeling registergoed wijst de rechtbank toe. De vrouw heeft er tot op heden geen blijk van gegeven vrijwillig haar medewerking aan de levering van haar aandeel te verlenen en voorts ook geen verweer tegen deze vordering gevoerd.
in reconventie
4.10.
Nu de rechtbank de vorderingen van de man toewijst, komt de rechtbank niet meer toe aan de vorderingen van de vrouw. Dezen wijst de rechtbank dan ook af.
in conventie en in reconventie
4.11.
In de omstandigheid dat het een geding betreft tussen twee personen die gehuwd zijn geweest, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de proceskosten tussen partijen te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De rechtbank
in conventie
5.1.
stelt de verdeling van de woning gelegen aan de [adres] aldus vast dat de woning alsmede de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde polissen aan de man worden toegedeeld onder de verplichting de hypothecaire geldlening als eigen schuld te voldoen en zijn medewerking te verlenen aan het ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, zonder dat partijen jegens elkaar tot enige betaling uit over- of onderbedeling gehouden zijn;
5.2.
bepaalt, op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW dat dit vonnis, onder de voorwaarde dat de man ervoor zorgdraagt dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire verplichtingen, dezelfde kracht zal hebben als in een wettige vorm opgemaakte notariële akte tot eigendomsoverdracht van het aandeel van de vrouw in de woning aan [adres] aan de man, welk vonnis voor inschrijving vatbaar is in de daartoe bestemde openbare registers;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
compenseert de kosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.5.
wijst af het meer of anders gevorderde;
in reconventie
5.6.
wijst af het gevorderde;
5.7.
compenseert de kosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.J. Evers, mr. H.P.E. Has en mr. C.C.M. Oude Hengel en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2020.
type:
coll:
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/676672 / HA ZA 19-1313
Vonnis van 12 augustus 2020
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. S. Salhi te 's-Gravenhage,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. A. el Aqde te Amsterdam.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 10 juni 2020;
de conclusie van antwoord in reconventie;
het proces-verbaal van comparitie.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Partijen zijn op 25 juni 2005 gehuwd te [woonplaats] (Marokko). Het huwelijk van partijen is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 25 september 2013 van de rechtbank te [woonplaats] (Marokko) in de registers van de burgerlijke stand te ’s-Gravenhage.
2.2.
Partijen hebben de Marokkaanse en de Nederlandse nationaliteit.
2.3.
Partijen hebben op 17 augustus 2007 gezamenlijk, ieder voor de onverdeelde helft, de eigendom verworven van de onroerende zaak aan de [adres] (hierna: de woning). Partijen zijn voor de financiering van de woning gezamenlijk een hypothecaire geldlening aangegaan bij Nationale Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V..
3Het geschil
in conventie
3.1.
De man vordert samengevat – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen en te bepalen dat de echtelijke woning aan de [adres] alsmede de hieraan gekoppelde hypotheekschuld en polissen bij Nationale Nederlanden, zonder nadere verrekening, aan de man wordt toegedeeld;
II. teneinde de volledige eigendom van de woning aan de [adres] te doen overgaan op de man, primair te bepalen dat het vonnis in de plaats zal treden van de definitief op te maken notariële akte verdeling registergoed, subsidiair, de vrouw te veroordelen haar medewerking te verlenen om tezamen met de man, binnen een maand na betekening van het vonnis, althans binnen een zodanige termijn als de rechtbank juist acht, definitief op te maken notariële akte tot verdeling registergoed c.q. levering van de woning aan de man, onder verbeurte van een dwangsom ad € 250,- althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, voor iedere dag na het verstrijken van de termijn, een dagdeel daaronder begrepen, dat de vrouw nalaat om de voor het opmaken van de akte noodzakelijke medewerking te verlenen;
III. de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure.
3.2.
