Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2019:6814
2019-08-29
Bestuursrecht
AWB - 19 _ 1472
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
PV mondelinge uitspraak, Participatiewet, geldlening, kasstorting, middelen
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2015:3188 Centrale Raad van Beroep 15-09-2015
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.510 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 19/1472
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
29 augustus 2019 in de zaak tussen
[eiser] , te Ouderkerk aan de Amstel, eiser
(gemachtigde: mr. H.J.G. Heijen),
en
Het College van Burgemeester en Wethouders van Ouder-Amstel, verweerder
(gemachtigde: S. Dharampal)
Procesverloop
Bij besluit van 5 juli 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder kasbetalingen van in totaal € 2.745,00 in mindering gebracht op de bijstandsuitkering van eiser. Bij besluit van
1 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Eiser voert aan dat de geldstortingen door zijn zoons, in totaal € 2.745,00, niet aan te merken zijn als middelen zodat geen grond bestond om deze in mindering te brengen op de bijstandsuitkering. De betalingen waren bedoeld voor het betalen van de huur, het afbetalen van een auto en aflossen van een schuld aan de bank. Verweerder neemt een te rigide standpunt in.
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de stortingen op goede grond in mindering zijn gebracht op de uitkering. Verweerder licht ter zitting toe dat het niet van belang is of de stortingen aan eiser zijn overgemaakt of direct zouden zijn betaald aan de schuldeiser. De bijstand is een laatste vangnet en is niet bedoeld om schulden af te lossen.
5. De rechtbank overweegt dat uit artikel 31, eerste lid, van de Participatiewet volgt dat geldstortingen als middel aangemerkt moeten worden. Het betreft hier periodieke betalingen aan eiser. Eiser kon vrijelijk beschikken over de geldbetalingen door derden die naar vaste rechtspraak als inkomen van de bijstandontvanger moeten worden aangemerkt. De uitzonderingssituatie, zoals bijvoorbeeld vermeld in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3188, doet zich niet voor. Hierbij acht de rechtbank van belang dat eiser wel enig inkomen genoot, de geldlening onbestreden was bedoeld ter aflossing van een schuld en niet was bedoeld voor levensonderhoud en dat de afspraak dat het om een lening gaat niet bij de betaling maar achteraf is gemaakt.
6. De beroepsgronden slagen niet.
7. Het beroep is ongegrond
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van der Kroft, griffier, op 29 augustus 2019.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 19/1472
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
29 augustus 2019 in de zaak tussen
[eiser] , te Ouderkerk aan de Amstel, eiser
(gemachtigde: mr. H.J.G. Heijen),
en
Het College van Burgemeester en Wethouders van Ouder-Amstel, verweerder
(gemachtigde: S. Dharampal)
Procesverloop
Bij besluit van 5 juli 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder kasbetalingen van in totaal € 2.745,00 in mindering gebracht op de bijstandsuitkering van eiser. Bij besluit van
1 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Eiser voert aan dat de geldstortingen door zijn zoons, in totaal € 2.745,00, niet aan te merken zijn als middelen zodat geen grond bestond om deze in mindering te brengen op de bijstandsuitkering. De betalingen waren bedoeld voor het betalen van de huur, het afbetalen van een auto en aflossen van een schuld aan de bank. Verweerder neemt een te rigide standpunt in.
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de stortingen op goede grond in mindering zijn gebracht op de uitkering. Verweerder licht ter zitting toe dat het niet van belang is of de stortingen aan eiser zijn overgemaakt of direct zouden zijn betaald aan de schuldeiser. De bijstand is een laatste vangnet en is niet bedoeld om schulden af te lossen.
5. De rechtbank overweegt dat uit artikel 31, eerste lid, van de Participatiewet volgt dat geldstortingen als middel aangemerkt moeten worden. Het betreft hier periodieke betalingen aan eiser. Eiser kon vrijelijk beschikken over de geldbetalingen door derden die naar vaste rechtspraak als inkomen van de bijstandontvanger moeten worden aangemerkt. De uitzonderingssituatie, zoals bijvoorbeeld vermeld in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3188, doet zich niet voor. Hierbij acht de rechtbank van belang dat eiser wel enig inkomen genoot, de geldlening onbestreden was bedoeld ter aflossing van een schuld en niet was bedoeld voor levensonderhoud en dat de afspraak dat het om een lening gaat niet bij de betaling maar achteraf is gemaakt.
6. De beroepsgronden slagen niet.
7. Het beroep is ongegrond
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van der Kroft, griffier, op 29 augustus 2019.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.