Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2020:3353
2020-06-17
Bestuursrecht
AMS 19/5517
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Herhaalde WAO aanvraag. Wet Amber niet van toepassing. Geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Voor de toekomst kan eiser niet in aanmerking komen voor een WAO-uitkering wegens bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Beroep ongegrond
Citeert (2)
- ECLI:NL:CRVB:2016:2860 Centrale Raad van Beroep 27-07-2016
- ECLI:NL:CRVB:2008:BC6102 Centrale Raad van Beroep 21-02-2008
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.886 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 19/5517
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats] (Marokko), eiser,
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 2 mei 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) afgewezen.
Bij besluit van 6 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft partijen op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gelegenheid gesteld om aan te geven of zij op een zitting willen worden gehoord. De rechtbank heeft van partijen niet gehoord dat zij een zitting wensen. De rechtbank heeft daarom bepaald dat er geen zitting zal plaatsvinden en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.1.
Eiser is op 8 maart 1989 uitgevallen voor zijn werkzaamheden en daarna naar Marokko teruggekeerd. Op 12 april 1999 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een WAO-uitkering. Bij besluit van 30 januari 2002 heeft verweerder de aanvraag van eiser om een WAO-uitkering met ingang van 27 februari 1990 afgewezen. Dit besluit is, gezien de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 21 februari 2008, in rechte onaantastbaar geworden. Nadien heeft eiser meerdere malen verweerder verzocht te beoordelen of hij alsnog recht heeft op een WAO-uitkering.
1.2.
Op 20 maart 2019 heeft eiser verweerder opnieuw verzocht om een WAO-uitkering.
1.3.
Bij het primaire besluit is aan eiser een WAO-uitkering geweigerd, omdat hij geen nieuwe informatie bij zijn aanvraag heeft overgelegd.
1.4.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.
2. Eiser vraagt de rechtbank om zijn klacht te bestuderen en de afwijzing van de WAO-uitkering te vernietigen. Hij wijst er op dat hij ernstig ziek is en zich in een slechte financiële- en gezondheidssituatie bevindt. Ook heeft eiser in beroep medische stukken ter ondersteuning van zijn standpunt overgelegd.
3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad moet een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere afwijzing van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd dat wordt teruggekomen van het eerdere besluit, dat bedoeld wordt een beroep te doen op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid (Wet Amber), of dat om herziening wordt verzocht voor de toekomst. Dit onderscheid is van belang voor de beoordeling van de aanvraag door verweerder en de toetsing van de beslissing op die aanvraag door de bestuursrechter (zie de uitspraak van de Raad van 27 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2860).
4. De aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de WAO moet, gelet op het verzoek van 20 maart 2019, niet alleen worden opgevat als een verzoek om terug te komen op het besluit van 30 januari 2002, maar ook als een verzoek om een Amber-beoordeling en als een verzoek om herziening voor de toekomst.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat verweerder per 27 februari 1990 heeft geweigerd een WAO-uitkering aan eiser toe te kennen en dat de Wet Amber pas met ingang van 29 december 1995 in werking is getreden. Gelet daarop is een Amber-beoordeling wegens verslechtering van de gezondheid, in deze zaak niet aan de orde.
5.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat hetgeen eiser heeft aangevoerd niet kan worden aangemerkt als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.
5.3.
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op de toekomst, overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 49 van de WAO vindt toekenning van de uitkering niet plaats indien de uitkering zou ingaan op of na de dag waarop betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1946. Dit betekent dat hij op [datum] 2011 de voor hem geldende pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Voor de toekomst komt eiser dan ook niet in aanmerking voor een WAO-uitkering.
6. Verweerder heeft terecht het primaire besluit, waarin de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de WAO wordt afgewezen, bij het bestreden besluit gehandhaafd. Het beroep is ongegrond.
7. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C. Trommel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
ECLI:NL:CRVB:2008:BC6102.
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 19/5517
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats] (Marokko), eiser,
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 2 mei 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) afgewezen.
Bij besluit van 6 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft partijen op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gelegenheid gesteld om aan te geven of zij op een zitting willen worden gehoord. De rechtbank heeft van partijen niet gehoord dat zij een zitting wensen. De rechtbank heeft daarom bepaald dat er geen zitting zal plaatsvinden en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.1.
Eiser is op 8 maart 1989 uitgevallen voor zijn werkzaamheden en daarna naar Marokko teruggekeerd. Op 12 april 1999 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een WAO-uitkering. Bij besluit van 30 januari 2002 heeft verweerder de aanvraag van eiser om een WAO-uitkering met ingang van 27 februari 1990 afgewezen. Dit besluit is, gezien de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 21 februari 2008, in rechte onaantastbaar geworden. Nadien heeft eiser meerdere malen verweerder verzocht te beoordelen of hij alsnog recht heeft op een WAO-uitkering.
1.2.
Op 20 maart 2019 heeft eiser verweerder opnieuw verzocht om een WAO-uitkering.
1.3.
Bij het primaire besluit is aan eiser een WAO-uitkering geweigerd, omdat hij geen nieuwe informatie bij zijn aanvraag heeft overgelegd.
1.4.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.
2. Eiser vraagt de rechtbank om zijn klacht te bestuderen en de afwijzing van de WAO-uitkering te vernietigen. Hij wijst er op dat hij ernstig ziek is en zich in een slechte financiële- en gezondheidssituatie bevindt. Ook heeft eiser in beroep medische stukken ter ondersteuning van zijn standpunt overgelegd.
3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad moet een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere afwijzing van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd dat wordt teruggekomen van het eerdere besluit, dat bedoeld wordt een beroep te doen op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid (Wet Amber), of dat om herziening wordt verzocht voor de toekomst. Dit onderscheid is van belang voor de beoordeling van de aanvraag door verweerder en de toetsing van de beslissing op die aanvraag door de bestuursrechter (zie de uitspraak van de Raad van 27 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2860).
4. De aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de WAO moet, gelet op het verzoek van 20 maart 2019, niet alleen worden opgevat als een verzoek om terug te komen op het besluit van 30 januari 2002, maar ook als een verzoek om een Amber-beoordeling en als een verzoek om herziening voor de toekomst.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat verweerder per 27 februari 1990 heeft geweigerd een WAO-uitkering aan eiser toe te kennen en dat de Wet Amber pas met ingang van 29 december 1995 in werking is getreden. Gelet daarop is een Amber-beoordeling wegens verslechtering van de gezondheid, in deze zaak niet aan de orde.
5.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat hetgeen eiser heeft aangevoerd niet kan worden aangemerkt als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.
5.3.
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op de toekomst, overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 49 van de WAO vindt toekenning van de uitkering niet plaats indien de uitkering zou ingaan op of na de dag waarop betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1946. Dit betekent dat hij op [datum] 2011 de voor hem geldende pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Voor de toekomst komt eiser dan ook niet in aanmerking voor een WAO-uitkering.
6. Verweerder heeft terecht het primaire besluit, waarin de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de WAO wordt afgewezen, bij het bestreden besluit gehandhaafd. Het beroep is ongegrond.
7. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C. Trommel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
ECLI:NL:CRVB:2008:BC6102.