De vrouw voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
De vrouw vordert – samengevat en na intrekking van haar overige vorderingen tijdens de comparitie – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de wijze van verdeling te gelasten als volgt:
Voor het geval toedeling van de woning aan de man kan worden gerealiseerd onder ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid:
- te bepalen dat de woning [adres] alsmede de hypothecaire geldlening verbonden spaarpolis aan de man wordt toegedeeld, onder de voorwaarde dat binnen drie maanden na de te wijzen beschikking, duidelijk is dat de man de overname van het aandeel van de vrouw in de woning zal kunnen financieren en dat de vrouw zal kunnen worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid uit hoofde van de hypothecaire geldlening en onder de verplichting:
- de hypothecaire geldlening geheel voor zijn rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen en de vrouw zal doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze hypothecaire geldlening;
- de helft van de overwaarde van de woning (deze overwaarde bestaande uit de taxatiewaarde na aftrek van de hypothecaire geldlening op het moment van de notariële overdracht aan de man, waarbij de waarde van de aan de lening verbonden spaarpolis per peildatum is opgeteld) aan de vrouw te vergoeden;
- te bepalen dat de levering van de woning aan de man plaats dient te vinden binnen vier weken nadat de man aan de vrouw (binnen de hiervoor gemelde termijn van drie maanden) heeft bericht dat hij de woning kan overnemen;
- te bepalen dat de kosten van het notariële transport van de woning voor rekening van de man komen.
Voor het geval toedeling van de woning onder ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid niet binnen drie maanden zal zijn gerealiseerd:
- voor dat geval te bepalen dat verkoop van de woning geschiedt binnen vier weken nadat de termijn voor notariële overdracht van het aandeel van de vrouw in de woning aan de man, is verstreken door middel van een opdracht aan één door partijen samen aangewezen gemeenschappelijke taxateur/makelaar, hetzij aan een door ieder van partijen aangewezen taxateur/makelaar die dan gezamenlijk een derde taxateur/makelaar aanwijzen;
- te bepalen dat ieder van partijen is gehouden deze taxateur/makelaar daartoe opdracht te geven;
- te bepalen dat, indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening erin slagen gezamenlijk de vraagprijs te betalen, de taxateur/makelaar een door hem/haar vast te stellen bindende marktconforme vraagprijs bepaalt;
- te bepalen dat partijen in overleg met de taxateur/makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt, indien en voor zover die prijs volgens beide partijen, gezien de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunne of een aanbod de best mogelijke prijs is, te bepalen dat de taxateur/makelaar die naar beste weten en kunnen bindend bepaalt;
- te bepalen dat als de verkoopprijs bindend is vastgesteld beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan derden;
- te bepalen dat als de verkoopprijs bindend is vastgesteld beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan derden;
- te bepalen dat de hypothecaire geldlening, nadat daarop de waarde van de aan die lening gekoppelde spaarpolis per waarde peildatum in mindering is gebracht, bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht zal worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de voormalige echtelijke woning;
- te bepalen dat het restant gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld, dan wel dat ieder van partijen de helft van de restschuld zal dragen;
- te bepalen dat iedere partij bij overdracht aan een derde gehouden is de helft van de kosten van de taxateur/makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen;
II. de man te veroordelen in de kosten van de procedure.
3.5.
De man voert verweer.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
in conventie en in reconventie
Rechtsmacht
4.1.
De Nederlandse rechter heeft op grond van artikel 6, sub a van de Huwelijksvermogensrecht Verordening rechtsmacht ten aanzien van de vorderingen nu partijen allebei hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.
Toepasselijk recht
4.2.
Nu partijen gehuwd zijn na 1 september 1992 zal de rechtbank het toepasselijk recht op het huwelijksvermogensregime van partijen vast stellen aan de hand van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (hierna: het Verdrag).
Vast staat dat na het huwelijk van partijen de man teruggekeerd is naar Nederland en dat de vrouw in Marokko is blijven wonen. Daarom was direct na de huwelijkssluiting op grond van artikel 4, lid 2 onder 3 van het Verdrag het Marokkaanse recht van toepassing.
4.3.
Partijen verschillen van mening over de feitelijke gang van zaken nadien. Volgens de man hebben partijen zich op 22 februari 2006 gezamenlijk in Spanje gevestigd, waar zij ongeveer een jaar hebben gewoond waarna zij samen in Nederland zijn gaan wonen. De man heeft gesteld dat gelet hierop vanaf het moment dat partijen zich in Spanje hebben gevestigd, het Spaanse recht van toepassing is geworden op het huwelijksvermogensregime van partijen. De vrouw heeft betwist dat partijen in Spanje zijn gaan wonen. Volgens de vrouw is zij na het huwelijk op illegale wijze met de man naar Nederland gekomen. Zij weet niet meer precies hoe dit is gegaan. Dit was na zes maanden na de huwelijkssluiting, maar een eerste huwelijksdomicilie in de zin van het Verdrag kan ook na zes maanden worden gevestigd. Later bleek dat het lastig was een verblijfsvergunning te krijgen, waarna voor de zogenoemde België route is gekozen. De man heeft partijen in Spanje ingeschreven en op die manier kon de vrouw zich later ook officieel bij de man in Nederland vestigen. De vrouw heeft betwist dat zij feitelijk in Spanje heeft gewoond. Volgens de vrouw is na de huwelijkssluiting het Marokkaanse recht van toepassing geworden en is dat pas gewijzigd op het moment dat zij in 2016 de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen.
4.4.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de door de man overgelegde stukken blijkt dat beide partijen op 22 februari 2006 in de gemeente [gemeente] (Spanje) zijn ingeschreven. Verder blijkt uit de door de man overgelegde stukken dat de vrouw zich op 27 maart 2007 in Nederland heeft gevestigd. De vrouw heeft tegenover de betwisting door de man niet aangetoond dat zij voor deze datum al woonachtig was in Nederland. Naar het oordeel van de rechtbank is er gelet op de data van het huwelijk en de inschrijving in de verschillende registers geen sprake van een eerste huwelijksdomicilie in de zin van het Verdrag. De rechtbank is niet in staat, nu partijen de stellingen van de ander over en weer betwisten, vast te stellen in welk land zij zich als eerste gezamenlijk hebben gevestigd. Dit is ofwel Nederland geweest ofwel Spanje. Op grond van artikel 7, lid 2 onder 3 van het Verdrag is dan ofwel vanaf 22 februari 2006 het Spaanse recht van toepassing ofwel vanaf 27 maart 2007 het Nederlandse recht. Nu in ieder geval vast staat dat partijen de woning in Nederland gezamenlijk hebben aangekocht, zal de rechtbank Nederlands recht toepassen. De woning behoort immers ofwel tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap naar Nederlands recht ofwel betreft een eenvoudige gemeenschap naar Nederlands recht.
in conventie
4.5.
De man heeft aan zijn vordering – kort weergegeven – ten grondslag gelegd dat partijen in 2012 zijn overeengekomen dat de woning aan hem zou worden toegedeeld onder de verplichting de hypothecaire geldlening op zich te nemen, zonder verrekening van de op dat moment bestaande onderwaarde van de woning. Ook de overige schulden zou de man op zich nemen zonder verrekening daarvan met de vrouw. Dit was voor de vrouw een gunstige afspraak. Partijen hebben deze afspraak vervolgens niet geëffectueerd en nu wil de vrouw niet meer meewerken aan uitvoering van de afspraak. Dat hij niet eerder een procedure is gestart komt volgens de man door de omstandigheden dat hij erg geleden heeft onder de scheiding en ook bang was dat een procedure gevolgen zou hebben voor zijn relatie met de kinderen van partijen. De man was bang dat hij de kinderen niet meer zou mogen zien. Partijen hebben zich na 2012 wel gedragen alsof de woning al was verdeeld. De man heeft alle lasten van de woning voor zijn rekening genomen alsook het onderhoud verzorgd en betaald. De vrouw heeft bij de gemeente in verband met haar uitkering krachtens de Participatiewet ook niet opgegeven dat zij eigenaar is van een woning. Ook heeft de vrouw dit vermogen niet in haar belastingaangifte opgenomen. In het echtscheidingsverzoek dat in 2012 namens de vrouw bij de Nederlandse rechter is ingediend staat de woning ook als gemeenschappelijk eigendom vermeld en wordt ook verzocht de woning aan de man toe te delen.
4.6.
De vrouw heeft – samengevat – het volgende verweer gevoerd. De vrouw heeft betwist dat partijen in 2012 overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van de woning en dat voor de waardering uitgegaan moet worden van een peildatum in 2012. Volgens vaste rechtspraak geldt, aldus de vrouw, dat voor de waardering uitgegaan moet worden van de datum waarop de verdeling plaatsvindt. De vrouw heeft verder gesteld dat zij niet wist dat de woning ook op haar naam stond. Zij is daar pas in 2018 achter gekomen, toen zij de man vroeg om een handtekening voor het aanvragen van een paspoort voor de kinderen van partijen. De man wilde enkel zijn handtekening zetten, aldus de vrouw, indien zij zou tekenen voor de overdracht van haar aandeel in de woning aan de man. De vrouw wenst de helft van de huidige overwaarde van de woning van de man te krijgen.
4.7.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de woning aan de man kan worden toegedeeld.
De rechtbank overweegt dat als peildatum voor de waarde in beginsel de datum van de verdeling geldt, behoudens andersluidende afspraken of afwijking op grond van de redelijkheid en de billijkheid. In dit geschil heeft op grond van redelijkheid en billijkheid als datum van de waardebepaling van de woning de datum van de echtscheiding in 2012 te gelden.
Daartoe overweegt de rechtbank dat de man na de echtscheiding met (stilzwijgende) instemming van de vrouw in de woning is blijven wonen, dat hij alle schulden van partijen, zowel de hypotheekschuld als overige schulden als zijn schulden heeft beschouwd en daarop aanzienlijke bedragen heeft afbetaald, dat de man alle overige met de bewoning van de woning gemaakte kosten, waaronder ook de onderhoudskosten, voor zijn rekening heeft genomen, alsmede dat de vrouw eerst aanspraak heeft gemaakt op een aandeel in de waarde van de woning, toen de man haar heeft gevraagd mee te werken aan het opmaken van een notariële leveringsakte, waarbij het aandeel van de vrouw in de woning aan de man zou worden overgedragen. Partijen hebben zich na 2012 ook gedragen alsof de woning na de echtscheiding was verdeeld. De vrouw heeft de woning immers niet gemeld bij de gemeente toen zij aanspraak heeft gemaakt op een uitkering krachtens de Participatiewet, terwijl de gemeente de bijstand ook nog op de man heeft verhaald. Ook heeft de vrouw, zo is door de man onweersproken gesteld, de eigendom van de woning niet bij de belastingdienst gemeld. Dat de vrouw eerst in 2018 erachter kwam dat zij een woning bezat, acht de rechtbank niet aannemelijk. Niet alleen was de vrouw blijkens de door de man overgelegde leveringsakte aanwezig bij de notaris op het moment van levering van de woning, ook is in het namens de vrouw in 2012 ingediende echtscheidingsverzoek de verdeling van de woning aan de orde gesteld.
4.8.
De man heeft onbetwist gesteld dat de hypothecaire schuld in 2012 € 228.700,- bedroeg, terwijl de woning € 224.000,- waard was. Er was derhalve sprake van een onderwaarde. De man maakt echter geen aanspraak daarop ten laste van de vrouw. Bij deze stand van zaken zal de rechtbank de woning alsmede de aan de hypotheek gekoppelde polissen aan de man toedelen en de man verplichten de hypothecaire schuld als eigen schuld te voldoen en de man veroordelen eraan mee te werken dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, zonder dat de man of de vrouw tot enige betaling uit over- of onderbedeling zal worden veroordeeld.
4.9.
Ook de primaire vordering van de man dat dit vonnis in de plaats zal treden van de definitief op te maken notariële akte verdeling registergoed wijst de rechtbank toe. De vrouw heeft er tot op heden geen blijk van gegeven vrijwillig haar medewerking aan de levering van haar aandeel te verlenen en voorts ook geen verweer tegen deze vordering gevoerd.
in reconventie
4.10.
Nu de rechtbank de vorderingen van de man toewijst, komt de rechtbank niet meer toe aan de vorderingen van de vrouw. Dezen wijst de rechtbank dan ook af.
in conventie en in reconventie
4.11.
In de omstandigheid dat het een geding betreft tussen twee personen die gehuwd zijn geweest, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de proceskosten tussen partijen te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De rechtbank
in conventie
5.1.
stelt de verdeling van de woning gelegen aan de [adres] aldus vast dat de woning alsmede de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde polissen aan de man worden toegedeeld onder de verplichting de hypothecaire geldlening als eigen schuld te voldoen en zijn medewerking te verlenen aan het ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, zonder dat partijen jegens elkaar tot enige betaling uit over- of onderbedeling gehouden zijn;
5.2.
bepaalt, op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW dat dit vonnis, onder de voorwaarde dat de man ervoor zorgdraagt dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire verplichtingen, dezelfde kracht zal hebben als in een wettige vorm opgemaakte notariële akte tot eigendomsoverdracht van het aandeel van de vrouw in de woning aan [adres] aan de man, welk vonnis voor inschrijving vatbaar is in de daartoe bestemde openbare registers;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
compenseert de kosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.5.
wijst af het meer of anders gevorderde;
in reconventie
5.6.
wijst af het gevorderde;
5.7.
compenseert de kosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.J. Evers, mr. H.P.E. Has en mr. C.C.M. Oude Hengel en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2020.
type:
coll: